LOCHEM



                   

De stad Lochem ontstaat aan de handelsweg van Zutphen naar Westfalen. De geschiedenis over deze tijd is vaag. De graven van Zutphen zijn de grootgrondbezitters en hun hof moet ergens in Lochem hebben gestaan. Van de ligging, de aanwezigheid van een hof en de aanwezigheid van een windmolen op de Hoge Enk gaat een economische stimulans uit die de nederzetting van het omringende land onderscheidt. Op 9 juli 1233 krijgt Lochem stadsrecht van graaf Otto van Zutphen, hetgeen niet inhoudt dat Lochems aanblik drastisch wijzigt, maar wel dat de burgers andere rechten genieten dan het omringende platteland. Het oudst bekende stadszegel van Lochem is van 1273. Hierop staat een schild met een Gelderse leeuw en boven en naast het schild drie mispelbloemen, eveneens een oud symbool van Gelre.  Deze elementen en symbolen komen, gecombineerd met die uit Gorssel, terug in het wapen van de huidige gemeente Lochem.

De marke is in feite een vroege voorloper van de boerencoöperatie. De mark is vaak een groot gebied bestaande uit 'woeste gronden'. Hierop werden schapen gehouden, om zo de benodigde meststof voor de landbouw te verkrijgen. Het gemeenschappelijke gebruik van de woeste gronden vormde de kern van de marke, de 'gemeente' genoemd. Het recht tot gebruik werd in 'waeren' uitgedrukt. Zo kende men bijvoorbeeld 'volle waeren', dan mocht de bezitter daarvan 100 schapen weiden. Aan het hoofd van de marke stond de markerichter, meestal een edelman die vele 'waeren' in de marke bezat. De gemeente Lochem herbergt achttien marken, elf rondom Gorssel en zeven rond Lochem.

De Zwarte Dood verscheen voor het eerst in 1348 in Europa. Deze dodelijke ziekte, ook wel bekend als de builenpest, of kortweg de pest, verdween rond 1670 weer even plotseling als dat die verscheen. In de tussenliggende eeuwen teisterde deze besmettelijke ziekte vooral de stedelijke bevolking die, vaak in onhygiënische omstandigheden samenleefde. Het zou nog eeuwen duren voor de oorzaak van de ziekte, een bacterie, bekend zou worden.De stad Lochem ontkomt net als alle andere steden niet aan de pest. Hoe vaak is niet bekend, maar in 1500 valt Lochem zeker ten prooi aan deze gevreesde ziekte.

Na de stadsrechtverlening aan Lochem in 1233 is ongetwijfeld snel begonnen met het beveiligen van de stad. Lochem groeit uit tot een vesting. In de Tachtigjarige Oorlog wordt Lochem achtereenvolgens aangevallen door Don Frederik (1572) en Verdugo (1582). In 1590 probeerden de Spanjaarden met enkele in hooiwagens verstopte soldaten Lochem binnen te komen, maar Poorters Jan ontdekt het verraad, wanneer hij wat hooi van de wagen plukt. Dat is een oud recht zo lang de hooiwagen onder de poort doorrijdt. Poorters Jan alarmeert het garnizoen, maar alle achttien wachters lieten het leven. Na heftige straatgevechten worden de Spanjaarden niettemin Lochem uitgejaagd.

De grote stadsbrand in Lochem vindt plaats in 1615. Hierbij gaat vrijwel de hele stad in de vlammen op. Dat is niet zo vreemd, wanneer beseft wordt dat Lochem op dat moment voornamelijk uit houten huizen bestaat. Een bijkomend effect waar we tegenwoordig nog steeds last van hebben, is dat ook het Lochemse archief verloren gaat, waardoor er slechts mondjesmaat informatie over Lochem voor de stadsbrand bestaat. Het ontstaan van de brand en hoe deze zich verder ontwikkelt is behoorlijk goed gedocumenteerd. De aanstichtster van de brand is uit Lochem verdreven en mocht nooit meer terugkomen. Een brand in een middeleeuwse stad betekende meestal dat het hele centrum verloren ging. Hoewel Lochem een dubbele grachtengordel had, was het niet eenvoudig om snel aan bluswater te komen. De brandspuit werd pas uitgevonden in 1677. Voordien was elk huishouden verplicht één of meer leren emmertjes te hebben. Bij brand vormde men een lange keten en gaf men de emmertjes aan elkaar door.

De Achterhoek wordt doorkruist met enkele zeer oude handelswegen. In de gouden eeuw zijn dit vooral Duitse kooplieden (uit Hessen), naar wie veel oude wegen vernoemd zijn. In Lochem splitste de oude handelsweg van Munsterland zich naar Zutphen of Deventer. De Berkel kon op twee plaatsen worden overgestoken: bij de Wengerbrug (Lochem) of de Spitholterbrug (Almen). Voor vermoeide reizigers waren langs de weg herbergen ingericht waar zij konden overnachten. Bekende voormalige herbergen in onze gemeente zijn  De Luchte in Lochem, De Almense Mölle in Almen, Het Hoentjen in Harfsen en De Drie Kieften in Joppe.

Het putregister is een belangrijke bron voor voorouderonderzoek in Lochem in de 18e eeuw. Het bevat de namen van de 185 gebruikers van de putten in de stad. Deze bron kunt u gebruiken om de verblijfplaats te lokaliseren van voorouders die in de stad Lochem woonden. Het register vertelt in de buurt van welke waterput uw voorouder woonde. De inwoners van Lochem waren voor hun watergebruik afhankelijk van waterputten. Medio 18e eeuw telde Lochem er zeker vijf. Deze putten stonden op centrale plaatsen en aan de doorgaande wegen in de stad. Er stond een put op de Markt, maar ook in de Bierstraat, de Molenstraat, de Blauwe Torenstraat en de Smeestraat was een put te vinden. Deze putten zijn herkenbaar op het minuutplan van de stad Lochem (sectie F) uit 1832. Maar in de 18e eeuw moet Lochem meer putten hebben gekend, want het putregister noemt de namen van nog drie andere: de put "voor Nijmans huys", "voor het Veldhoen staende" en "voor Loonemans huijs". Gezien het aantal putten in de stad moet de (drink-)watervoorziening in Lochem goed zijn geweest. Een waterput was voor de Lochemmer nooit ver weg. De waterputten waren voor gemeenschappelijk gebruik, maar iemand kon niet zomaar uit elke put water halen. Het gebruik van een put was gekoppeld aan een aantal nabijgelegen huizen. De bewoners van deze huizen waren de rechtmatige gebruikers van de put, de zogenaamde gerechtigden. In het Lochems putregister staan de namen opgesomd van de 185 burgers die gebruik maakten van één van de putten in de stad. De gerechtigden hadden het recht om water uit "hun" put te halen. Hier tegenover stond de plicht om mee te betalen aan de kosten van het onderhoud van deze put. Twee putmeesters, die benoemd werden door het Lochemse stadsbestuur, waren verantwoordelijk voor het beheer. Zij zorgden ervoor dat noodzakelijke reparaties aan de put werden uitgevoerd. De kosten voor het onderhoud verhaalden zij op de gerechtigden. Met het putregister konden ze nagaan welke omwonenden moesten meebetalen aan het onderhoud.



counter free