OUDE BEROEPEN



Bij het stamboomonderzoek kom je regelmatig verschillende beroepen tegen die tegenwoordig niet meer bestaan. Op deze pagina een aantal voorbeelden die in onze stamboom voorkwamen.

Dagloner
Een dagloner is een arbeider die per dag werd betaald en die met name in de land- en tuinbouw werkte. De dagloner had geen vaste betrekking en verdiende daardoor niet als er geen werk voorhanden was. Toch was hij met zijn gezin vaak afhankelijk van één boerderij, waarbij hij op loopafstand woonde. Daarom werden ze in Brabant ook wel kortwoners genoemd. Als de boer arbeidskracht nodig had, blies hij op de koehoorn. De dagloner was goed te vergelijken met de losarbeider of loswerkman in de haven en industrie. Deze meldde zich 's ochtends op een plaats waar gewoonlijk arbeid geronseld werd. Meestal was dat een café. De koppelbaas selecteerde de gewenste arbeidskracht en de rest kon het morgen weer proberen. Op onze stamboom komen we diverse dagloners tegen die vooral werkzaam waren in de agrarische sector. Veelal als boerenknecht / grasmaaier enz.

Foto: dagloner met de zicht (seis)

Een groot deel van de dagloners woonden op de woeste (heide)gronden rondom het dorp. Vaak in een plaggenhut. Volgens verschillende onderzoekers kon men zich daar namelijk een stuk woeste grond toe-eigenen door in één nacht een perceel af te grenzen door middel van een ondiepe gegraven sleuf en er een kleine hut op te zetten waarin gestookt kon worden. (bron: Grote van Dale). Deze werkmethode heette: ‘kielspitten’ of ‘aangraven’. Die woeste grond, heide of veengebied behoorde meestal toe aan de ‘gemene Marktgronden’ oftewel aan de gemeenschappelijk marke. Veelal kreeg de aangraver en huttenbouwer toestemming om te blijven wonen. Als de sloot klaar was werd de grond verder ontgonnen en zo aan het grondbezit toegevoegd. Wel moest er dan pacht betaald worden. Deze huttenbouwers werden vaak ook gedoogd door de grootgrondbezitters vanwege de dan aanwezige beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten. Daarnaast hadden ze wellicht een functie bij het ontginnen van de woeste grond. Met andere woorden hun werk was mooi meegenomen. Op die manier is in de loop van de eeuwen steeds meer woeste grond ontgonnen.

50plusser.nl Mobiel

Foto: plaggenhut Openluchtmuseum Arnhem

Loonmaaiers & bindstersDe maaiers gebruikten een pikhaak en een zicht (soort korte zeis). Rond Winterswijk heette de zicht een ‘zeiden’ . De halmen werden met de pikhaak bij elkaar gehaald en vervolgens met een snelle slag van de vlijmscherpe zeiden afgemaaid. Als de maaier zes halen met de zeiden had gemaaid dan haalde hij ze bij elkaar en werd het pak dat zo ontstond in de rij gelegd. Daar werden ze door de ‘bindsters’, twee vrouwen per maaier, in een bos bijeen gebonden tot een garve of schoof. Wanneer een maaier een halm liet staan die door een bindster werd gevonden dan moest hij trakteren. Maar dat gold ook voor de bindster die vergeten had een garve op te binden. Zo’n garve werd aan de onder-en bovenzijde met stro vastgeknoopt. Aan het eind van de dag werden de schoven in een ‘geste of gast’ (wigwammodel van acht stuks) tegen elkaar opgezet.

Op die manier kon het graan drogen. De laatste garve die werd gemaaid was extra dik en werd het ‘oldewief’ genoemd. Deze werd versierd met takken en dan kon men op de boerderij ‘stoplaan hollen’. Oftewel koffie en een borrel drinken. In het boek ‘Oud-Achterhoeksch boerenleven’ zegt schrijver H.W. Heuvel:  “Als de rogge ‘van de been’ (gemaaid) is krijgt het volk ‘den stoppelhane’ dat is een ‘dröpken’ uit het glas, daar word je zo anders van. Ook dit zal wel een overblijfsel wezen van oeroude religieuze gebruiken, het slachten van den oogst haan tot een dankoffer(…)” Wanneer de schoven droog waren gingen ze, hoog opgetast op de wagen, naar de boerderij. De schoven lagen op de kar met de kop naar binnen zodat er geen zaad verloren ging. De rogge werd bewaard op de zolder of op een roggemijt. Een raadgeving die veel boeren kregen was om egels te vangen. Deze konden dan ‘s winters de muizen vangen die het zaad aten. Niet echt effectief omdat egels een winterslaap houden.

Foto: loonmaaier en bindster op het land

Gestkoper, gistkoper, gistslijter: Verkoper van gist. Aert Teunissen van den Bergh (1601) was een gestvercoper en backer in Utrecht.

Coorncoper /  Korenkoper:                                                                                                            In Amsterdam over het algemeen een handelaar in granen die vooral in het Oostzeegebied actief was. Verder kwam graan vroeger ook uit Frankrijk. Aldaar liet Willem Pietersz. Hooft (1549 - 1605), korenkoper na zijn dood een vermogen na van meer dan fl. 200.000,--. Ze waren niet altijd even geliefd. Zo volgde na de strenge winter 1564/1565 een hongerjaar waarin de korenkopers grote voorraden op hun zolders vasthielden om de prijs extra op te jagen. De Haarlemse rederijker Lauris Jansz gaf in zijn stuk "Het spel van het koren" twee korenkopers de veelzeggende namen 'Nimmer genoeg' en 'Onverzadigbare Begeerte' (Ned. Hist. 1967, p. 27).
Ook waren er wel problemen over de kwaliteit van het graan ("..roggemeel, veeltyds gemaalen van slecht koorn", Utr. Plac. Bk 3, 793 a v. 1656) In 1342 kreeg Delft van Graaf Willem IV drie rechten er bij met betrekking tot de korenhandel. Het waren de bordije, de makelaardije en het uitzetten. De bordije of borije of boringe was het recht om van stadswege het graan te boren, d.w.z. steekproeven te nemen in de schuiten om te zien of de onderste laag van dezelfde kwaliteit was als de bovenste. De makelaardije gaf het recht om als tussenpersoon, als makelaar, op te treden. Het uitzetten was het recht om koren te koop aan te bieden. Johannes van den Berg (1664-1724) was coorncoper in Utrecht.

Verver, verwer
-Ambachtsman werkzaam in de textielindustrie, belast met het verven van wol, linnen, katoen, zijde e.d. en de daaruit vervaardigde weefsels als bijv. laken door onderdompeling in een verfbad met kleur te doordrenken.
-Ambachtsman die bouwwerken, gebruiksvoorwerpen enz. met verf bestrijkt (huis- ,decoratie-, constructieschilder).

Leidekker                                                                                                                               Eeuwenlang was het de gewoonte alle voorname gebouwen, kerken en kloosters met natuurlei te bedekken. In 1368 werden leien en leipannen (van klei gebakken) van dakbedekking door de stad Utrecht bij voorkeur aanbevolen en zelfs voorgeschreven. Lei werd vroeger, evenals  een dakbedekking, die uit over elkaar liggende plankjes (ook als dakbedekking gebruikt) schalie genoemd.De stad Maastricht koos in 1382 'gouverneurs' voor de 'leyendekkers': twee vakpatroons, die op goede levering en goed vakwerk moesten toezien. De leien werden eerst op grootte gesorteerd en van nagelgaten voorzien. Bij bouwwerken boven en langs de Rijn, zomede tussen Waal en Rijn werd uitsluitend de Rijndekking toegepast (schubmodel). In de omgeving van enkele zeehavens als Zierikzee en Edam werden Engelse leien verwerkt.
Voor bouwwerken langs de Maas (Limburg, Noord-Brabant en een gedeelte van Zeeland) werden vrijwel uitsluitend Franse leien gebruikt. De wijze waarop deze werden verwerkt noemde men Maasdekking. Vanaf Johannes Hendrik van den Berg (1789-1866) komen we in Nijmegen en omgeving diverse leidekkers op onze stamboom tegen. Wilhelmus van den Berg (1794-1873) was meester leiendekker en dakdekker.


Kramer of kremer:                                                                                                                       Naast Leidekker was  Johannes Hendrik van den Berg (1789-1866) ook kramer. Oorspronkelijk het verkopen van waren in het klein. In het Handvest van Amsterdam 13a (1571) staat: "Te doen ofte hanteren eenige van de neringen, hier na verklaart ende gespecificeert, te weten, Kramerije, Vettewarije, Laken-verkoopen, enz." Men kende diverse kramers, o.a. de boterkramer, die handelde in boter. 
Andere voorbeelden zijn:
de brillenkramer, die brillen op de markten verkocht; de glazenkramer, die handelde in glaswerk; de ijzerkramerij; de modekramerij; de marskramer, die met de mars (soort draagmand) op zijn rug zijn potentiele klanten bij langs ging; de aflaatkramer, d.w.z. een geestelijke, die op onbetamelijke wijze aflaten te koop aanbood.

Foto: kiep'nkerl of marskramer

Slaapsteehouder:
De slaapsteehouder verhuurde slaapsteden: ruimten waar men kon overnachten in gemeenschappelijke slaapruimtes. In Lichtenvoorde komen we bij de familie Leusink enkele slaapsteehouders tegen.

Pletter
Arbeider in de metaalindustrie; o.a. Johann Anton Löesink (1887-1968) was werkzaam in de metaalindustrie als pletter bij de firma Grönewald, deze maakten o.a. fluitketels.

Wever                                                                                                                                           Weven als beroep stond niet echt hoog aangeschreven. Het was vaak iets wat je er bij deed naast het boerenwerk. De lakenhandelaren leverden vaak de grondstoffen aan waar een wever dan het laken van weefde. De doeken die geweven werden waren mooi stevig en hadden allemaal een eigen patroon. Bij meer vermogende boeren werd er soms geweven volgens een eigen uniek patroon. Van oudsher waren er twee soorten wevers. Op de boerderij was er vaak een ongetrouwde broer van de boer die zich met weven bezig hield. In een dorp waren het meestal de huiswevers. Het weven gebeurde veelal in een aparte ruimte naast de deel tegenover de koeien, de zogenaamde weefkamer. De arbeidsomstandigheden waren ronduit slecht door de slechte verlichting, het stof en de geestdodende werkzaamheden. Het garen werd door de vrouwen gesponnen en het geklepper van het grote houten weefgetouw klonk van de vroege morgen tot de late avond. De beloning was niet echt geweldig en was sinds het midden van de 18e eeuw nauwelijks gestegen. Het dagloon bedroeg ongeveer 8 stuivers. Dat wil niet zeggen dat er veel, in geld, werd afgerekend. Meestal was het een vorm van betaling met gesloten beurs. Antonij leverde laken en kreeg daar goederen voor terug waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Het weven als bijverdienste was, in ieder geval, noodzakelijk om vooral in de winter het hoofd boven water te houden. Dagenlang zat de wever in het getouw en duizenden keren ging zijn lichaam heen en weer om de spoelen heen en weer te ‘smieten’ (smijten of gooien). De pet op en de klompen aan. Na verloop van jaren ging het lichaam van de wever helemaal krom staan door de steeds maar wiegende beweging.

Foto: Weefgetouw - Museum Erve Kots Lievelde

Het weven was, zoals gezegd, een eentonig werkje. Of de wevers er tevreden mee waren is nauwelijks te achterhalen. Wel zijn verschillende volksrijmpjes overgeleverd die ieder hun eigen verhaal vertellen en aangeven dat het toen zeker geen weelde was:

Er zat een wever op zijn getouw
Grauw van de honger en blauw van de kou
Hij weefde al dit, hij weefde al dat,
Hij weefde het hemmetje van zijn gat.  

                                                                                                                                      Hannekemaaiers:  De buitenlandse beroepsbeoefenaars die veelal uit Duitsland afkomstig waren hadden, voor ons, vreemde namen. De verzamelnaam die men toen gebruikte was: ‘Mof’. Het is al sinds de Middeleeuwen een scheldnaam die we ook tegenwoordig nog wel eens gebruiken om   onze oosterburen aan te duiden. Hun naam werd bepaald aan de hand van de werkzaamheden:          

♦ Hannekemaaier: grasmaaier.                                                                                                         

♦ Mieren: De Friese naam  voor hannekemaaier.                                                                            

♦ Poepen, Pikmaaiers en Spekvreters: namen voor hannekemaaiers.                                              

♦ Fyndoeks- of lapkepoep: de Friese naam voor reizende manufacturier.                                      

♦ Pikmaaier: Naam voor de grasmaaiers die maaiden met ‘de pik’ de kortezeis.                           

♦ Munsterman: koopman afkomstig uit het Münsterlanden in Westfalen.                                    

♦ Kiepkerel: Reizende handelaar die een kiepe (mand) op de rug droeg met handelswaar.           

♦ Pottenventer: reiziger in potten en pannen. Waaronder Keulse aardewerk potten.                     

♦ Teuten: rondreizende handelaren in stoffen. Ze hadden een eigen taaltje dat ‘teuts of kremerlatijn‘ werd genoemd.                                                                                                          

♦ Zuurkoolsnijders: rondreizende koolsnijders die de kool meteen in maakten. Ze reisden rond met hun eigen koolschaaf.                        

De ‘hannekemaaiers’ waren op een speciale manier gekleed, afgestemd op het werk dat ze gewoonlijk verrichtten. Ze waren op doortocht naar het westen van Nederland droegen linnen kielen, een plunje zak en een zeis. Ieder voorjaar trokken ze door de Achterhoek. In de eigen arme landstreken was weinig te verdienen en op de vaak overbevolkte keuterboerderijtjes was nauwelijks voldoende voedsel. Dus trokken ze er op uit. De naam is een verbastering van het Duitse woord ‘Hankemeijer’ wat grasmaaier betekent. Later werd deze naam voor allerlei werklieden gebruikt. De werklui kwamen namelijk ook als turfsteker, kleigraver voor de steenfabrieken, schepeling voor de walvisvaarten als zeelieden voor de koopvaardijvloot.     


droogscheerder

Droogscheerder (doekscheerder):  De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte. De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger scaerlaken. De lakens uit Den Bosch ("Bussche" lakens) waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen. Het gildewezen 1) zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder bijvoorbeeld, die doorwerkte bij lamp- of kaarsllicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte. Rombout Scherer (ongeveer 1570) was droogscheerder in Grotenrath Duitsland en Nijmegen.

Bombazijnwerker:                                                                                                               

Bombazijn is een bepaalde geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde, kemelshaar en katoen. Later ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren of geheel uit kamgaren vervaardigd. In het begin van deze eeuw werd bombazijn vervaardigd uit ketting en inslag van katoen. De stof werd veelal gebruikt voor voering en het maken van "werkmans ondergoed". Een bombazijnwerker is dus iemand die bovengenoemde stoffen weeft of verwerkt.Matthijs Scheers (1600-1672) was bombazijnwerker en zegelmeester in Nijmegen.

Zegelmeester: Keurmeester die stoffen van een keurzegel voorziet.


Bronnen:
http://www.beroepenvantoen.nl/
https://femielie.nl/beroepen-1/index.html 
https://velehanden.nl/Inhoud/bestanden/index/name/Gids+van+Historische+beroepen.pdf
   
                                                                                   






counter free