WOUDA: KEIMPE VAN MARTENA



Edel - overgrootvader van pake Johannes, via zijn grootmoeder Trijntje Haisma


Ridder Keimpe van Martena

Naar navigatie springenNaar zoeken springen

Keimpe Doeckes van Martena (Cornjum, circa 1487 - 8-11-1538?) was een historicus en jurist.

Keimpe van Martena op een olieverf schilderij in het Fries Museum in Leeuwarden.

Hij studeerde in 1508 te Orléans letteren, wellicht ook rechten (LeuvenBologna). Karel V, wiens partij hij koos, benoemde hem in 1515 tot raadsheer van het Hof van Friesland en sloeg hem tot ridder. Op last der Staten van Friesland schreef Martena het Annael ofte Landboek (1528).

Of ze erbij zijn geweest toen kerkhervormer Maarten Luther tijdens de rijksdag in Worms met Karel V sprak, is niet bekend. Maar in het jaar 1521 reisden wel twee Friezen naar Worms om de keizer namens de Staten van Friesland om hulp en bescherming te vragen. De vertegenwoordigers waren Keimpe Doeckes van Martena en Sybrant Goffes Roorda.

De tijden waren veranderd. In de vijftiende eeuw ruziede de Friese adel er lustig op los, verdeeld in groepen die zich Schieringers dan wel Vetkopers noemden. De eerste groep dankte z’n naam aan de cisterciënzer monniken die grijze –schiere– pijen droegen, de tweede heette naar de orde der norbertijnen, die slachtvee fokte. Friesland, met inbegrip van de Groninger Ommelanden, maakte al wel deel uit van het Heilige Roomse Rijk, maar een feodale structuur die in veel andere delen van het rijk al sinds Karel de Grote gold, kende Friesland niet. De Friezen werden niet bestuurd door een graaf of hertog; ze bestuurden zichzelf.

Aan het einde van de vijftiende eeuw zag keizer Maximiliaan van Oostenrijk echter kans om in Friesland een keizerlijke stadhouder aan te stellen: Albrecht van Saksen. Bij hem zochten de Schieringers bescherming. Friesland werd vervolgens een aantal jaren het strijdtoneel van de hertogen van Gelre en van Saksen. Totdat de laatste, de zoon van Albrecht, er genoeg van had en geld nodig had. Hij verkocht in 1515 zijn rechten –die Friesland en de Ommelanden omvatten– voor 100.000 gulden aan Karel V. Omdat deze toen vijftien jaar oud was, werd zijn tante, Margaretha van Oostenrijk, onder meer landvoogdes van Friesland. Maar rustig werd het er niet echt van, Friesland en de Friezen bleven een speelbal op het veld van heren van buiten het gewest. Het leidde tot belastingdruk, bezitsverlies en een gebrek aan rechtvaardigheid, met name door toedoen van de hertog van Gelre en zijn troepen.

Officiële afvaardiging

De frustraties hierover waren groot, en de Staten van Friesland vaardigden twee vertegenwoordigers af naar keizer Karel V, die in 1521 van 28 januari tot en met 25 mei in de Andreasstift in de Duitse stad Worms een rijksdag hield, een gewestelijke vergadering van keurvorsten en bisschoppen. De vertegenwoordigers waren Keimpe Doeckes van Martena en Sybrant Goffes Roorda.

Van Martena was rond 1487 geboren in Cornjum, had in 1508 letteren gestudeerd in Orléans –rechten ook misschien– en werd doctor genoemd. In 1515 had Karel V hem al tot raadsheer benoemd in het Hof van Friesland en hem tot ridder geslagen, en in 1517 was hij grietman –burgemeester– geworden van Tytjerksteradiel. Van Martena was ook degene die in opdracht van de Staten het Annaal of Landboek over de Friese geschiedenis van 1498 tot 1530 schreef, nog steeds een belangrijke historische bron. Eind 1538 moet Van Martena gestorven zijn.

De tweede, jonkheer Sybrant Goffes Roorda, werd in 1465 geboren in Tzummarum. Hij werd bewoner van Groot Duinterp –Doniastate– in Spannum en hij bezat landerijen op verschillende plekken in Noordwest-Friesland. Zeker voor middeleeuwse begrippen werd Roorda heel oud. Op 85-jarige leeftijd stierf hij op 11 oktober 1550 in Leeuwarden. Volgens sommige bronnen is hij in het klooster Anjum begraven, in de Sint-Remigiuskerk in Spannum is echter zijn grafzerk teruggevonden. Op last van de Franse overheersers is de zerk rond 1800 helaas zwaar beschadigd – in het kader van vrijheid, gelijkheid en broederschap werden alle uitingen van standsverschillen zorgvuldig weggehakt.

Gelderse terreur

Namens de Staten van Friesland moesten Van Martena en Roorda de keizer verzoeken de Friese adel te beschermen tegen de overheersing door hertog van Gelre –ook een Karel– en een rechtsstelsel in te voeren dat niemand voorrechten bood die schadelijk konden zijn voor het algemeen belang. Ze wilden tevens teruggave van eigendommen die ze tijdens de oorlog met de Gelderse troepen kwijtgeraakt waren. Het ging daarbij met name om huizen. Namens de Friese geestelijkheid moesten ze vragen of Karel V de rechten en vrijheden wilde beschermen die hun gegeven waren.

De twee Friezen zijn zeker bij Karel V geweest, zo blijkt uit het Annaal van Van Martena. Bekend is ook dat de keizer, die veel aan z’n hoofd had, lang op zich liet wachten. De Friezen kwamen pas tegen het einde van 1521 in Friesland terug met de schriftelijke verzekering van de keizer dat hij, nu de Franse oorlog afgelopen was, werk zou maken van het verdrijven van de Gelderse troepen uit Friesland en ook aan hun overige wensen zou voldoen. De vervulling van in ieder geval een deel van die beloften zou ook weer de nodige tijd op zich laten wachten.

Luther

Wanneer de Friezen precies in Worms aangekomen zijn om Karel V te spreken, is onbekend. Maar omdat wel bekend is dat Maarten Luther op 17 april voor de keizer verscheen –bijna drie maanden na het begin van de rijksdag– kan het haast niet anders of ze waren in Worms toen Luther daar verbleef. Ze moeten de opwinding gevoeld hebben in de straten van de stad – het enthousiasme van het volk dat het wel kon waarderen dat iemand zich tegen de opvattingen van de adel en de geestelijkheid keerde, een monnik die gretig gehoor had gevonden tijdens de preken die hij op zijn reis naar Worms gehouden had in Erfurt, Gotha en Eisenach.

Zonder inhoudelijk gesprek wordt Luther op 17 april 1521 gevraagd om twintig van zijn boeken te herroepen. Hij vraagt een dag bedenktijd, krijgt die, maar Luther wil zijn ideeën niet herroepen: „Als ik niet weerlegd word door getuigenissen uit de Schrift of door heldere, rationele argumenten –want ik geloof noch alleen de paus, noch alleen de concilies, omdat vaststaat dat zij vaker gedwaald en elkaar tegengesproken hebben– dan ben ik gebonden aan de door mij aangehaalde Bijbelteksten. En zolang mijn geweten gevangenzit in het Woord van God, kan en wil ik niets herroepen, omdat de dingen onzeker worden en ook de zaligheid bedreigd wordt als je iets tegen je geweten in doet. God helpe mij. Amen.”

Het beroemde „Hier sta ik, ik kan niet anders” dat aan Luther toegeschreven wordt, heeft hij hier waarschijnlijk niet gezegd, al is het een krachtige en kloppende samenvatting van zijn woorden.

Getuige

Of Keimpe Doeckes van Martena en Sybrant Goffes Roorda Luther zelf gezien hebben, of dat ze de reformator misschien zelfs gehoord hebben toen hij weigerde zijn ideeën te herzien, is niet bekend. Maar het kan haast niet anders dan dat de Friezen zich er bewust van waren dat er direct om hen heen, in Worms anno 1521, geschiedenis geschreven werd waarvan zij getuige waren.

Door Dick Vos in Reformatorisch Dagblad, 2017