RUURLO



                         Nieuwe additionele bordjes bij kom borden Ruurlo | Achterhoek ...

Ruurlo:

Omdat de familie Löesink waarschijnlijk afkomstig is van Ruurlo en/of wijde omgeving heb ik hier een beknopte geschiedenis van Ruurlo staan.

Vroegste sporen van mensen  Ruurlo vanaf -8000
Aan de Elzeboomweg (bij de Haarweg) zijn vuurstenen werktuigen gevonden die een ruime periode bestrijken van maar liefst 8.000 v.Chr. (de Federmesser-cultuur) tot 2.300 v. Chr. Blijkbaar is het betreffende terrein, door een professionele archeoloog aangeduid als een lichte verhoging in het stroomgebied van de oer-IJssel, in die tijd regelmatig bezocht door groepen jagers/vissers/verzamelaars. Het vuursteen is afkomstig uit verschillende gebieden, tot in Midden-Frankrijk aan toe.

Vroegste bewoning Ruurlo Late Ijzertijd: -250 tot -50
In de prehistorie was Ruurlo een nat en drassig gebied. Tussen het jaar nul en het jaar 1000 zullen er weinig mensen voor langere tijd hebben gewoond. Rond het jaar 1000 was de grondwaterstand lager, zodat het gebied minder drassig was en op de zandgrond kon je met plaggen en mest ervoor zorgen dat er iets beter gewassen konden worden verbouwd. In 2004 ontdekten onderzoekers dat op het veldje achter het verzorgingshuis De Bundeling, tegenover de sportvelden, al 300 jaar voor Christus mensen tijdelijk moeten hebben gewoond. Er werden wat sporen gevonden uit de Late IJzertijd: een paar aardewerkscherven en twee houtskoolmeilers. Dat zijn cirkels die erop wijzen dat hier ijzer werd gemaakt uit oer en houtskool. Die oer is in onze streek voorhanden.

Urnen op de kattenbelt 100 na Chr.
De Kattenbelt of Kattenbarg is de oude veldnaam voor een stuk land aan de weg van Ruurlo naar Vorden. Niemand minder dan dichter A.C.W. Staring (1767-1840) schrijft in 1822 over 'aschkruiken voor ettelijke jaren opgedolven' op de Kattenbelt.
Hij beschrijft de urnen gedetailleerd. Het waren kleine komvormige potjes, waarvan sommige geribbeld, andere glad, en sommige met een dekseltje. Ze werden her en der verspreid, niet al te diep onder de oppervlakte, gevonden. In de urnen werden as en soms wat beenderen aangetroffen. Staring vertelt dat de urnen bij het uitgraven vaak al uiteen vielen, met name de dekseltjes. Een gave urn, zonder deksel, werd destijds bewaard op Kasteel Ruurlo, maar hij is verdwenen.
De Kattenbelt is vermoedelijk een oude grafheuvel. Tegenwoordig is zelfs een glooiing in het landschap niet meer waarneembaar. De naam zou afstammen van het woord 'Chatten'. De Chatten waren een Germaans volk dat in de eerste eeuw van onze jaartelling nabij de Limes woonde, de grens van het Romeinse Rijk. De Liemers (vanaf Duiven en Zevenaar richting westen) vormt de meest concrete grenslijn, al kan dat afhankelijk van de periode wel wat gevarieerd hebben. Recentelijk zijn in Doetinchem tot tweemaal toe sporen van Romeins aardewerk gevonden, zodat er op zijn minst handelscontacten geweest moeten zijn.
De Germaanse volken, maar met name het Chattenvolk, waren om hun strijdbaarheid en moed berucht bij de Romeinen. De Romeinen hebben uiteindelijk het idee dan ook laten varen om zich voor vast ten noorden van de Rijn te vestigen. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt de Chatten al in zijn Annalen en zijn 'De origine et situ Germanorum'. Volgens hem, maar ook volgens de huidige kennis, zouden deze Chatten echter meer oostelijk, in Duitsland hebben geleefd. Tijdens de Volksverhuizing zijn veel Germaanse volken nogal eens van locatie veranderd, dat zou ook met de Chatten gebeurd kunnen zijn.
Werenfried en Liudger
De Betuwe lag vanaf halverwege 7e eeuw binnen de invloed van de tot het christendom bekeerde Franken. In 726 schonk Karel Martel zijn landgoederen rond Elst aan bisschop Willibrord. Mogelijk vindt daar de eerste kerkstichting door Werenfried van Elst in Gelderland plaats. Met behulp van monniken stichtte hij een kloostergemeenschap om daar de heidense volken te kerstenen. Liudger, ook "Lüdger" (Zuilen bij Utrecht, 742 – bij Billerbeck, 26 maart 809) was een Friese missionaris en rooms-katholieke bisschop. Hij was de broer van Hildegrim van Châlons. Hoewel later aangeduid als de 'apostel der Groningers', was hij een 8e-eeuwse missionaris in het gebied der Friezen. In 777 begon Liudger zijn apostelwerk in Deventer. Begin jaren 90 van de 8e eeuw kreeg Liudger op instigatie van koning Karel de Grote een nieuwe missietaak; de kerstening van het toen net gepacificeerde Saksenland. Liudger kreeg opdracht van Karel de Grote de kerstening in het westelijk deel van het Saksisch gebied (de huidige Achterhoek). Hij stichtte kerken in Wichmond en Zelhem. Nadat het Saksisch gebied definitief was onderworpen, werd Liudger in 805 tot bisschop van Münster gewijd. Een groot deel van de Achterhoek maakte in de  middeleeuwen deel uit van dit bisdom.

Karels strijd tegen Widukind  800
Karel de Grote is de grote Frankische vorst die in het jaar 800 door de paus tot keizer werd gekroond. Hij had zijn hoofdzetel in Aken (net over de grens bij Limburg) en had een belangrijk huis in Nijmegen. Hij ging hardhandig te werk met het brengen van het christendom. Je werd christen, of je werd gedood.
In onze regio woonden de Chamaven en Saksen. Zij lieten zich niet zomaar onderwerpen door Karel. De Saksen hadden een krachtig leider: Wittekind of Widukind. Hij had zijn centrale blokhut staan in Vreden aan de Berkel, maar zo'n 30 km van Ruurlo vandaan, vlak over de grens bij Eibergen. De Saksen hadden hun eigen geloof en hun eigen gebruiken. Wodan was hun god, bomen waren heilig, mensen werden gecremeerd en hun urnen begraven. Het lukte Karel om Widukind op de knieën te krijgen. Daarna begon de kerstening van onze streek.
In Ruurlo aan de Barchemseweg ligt een eikenbosje, dat "Den Olden Gott"wordt genoemd. H.W. Heuvel noemt het in zijn boek "Geschiedenis van het Land van Berkel en Schipbeek", als een heilige plaats. Of dit zo is, valt natuurlijk te betwijfelen. Toch kun je je voorstellen dat de Saksen, als Wodan en Donar langs de hemel raasden, weer hun toevlucht zochten bij hun oude goden en heilige eiken, ondanks het verbod van Karel de Grote.
Ruurlo wordt in letterlijke zin een grensplaats na de verdeling van het Frankische Rijk door de kleinzonen van Karel de Grote. Het onbegaanbare Ruurlose Broek vormde een natuurlijke grens tussen Lotharingen en het Duitse Rijk. Dat blijft zo tot in de dertiende eeuw, wanneer het oostelijke deel van de Achterhoek, het gebied van de Heerlijkheid Borculo, door de hertog van Gelre wordt overgenomen.

Kerspel Roderlo en Dorpskerk ca. 1280
Roderlo was al heel vroeg een kerspel. Een kerspel is een kerkelijk gebied van een parochie, een katholieke gemeente. De vroegste vermelding van een parochie in Ruurlo is in 1326. In een rechtzaak wordt geruzied over wie het voor het zeggen heeft in Roderlo als het om de benoeming van een pastoor gaat. De kerk van Lochem betwist de zeggenschap van Zutphen over de benoeming. Er wordt dan opgemerkt dat Roderlo al veertig jaar een parochie is. Of er rond 1280 al een kerk in Ruurlo stond, is niet zeker, maar dus wel waarschijnlijk. Vermoedelijk was het niet meer dan een eenvoudig houten gebouwtje. Van een stenen gebouw met flinke toren is pas midden 15e eeuw sprake. Die kerk heet dan de Willibrorduskerk, naar bisschop Willibrord (658-739) die volgens Kerst Zwart (in Graafschapsche Geschiedenissen) ook door deze streek is getrokken.

Steven van Roderlo en kasteel Ruurlo 1326 - 1500
In het leenregister van de hertog van Gelre komt in 1326 een vermelding van de 'hoff te Roderlo' voor. Steven van Roderlo wordt dan genoemd als leenman. Het stelsel van leenmannen die hun grond 'leenden' van hun graaf, voert terug tot het gouwenstelsel uit de tijd van Karel de Grote. Het geslacht Roderlo lijkt de eerste bewoner van het kasteel. Sinds 1420 is het kasteel, uitgezonderd een kleine onderbreking, in handen geweest van het geslacht Van Heeckeren.De fundamenten zijn middeleeuws. Het huidige kasteel toont een mengeling van bouwstijlen uit latere perioden, van de 16e eeuw (rechter toren), 17e eeuw (kleine linkertoren) tot en met 18e eeuw (huidige voorgevel).

Zwarte dood in Roderlo  ca. 1350:
Ruurlo is net als andere plaatsen in Nederland in verschillende perioden geteisterd door de zwarte dood: de pest. In 1348 sloeg de pest in heel Europa heel vernietigend toe. Miljoenen mensen stierven. Uit deze tijd stamt een Ruurlose legende: de Jonker en het Jodenmeisje. Zoals bij iedere legende komt het verhaal in verschillende versies voor, waaronder die van Hendrik Odink en Kerst Zwart.
Het joodse meisje Mirjam is met haar vader Abraham neergestreken in Ruurlo. Als het water in Ruurlo besmet raakt, worden zij verdacht. Jonker Deric van Roderlo is ondertussen verliefd geraakt op Mirjam. De moeder van de ridder dwingt haar zoon echter te trouwen met Agnes Cloeck. Deric laat Mirjam in de steek en laat haar vader vermoorden. Op de dag van de bruiloft van ridder Deric met Agnes komt Mirjam, die zelf al is aangetast door de pest, verkleed als waarzegster, de ridder en zijn bruid de toekomst voorspellen. Ze neemt een hand van de bruid en zegt: "op één dag maagd, vrouwe en weduwe". Dan kust ze de ridder met een "gloeiende" kus en laat zien wie ze is. Iedereen vlucht het kasteel uit. De volgende morgen vindt men Deric.

Monsterrol: Ruiters en knechten in 1401.
In het Gelders Archief bevindt zich een zgn. monsterrol uit het jaar 1401, over het kerspel Ruurlo. Het is een lijst van ruiters en knechten in het Landdrostambt en Scholtambt van Zutphen. Achter de namen van de personen of erven staat de naam van de leenheer, meestal een graaf, onder wie het erf als erfgoed viel. Bij de meesten staat de graaf van Gelre. De andere leenheren zijn die van Voorst, Borculo, Ruurlo en Wisch. Voor het gebruik van de grond moesten de gebruikers belasting betalen, de zgn. thijns. Dit gebeurde ook wel in natura in de vorm van graan, vee, gevogelte en bijenwas. Daarnaast moesten ze ook diensten verrichten, waaronder de krijgsdienst, hetgeen uit deze lijst blijkt. Of ze hun lans (piecke) en borstwering van hun heer kregen of zelf moesten (laten) maken is niet bekend, maar waarschijnlijk het laatste.

Inden kerspel van Roderloe: piecke ende borste die Worme   Gelren
Johan ten Elsschaete  Vorst
Godekamp   Gelren
Johan ten Rykenberghe Gelren
Lindenschaete   Gelren
Langen   Gelren
Lutteken Brincke  Gelren
Gerbeldinck   Gelren
Grote Luesinck  Gelren
Lutteken Luesinck  Gelren
Nyenhuys   Gelren
Henric tho Palhaer  Gelren
Fente?    Gelren
Hagenbeke   Gelren
Gert ten Knuve  Gelren
Zellen Boef?   Borclo
Kerffich die Bouman  Gelren
Bernt ter Haer   Gelren
Gert ter Haer   Gelren
Liefert Ffikinck  Roderloe
Gosen ten Brincke  Gelren
Luesinck Kinder      Wissche

Uit: in Onder d'n Kroezeboom nr. 23-1 (2007).

Hanze en Hessenwegen 1400-1500
Vaak wordt aangegeven dat Ruurlo op een strategische plek ligt, op een knooppunt van wegen. Tegenwoordig is dat juist: Ruurlo is goed bereikbaar en centraal gelegen in de Achterhoek. Maar lange tijd was Ruurlo niet meer dan een verzameling eenmansessen, dat wil zeggen verhogingen die door een enkele boer werden ontgonnen en bebouwd, in een uitgestrekt woud- en zompenlandschap tussen Zutphen en Lichtenvoorde. In dit verder onbewoonde gebied stonden verspreid maar enkele tientallen huizen. Het was een gehucht, wisselend aangeduid als Roderlo, Ruyrlo, Ruerlo, Ruirloe, Roerloe of Hekeren. De natuur heerste en men was op zichzelf aangewezen. Kerst Zwart, de Ruurlose dorpsonderwijzer, meldt dat er in 1125 nog beren werden bevochten. De grond was arm, de opbrengst van het land karig. Handel vond plaats in de Hanzestad Zutphen. Zutphen kreeg zijn handelswaar uit het achterland over de Berkel aangevoerd, hoofdzakelijk hout en turf. Ook Ruurlo leverde turf. De hoofdroute van het achterland naar de Hanze liep over Borculo en Lochem naar Zutphen, langs en over de Berkel. Vermoedelijk liepen enkele vertakkingen van deze wegen naar Ruurlo. De Lebbenbrugge is een oude herberg/tolplaats langs zo'n hessenweg. De naam hessenweg komt vermoedelijk van de Hessen, een Duits volk dat zich specialiseerde in de handel en met grote brede karren met paarden over speciale "brede wegen" trok. De naam zou ook afgeleid kunnen zijn van het woord "hes', dat paard betekent. Ruurlo heeft zoals wel meer plaatsen in Oost-Nederland tegenwoordig nog een Hessenweg, die misschien een aftakking is geweest van de hessenweg langs De Lebbenbrugge.

De Marke is de vroegste vorm van gemeentebestuur en was de vergadering van de heer en de boeren met stemrecht in het beheer over gemeenschappelijke gronden binnen het gebied. De Marke van Ruurlo had naast grond ook enig gemeenschappelijk bezit, zoals de toren van de Dorpskerk. Wanneer de Marke in Ruurlo is ontstaan, is niet precies bekend.

Marke van Ruurlo en Ruurlose Broek ca. 1480:
De markeboeken, een verzameling van besluiten en brieven, starten begin zestiende eeuw. De verzameling bevat nog enkele oudere fragmenten, waarvan de oudste uit 1480. Het gaat over een geschil tussen Ruurlo en Harreveld over het gebruik van het Ruurlose Broek. Het Ruurlose Broek was een aparte Marke en persoonlijk eigendom van de landsheer. Dat varieerde van de hertogen van Gelre tot uiteindelijk het Oranjehuis. De heer van Ruurlo vormde zijn plaatselijke vertegenwoordiger. De boeren van Ruurlo hadden er wel bepaalde rechten maar geen stemrecht.

Het stemrecht of de "waard" in de Marke was in handen van de zogenoemde "gewaarde erven". Dat waren de erven die bij het ontstaan van de Marke bestonden, dus de oudste erven in Ruurlo. Families als Lievestro, Berenschot, Elschot, Ter Haar, De Vente, Rijkenbarg, Te Winkel, Ribberts en Langenberg waren stemgerechtigde erven in de Marke van Ruurlo. In totaal ging het om 47 gewaarde erven, blijkt uit latere stukken. Het lijkt erop dat zo ongeveer alle boerderijen in Ruurlo van oorsprong horig waren aan de graven/hertogen van Gelre. In de loop van de vijftiende eeuw worden de meeste uit de horigheid ontslagen en worden de horige verplichtingen vervangen door een soort erfthyns.

Roderlo verlaten in tachtigjarige oorlog ca. 1590:
Het is de winter van 1590, middenin de Tachtigjarige Oorlog. In een brief vraagt Joost van Heeckeren, heer van Kasteel Ruurlo, aan de Landdrost om vrijstelling van belasting voor de zes of zeven overgebleven inwoners van Ruurlo. Ze zijn uitgemergeld en aan de bedelstaf geraakt. Tot overmaat van ramp hebben onweer en hagel hun oogst bedorven, terwijl er door gebrek aan paarden al zo weinig land in gebruik is. Ook de appel- en eikenbomen hebben geen vrucht gegeven. De Ruurloërs moeten de paarden onder Lochem onderhouden, maar ook daarvoor  vraagt Joost ontheffing. De Graafschap werd in de Tachtigjarige Oorlog wel de allerellendigste provincie van Nederland genoemd. Door de oorlog werd bijna alles vernield.
Veel mensen sloegen op de vlucht naar de stad. Lochemers gaven de vluchtelingen asiel in hun huizen. De Spanjaarden hadden veel boerderijen in brand gestoken. Zodra het rustiger werd in de oorlog (rond 1604), werd gewerkt aan het herstel van het dorp. De streek moest letterlijk worden bevochten op de wolven en verwilderde honden, die bezit hadden genomen van het bos! De familie van Joost van Heeckeren heeft zelf gevochten tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog. Van zijn acht zonen zijn er vijf gesneuveld op het slagveld.  Als luitenant of vaandrig stierven ze in Zeeland (Sluis, Damme, Oostende).

De beeldenstorm in Rodero, 1603:
In 1566, twee jaar voor de Tachtigjarige Oorlog, was er een beeldenstorm in verscheidene plaatsen in Nederland. Kerken werden door protestanten stormenderwijs vernield. Dit werd de aanleiding voor de Tachtigjarige Oorlog. Vele katholieke beelden en complete altaren werden verwoest, maar niet in Ruurlo. Hier ging het er rustiger aan toe, zoals dat bij de Achterhoekse volksaard past. Door de Tachtigjarige Oorlog ging de Dorpskerk ook pas later over van katholiek naar protestants. De classis, de hoge vergadering van predikanten uit de streek, publiceerde  in 1603 (dus veertig jaar na de beeldenstorm in de rest van Nederland, en zo'n vijf jaar na de reformatie in Ruurlo), de strenge oproep: "dat die beelden, altaren tot Ruyrlo in 't geheel henwechgenomen werden".

Watermolen van Ruurlo ca. 1600
De huidige watermolen-gebouwen bij het kasteel dateren uit 1783. Tot ongeveer 1830 was de dubbele watermolen in gebruik. Aan de ene kant een oliepersmolen, aan de andere kant een graanmolen. Ze liggen nu een beetje verstopt in het bos, aan de rechterkant van het kasteel, aan de oude Ruurlose Beek, een aftakking van de Baakse Beek Vermoedelijk was er al een watermolen op deze plek bij Kasteel Ruurlo in het midden van de zestiende eeuw. Dit is bekend uit gedocumenteerde geschillen over de waterhuishouding in het Ruurlose Broek. Er zijn twee verhalen over bekend.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was de koning van Spanje, Philips II de machtigste man van het westelijk halfrond. Hij had in Nederland hertog Alva aangesteld. Alva had een kapper, een 'barbier'. Die heette Lambert Noey. Lambert wilde in 1572 het Ruurlose Broek voor veertig jaar huren, want hij had een wild plan. Hij wilde een kanaal graven naar de Berkel, zodat het water van het Broek altijd direct weg kon. Als het Broek dan het hele jaar droog stond, kon hij mooi gewassen op het droge land verbouwen en daarmee flink geld verdienen! Joost en Jacob van Heeckeren hebben daar een stokje voor gestoken, omdat er anders niet meer genoeg water was om de watermolen bij het kasteel te laten draaien.
In 1601 was het Groenlo dat een eigen kanaal wilde graven direct naar de Berkel. Dan konden ze met bootjes hun handel vervoeren via de IJssel en zo de zee op. Joost van Heeckeren verzette zich er samen met zijn medemolenbezitters van de Wiersse, Hackfort en Vorden tegen. Als het kanaal er was gekomen, waren deze molens droog komen te staan. Door de Tachtigjarige Oorlog is het gelukkig ook nooit wat geworden met het wilde Groenlose plan!

Ernst Casimir en de Bedelaarsdijk 1627
Bij het beleg van Groenlo in 1627 trekken soldaten van graaf Ernst Casimir (stadhouder van Friesland en neef van Frederik Hendrik) dwars door het Ruurlose Broek. Ze leggen samen met bedelaars, die in het kielzog van het leger meetrekken, speciaal een dijk aan, de huidige Bedelaarsdijk, om zich een weg door het moeras te verschaffen. Zo wil althans de overlevering. Bij hun opmars richting Groenlo worden de kanonnen nog gericht op het katholieke schuilkerkje bij boerderij de Katershorst, dat in de verte zichtbaar is. Bedenk dat zo'n troepenmacht als een sprinkhanenplaag door het land trok. Er moest gegeten en gedronken worden! Er wordt in 1628 nog een stuk land (de Sickelaarskamp) voor ruim zeshonderd gulden geveild "tot reparatie der schaden, so dat kerspel Ruerlo by die belegeringe van Gronlho geleden heefft".

Roderlo op landkaarten / Van Geelkercken 1641:
De zeventiende eeuw is voor Nederland de Gouden Eeuw, maar door de Tachtigjarige Oorlog, die in Gelderland lang en hevig aanhield, was Ruurlo sterk verarmd. Pas aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog (1648) kwam het normale leven weer een beetje op gang. Bij normaal leven hoort ook het betalen van belasting. Uit deze tijd stamt het Verpondingscohier. De verponding was elders al langer bekend. Omdat Gelderland zo zwaar getroffen was door het oorlogsgeweld werden de Geldersen lange tijd vrijgesteld van deze belasting, maar toen de rust terugkeerde deed rond 1645 ook hier de verponding zijn intrede. Het is een gedetailleerde opgave van bezittingen in die tijd, om de hoogte van de zaakbelasting te bepalen. Het biedt zo een schat aan gegevens over de erven, bewoners en wijken (rotten) van het Ruurlo uit die tijd. Er werden van overheidswege ook weer landmeters op pad gestuurd. Zo werd Nicolaas van Geelkercken gevraagd metingen te verrichten in het Ruurlose Broek, omdat er hier onenigheid bestond over de juiste grens tussen de omliggende marken. Zijn landkaarten behoren tot de allereerste kaarten van Ruurlo  en dan met name van  het Ruurlose Broek. Het dorp staat er in de rechterbovenhoek in grof detail op.Van Geelkercken merkte al gauw op dat de grenzen in het gebied niet heel erg duidelijk waren. Verschillende dorpen maakten aanspraak op het Ruurlose Broek. Het mocht dan wel een moeilijk toegankelijk en moerassig gebied zijn, als bron van hout, turf, wild en gevogelte en eikels voor de varkens was het van onschatbare waarde. Toen Maarten van Rossum, de veldheer van hertog Karel van Gelre, in het begin van de zestiende eeuw de bomen in het Ruurlose Broek grotendeels kapte voor de versterking van zijn huis in Bredevoort, zal dat ongetwijfeld een ramp zijn geweest voor de Ruurlose boeren.

Het Ruurlose Broek stond in de natte maanden, dus in de herfst en winter, bijna helemaal onder water. Dat kwam omdat het gebied in een soort kom ligt. Er ligt ook oer in de grond, zodat het water er niet makkelijk weg kan. De meeste boerderijen die nu zuidelijk van Ruurlo liggen, bestaan nog maar zo'n 90 jaar. In de zomermaanden werd er in het Broek hout gekapt, geweid (varkens) en gejaagd.
Om de afwatering te verbeteren gingen de bewoners "dijken"aanleggen.(Scheiddijk 1830, de Klinke), de Slinge werd verlegd, de Meibeek en de Grevengracht (1865) werden gegraven. Tegelijk met de verdeling van de broekgronden, werd de zgn. Ruurlose Broekcommissie ingesteld(de voorloper van het latere Waterschap). Al met al een eerste ruilverkaveling.

Een bijzonder burger van Ruurlo was 'vadertje' Wildrik (1754-1831), die leefde in de tijd dat in Frankrijk Napoleon heerste en wij bij Frankrijk ingelijfd werden. In die revolutionaire tijd eind 18e eeuw (Bataafsche Republiek 1795-1806) zat hij in het landsbestuur, nadat stadhouder Willem V het hazepad naar Engeland had gekozen. In de Franse tijd raakten ook in Ruurlo de gemoederen tussen oranjegezinden en patriotten (republikeinen) verhit. Patriotten protesteerden in heel Nederland tegen de vriendjespolitiek onder de regenten in navolging  van Frankrijk waar het volk om "vrijheid, gelijkheid en broederschap"riep. In 1795 werd een vrijheidsboom van de patriotten omver getrokken en de toenmalige dominee Viëtor kreeg thuis zelfs met een schietincident te maken. Of hij nou zo'n overtuigd patriot was, weten we niet precies. Ook hijzelf had te lijden onder de Franse overheersing. Hij declareerde achteraf een "koebeest" ter waarde van elf gulden, dat hem was ontvreemd. Het was in die tijd vrij normaal dat bijna iedereen eigen vee had. Eind 1796 overleed hij.
In 1811 werden alle twintigjarige Ruurlose mannen opgeroepen voor dienstplicht in het leger van Napoleon. Door loting werd bepaald wie van de destijds 24 jongens moest gaan. In 1812 en 1813 volgden nieuwe oproepen. Het Franse leger streed in die tijd onder andere in Rusland. Deze veldtocht mislukte jammerlijk. Nederland kreeg in 1815 een koning, Willem I.

Het dorp had rond 1850 circa 420 bewoners. De familie Van Heeckeren was eigenaar van de heerlijkheid en het kasteel Ruurlo van circa 1420 tot 1978. In 1869 bouwde Pierre Cuypers de nieuwe katholieke St. Willibrorduskerk.                                                                                                                                                                                                                                               In 1878 kwam de eerste spoorlijn in Ruurlo (Zutphen- Winterswijk) gereed, waarbij Ruurlo een station kreeg. In 1884/1885 werd een lokaalspoorlijn Doetinchem, Zelhem, Ruurlo, Borculo, Neede aangelegd. De spoorwegmaatschappij heette GOLS: Geldersch-Overijsselsche Lokaal-Spoorweg Maatschappij.

Enkele bewoners van Ruurlo uit onze stamboom:
-Peter Leussink (1646-1709) x Willemken Gotinks (1650- ? )Jodenhuis of an den Karsenbarg ookwel Peter Leusinkshuis genoemd tegenwoordig Dorpsstraat 12;
-Evert Lusinck (1685-1773) x Everdina Peters te Forme (1685-1776) Kleine Forme tegenwoordig Vordenseweg 6;
-Peter Leusink (1716-1793) x Everdina Rommelers (1714-1774) Klein Rommelder tegenwoordig Wiersseweg 47;                                                                                                          -Jan Leusink (1758-1805) x Everdina Stokkink (1758-1824) Nieuwen Visch (Dykshuis)
tegenwoordig Wiersseweg 53.
                                                                                                         



counter free