WILLEM CORNELISZ BACKER


Persoonspagina | Voorouders-pagina | Familiepagina |

 
Personalia

Naam: Willem Cornelisz Backer
Geboren: 17-04-1595 (Amsterdam)
Overleden: 05-10-1652 (Amsterdam)
 
Ouders: Cornelis Jorisz, Grietge Willemsdr Backer
Broers en/of zussen: Cornelia

echtgenoot:

Kind(eren):

 
Beroep: Luitenant en Kapitein der schutterij en burgemeester van Amsterdam in 1639, 1642, 1645, 1647 en 1651. Backer was eveneens bewindhebber van de Vereenigde Oost Indische Compagnie.
Opmerkingen:
Titel: Ridder van St. Marcus. Van zijn schoonouders erfde hij naast een vermogen ook het huis Nuyssenburch in Overveen. Zijn werk: In 1625 kwam Backer in de vroedschap, die uit 36 personen bestond. Hij sloot zich aan bij de calvinisten, die onder leiding stond van Reinier Pauw. De gereformeerde Backer was o.a.: Commissaris van Huwelijkse Zaken, 1624 - 1629 Commissaris van de Grote Accijnzen, 1629 - 1630 Rekenmeester, 1632 Commissaris van Kleine Zaken, 1634 - 1635 Curator van het Athenaeum Illustre, 1636 Weesmeester, 1640, 1643, 1646 Thesaurier Ordinaris, 1641, 1644, 1652 In 1639 werd hij voor de eerste keer burgemeester. In de 17de eeuw steunde het burgemeesterschap van Amsterdam op een privilege uit 1400, door hertog Albrecht verleend. Hierbij werd de jaarlijkse keuze van de vier hoogste machthebbers van de stad geregeld, zodat het gezag der Republiek hier geen enkele invloed op had. Ook handhaafden zij de orde. Negen schepenen waren met de rechtspraak belast, maar de burgemeester moest instemmen met een doodvonnis. Ook was de burgemeester belast met de benoeming van bestuurscolleges. . In 1640 werd hij bewindhebber der Oost-Indische Compagnie, doch trad in 1643 af, omdat hij van oordeel was ‘dat onder sijn confraters de wagen niet al te recht gonck’. In 1647 benoemde de Doge van Venetië hem tot ridder van Sint Marcus. Van 1648-50 had hij zitting in het college der Gecommitteerde Raden van Holland. In de Vroedschap behoorde hij tot de calvinistische minderheid. Het was vooral op zijn initiatief, dat begonnen werd met den bouw van een toren aan de Nieuwe Kerk, welk werk na zijn dood werd gestaakt. Backer maakte deel uit van de Commissie van Toezicht die zich bezighield met de herbouw van de Nieuwe kerk, die op 11 januari 1645 door brand was verwoest. De bouw startte in mei 1646, toen Cornelis de Graeff burgemeester was. Na allerlei voorbereidingen werd op 27 augustus de eerste paal geslagen. Heien gebeurde in die tijd met de hand. Een blok hout van 600 kg werd daartoe aan kabels opgehesen. Een half jaar later werd besloten een ijzeren hei te gebruiken die 100 kg zwaarder was. Op 20 juni 1647 werd de eerste steen gelegd door Backers 14-jarige zoon Cornelis. Op 14 mei 1648 werd de kerk in gebruik genomen, kort na de Vrede van Munster, maar de kerktoren is nooit voltooid. Het stadhuis was bij de grote stadsbrand van 1452 verwoest en daarna weer opgebouwd. Het ligt op de Dam, omringd door kleine straatjes. Die straatjes werd verwijderd en op 20 januari 1648 werd met het heien van 13.659 palen voor een nieuw stadhuis gestart. De eerste steen van het nieuwe stadhuis werd op 29 oktober gelegd. Op 7 juli 1652 werd het oude stadhuis door brand verwoest, precies 200 jaar na de vorige brand. Hierdoor kon Jacob van Campen zijn ontwerp aanpassen en het nieuwe stadhuis werd groter dan voorzien. In 1655 was het stadhuis klaar. In 1647 werd Backer door Francisco Molino, doge van Venetië, benoemd tot Ridder van Sint-Marcus. Backer overleed in 1652 en zijn zwager Gerard Schaep volgde hem als leider van de kerkelijke fractie op. Bron: Wikipedia. Het Gemeente-archief te Amsterdam bezit van hem een bundel manuscript- aanteekeningen betreffende vergaderingen der Staten van Holland tusschen 1638 en 1652. Ook liet hij in handschrift vele genealogische aanteekeningen na, die nog bij zijne familie berusten.