LEUKE WEETJES



Op deze pagina een aantal leuke weetjes en een paar zaken die voor ons vanzelfsprekend zijn, maar vroeger een hele verandering veroorzaakten.

AOW:                                                                                                                                            De Noodwet Ouderdomsvoorziening zorgde in Nederland van 1947 tot 1957 voor de verstrekking van een uitkering aan mannen en alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder zonder voldoende eigen inkomsten. Omdat zij door Willem Drees als minister van Sociale Zaken werd ingediend werd zij ook wel noodwet-Drees genoemd. Zij was uitdrukkelijk bedoeld als een noodoplossing zolang de definitieve regeling nog niet tot stand gekomen was. In 1957 werd zij vervangen door de AOW. De AOW is in 1956 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Ko Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was.

                                                                                             1956 Bejaarden vieren de invoering van de AOW. Applaus voor minister Drees.

Soldij matrozen en soldaten:                                                                                                        Onderaan de salarisladder stonden matrozen en soldaten met een soldij van zo’n 10 gulden per maand. Ondanks dat hierbij eten en onderdak waren inbegrepen, was het een karig loontje. Een Amsterdamse dagloner verdiende in 1650 bijvoorbeeld zo’n twintig stuivers per dag, terwijl een zeeman er slechts zes ontving. Voor dat bedrag kon hij net een roggebrood en een kan bier kopen. Het onderhouden van een gezin van vijf personen in Amsterdam kostte ongeveer 300 gulden per jaar, terwijl een matroos nauwelijks de helft daarvan verdiende.   https://isgeschiedenis.nl/nieuws/een-fortuin-vergaren-bij-de-voc

Staatse Leger en soldij:                                                                                                                  In de 18e eeuw had Nederland een Staatse leger. Het Staatse leger was de benaming voor het leger ten tijde van de Republiek der verenigde Nederlanden (1568-1795). Nederland had in deze periode 1713 tot en met 1795 veel belangrijke internationale betrekkingen. Dit had voor een groot deel te maken met de vele koloniën waarover Nederland beschikte. Nederland had daardoor veel opbrengsten en hoefde eigenlijk geen expansie meer na te streven. Het Staatse leger van Nederland was daarmee een defensief leger dat moest voorkomen dat Nederland kon worden bezet door een buitenlandse macht. Helaas kon Nederland in de 18de eeuw niet geheel neutraal blijven en was het Staatse leger een aantal keren genoodzaakt om uit te rukken en het Nederlandse grondgebied te verdedigen.                                                                                    Een gewone fuselier ontvangt per dag vijf stuivers soldij, dus 91 1/2 gulden per jaar. Een sergeant krijgt per dag acht stuivers meer. Een tweede luitenant verdient ongeveer twee keer zoveel als een sergeant. Een kapitein, commandant van een compagnie, ontvangt bijna zeven keer zoveel. Iedere militair moet van zijn inkomen nog wel de kosten van zijn voeding, onderdak en geneeskundige verzorging betalen (Schulten: 24-27).    https://www.krijgsmacht.nl/     

                                             1939 De soldij is een voorname zaak

Benamingen:                                                                                                                                   Hieronder de benamingen van voorouders zoals ze door genealogen worden aangeduid.
De nummers volgen de graden van verwantschap te beginnen bij onszelf; de probant.
1.  ouders
2.  grootouders
3.  overgrootouders
4.  betovergrootouders
5.  oudouders
6.  oudgrootouders
7.  oudovergrootouders
8.  oudbetovergrootouders
9.  stamouders
10. stamgrootouders
11. stamovergrootouders
12. stambetovergrootouders
13. stamoudouders
14. stamoudgrootouders
15. stamoudovergrootouders
16. stamoudbetovergrootouders  
 17. edelouders
18. edelgrootouders
19. edelovergrootouders
20. edelbetovergrootouders
21. edeloudouders
22. edeloudgrootouders
23. edeloudovergrootouders
24. edeloudbetovergrootouders
25. edelstamouders
26. edelstamgrootouders
27. edelstamovergrootouders
28. edelstambetovergrootouders
29. edelstamoudouders
30. edelstamoudgrootouders
31. edelstamoudovergrootouders
32. edelstamoudbetovergrootouders

Geldstelsel 17e eeuw:                                                                                                                  Het geldstelsel uit de 17e en 18e eeuw leek sterk op het stelsel dat tot voor kort in Engeland in gebruik was. Men rekende in guldens, stuivers en penningen.
Een stuiver had de waarde van 16 penningen en de gulden was 20 stuivers waard. De gulden was genoemd naar Karel V (1500 – 1558) ? carolusgulden (symbool: £ ). In de 18e eeuw gebruikte men bijna uitsluitend nog deze carolusgulden. De goudgulden of florijn (= 28 stuivers) en de philipsgulden (= 25 stuivers) waren in onbruik geraakt. De daalder (= 30 stuivers) werd nog wel als rekeneenheid gehanteerd. Bekende veelvouden van de stuiver waren het dubbeltje (= twee stuivers) en de schelling (= zes stuivers).Het noteren van geldbedragen ging in drie groepen van cijfers, gescheiden door streepjes. In plaats van de nul werd ook vaak de dubbele punt (? : ) gebruikt. Zo betekent ? £ 34 – 16 – 12 dan ook 34 carolusguldens, 16 stuivers en 12 penningen. ? £ 62 –  : –  5 betekent 62 carolusguldens, nul stuivers en 5 penningen.

                             Een carolusgulden of karolusgulden is een oude munt die ten tijde van keizer Karel V werd geslagen en naar hem is genoemd.

Daglonershuisje:
Nederland was in de 19e eeuw voornamelijk agrarisch, maar lang niet iedereen bezat een mooie boerderij. Veel dagloners verhuurden zich als seizoensarbeiders die weinig verdienden. Zij hadden geen eigen huis en grond en waren min of meer gedwongen om zich buiten het dorp te vestigen. Daar leefden ze in eigen bouwsels,vaak meer een hut dan een huisje. Sommige werden in de loop der tijd verbeterd tot eenkamerhuisjes met een wat langere levensduur.

Putregisters,                                                                                                                               1761 Bron: Belastingregister Soort registratie: Belastingregister inschrijving
(Akte)datum: 08-03-1756 Belastingregister bewoner Peter Luesink.                                          Het putregister is een belangrijke bron voor voorouderonderzoek in Lochem in de 18e eeuw. Het bevat de namen van de 185 gebruikers van de putten in de stad. Deze bron kunt u gebruiken om de verblijfplaats te lokaliseren van voorouders die in de stad Lochem woonden. Het register vertelt in de buurt van welke waterput uw voorouder woonde. De inwoners van Lochem waren voor hun watergebruik afhankelijk van waterputten. Medio 18e eeuw telde Lochem er zeker vijf. Deze putten stonden op centrale plaatsen en aan de doorgaande wegen in de stad. Er stond een put op de Markt, maar ook in de Bierstraat, de Molenstraat, de Blauwe Torenstraat en de Smeestraat was een put te vinden. Deze putten zijn herkenbaar op het minuutplan van de stad Lochem (sectie F) uit 1832. Maar in de 18e eeuw moet Lochem meer putten hebben gekend, want het putregister noemt de namen van nog drie andere: de put "voor Nijmans huys", "voor het Veldhoen staende" en "voor Loonemans huijs". Gezien het aantal putten in de stad moet de (drink-)watervoorziening in Lochem goed zijn geweest. Een waterput was voor de Lochemmer nooit ver weg. De waterputten waren voor gemeenschappelijk gebruik, maar iemand kon niet zomaar uit elke put water halen. Het gebruik van een put was gekoppeld aan een aantal nabijgelegen huizen. De bewoners van deze huizen waren de rechtmatige gebruikers van de put, de zogenaamde gerechtigden. In het Lochems putregister staan de namen opgesomd van de 185 burgers die gebruik maakten van één van de putten in de stad. De gerechtigden hadden het recht om water uit "hun" put te halen. Hier tegenover stond de plicht om mee te betalen aan de kosten van het onderhoud van deze put. Twee putmeesters, die benoemd werden door het Lochemse stadsbestuur, waren verantwoordelijk voor het beheer. Zij zorgden ervoor dat noodzakelijke reparaties aan de put werden uitgevoerd. De kosten voor het onderhoud verhaalden zij op de gerechtigden. Met het putregister konden ze nagaan welke omwonenden moesten meebetalen aan het onderhoud.

                                De pomp aan de Smeestraat in Lochem ten tijde van de mobilisatie in 1915.


counter free