DOOPSGEZINDE VOOROUDERS



Dat onze pake en oma in Rottevalle doopsgezind waren wisten we natuurlijk al. Als we oom Ebe mochten geloven 'hebben onze voorouders bij het graf van Menno Simons gestaan'. Of dat echt zo was weet ik niet, maar hij had wel gelijk dat het 'doopsgezind zijn' een lange tijd terug gaat. Doopsgezinden waren er al begin 17de eeuw in Witveen/Rottevalle en onze voorouders waren daar ook bij:  Gaucke Tyercks. (zie hieronder). Trijntje Tjercks, zijn zus,  wordt op belijdenis gedoopt op 22-11-1674. Zij is een directe voorouder van ons. Haar oom, Aucke Michiels wordt benoemd als doopsgezind. 
Haar kleindochter Mincke Liebbes is ook Doopsgezind. Daarna volgen er via o.a  de familie Lambarts doopsgezinden naar onze overgrootmoeder Jiskje Tuinstra

In vroegere tijden is het ze goed gegaan. Het was een veilige plek om te zijn in dit verlaten gebied, er was veel werk in de ontginningen en er viel geld te verdienen. Als beroepen kom je vaak tegen: welgestelde boer, veenbaas of koopman. Misschien een reden waarom je regelmatig linken ziet naar gegoede families, zoals de familie Ytsma, Jellama, Wiarda, Ammana, Martena en Heeringa

Hier en daar waren meer voorouders doopsgezind, in de lijn van Uilckjen Ebeles de Jong bv. en ook in Hantumhuizen waren er een paar te vinden in de lijn van Sjoukje Gerbens van Maanen, allemaal al in de 17de eeuw!



In 1983 is door de Fryske Akademy het volgende boekwerkje uitgegeven "Ferbān yn us wurk, Diel IV, Mennisten - Doopsgesinden 1557 - 1810" Het boekwerkje telt 42 bladzijden met namen van Friese Doopsgezinden, gesorteerd per regio, in Tytsjerksteradiel wordt alleen Eastermar (+ It Wytfean) genoemd, sortering op dezelfde wijze als dhr. R.S. Roarda. De vroegste vermelding in Eastermar betreft "Gaucke Tiercx, "Op 5 febrewaris 1685 kurator: "vermits mennonyts gesint zijnde bij handtastinge onder jae en neen in eedes plaetse". Smellingerlān N1, side 49. Verder worden in de periode tussen 1685 en 1801 vermeld: Brugt Eryts; Hans Jochums; Jan Jelles; Bastiaan Egberts; Jochum Jans; Erijt Erijts; Eghbert Dircks; Liebbe Petrus; Warner Petrus.


In het nabije Smallingerland worden veel meer Doopsgezinden vermeld. Echter ook hier geen vermeldingen rond 1620, de eerste vermelding in dit boekwerkje betreft Rinnert Jans, Sm. Opeinde, Claes Jochums Rottefalle, Gaucke Tzierckx op 't Witveen, voorstanders Mennonyte Armen, 20 juny 1676. Smellingerlān U4, side 164.