DTB BOEKEN



DTB-BOEKEN; Wat zijn doop-, trouw-, en begraafregisters?

Voor het maken van de stamboom maken we gebruik van de zogenaamde dtb-boeken. Doop-, trouw-, en begraafregisters zijn boeken waarin kerken gegevens over hun leden bijhielden. In de boeken vermeldden predikant, pastoor of koster chronologisch wie er in de kerk werden gedoopt, wie er trouwden en werden begraven. Elke kerk had een eigen manier om de kerkboeken bij te houden. Daarom verschilt de informatie per plaats en per kerkgenootschap.

Het begin van de dtb-registers
De rooms-katholieke kerk besloot tijdens het concilie van Trente (1545-1563) dat alle dopen, huwelijken en begrafenissen geregistreerd moesten worden. Kort daarna hielden ook de protestantse kerken dtb-registers bij. In 1563 werd in de katholieke kerk de registratie van dopen en trouwen verplicht gesteld. In dezelfde tijd (1574) werden ook de voorgangers van de Nederduits Gereformeerde kerk verplicht om registers bij te houden. De oudst bewaard gebleven boeken komen uit de tweede helft van de zestiende eeuw en van de meeste plaatsen beginnen ze in de loop van de zeventiende of achttiende eeuw.

De overgang naar de burgerlijke stand
Met de invoering van de burgerlijke stand in 1811 moesten kerken hun registers inleveren bij het plaatselijke gemeentehuis. De ambtenaar van de burgerlijke stand gebruikte de dtb-boeken voor informatie van voor 1811. Daarom worden dtb-boeken ook wel 'retroacta van de burgerlijke stand' genoemd.

Van boerderijnaam naar familienaam:
In 1811, toen Nederland een koninkrijk was onder de broer van de machtige keizer Napoleon Bonaparte "Lodewijk Napoleon", werd bij keizerlijk decreet van 18 augustus bepaald dat iedere inwoner van het Rijk verplicht was, wanneer er nog geen achternaam werd gevoerd, er één te kiezen en binnen het jaar te laten registreren in een register van naamsaanneming. In de Achterhoek betekende dit dat de mensen die toch al bekend stonden onder hun boerderijnaam deze naam veelal officieel gingen vastleggen. De gewoonte van naamsaanneming op basis van de boerderijnaam is echter nog steeds niet uitgestorven. Dit heeft als gevolg dat mensen in de Achterhoek in de volksmond veelal een andere achternaam hebben dan in praktijk.

Lezen in dtb-registers
Het lezen in dtb-boeken kan lastig zijn. Rooms-katholieke registers zijn bijvoorbeeld meestal in het Latijn geschreven, en ook het oud-Nederlands schrift kan problemen opleveren. Soms zijn letters anders geschreven dan we nu gewend zijn. Zo wordt de 'lange s' vaak gelezen als een 'f'. Je kunt het lezen van oude teksten oefenen met voorbeeldteksten of leren door een cursus paleografie (oud schrift) te volgen.

Het belang van dtb-registers voor stamboomonderzoek
Omdat bijna iedereen vroeger tot een kerkgenootschap hoorde, kun je het overgrote deel van de bevolking in de dtb-registers terugvinden. Daarmee zijn de boeken onmisbaar voor je stamboomonderzoek.

Hiaten in de diverse registers:
Bij het maken van de stamboom lopen we op een aantal punten vast. De dtb-boeken uit Ruurlo beginnen pas in 1670. Ook missen we hier van enkele jaren de gegevens in het doopboek van Ruurlo: -hihaat van 13.12.1673 tot 07.03.1675; -hihaat van 14.07.1681 tot 03.01.1684; -hihaat van 05.02.1688 tot 03.11.1689. In het trouwboek missen van de volgende jaren: -hihaat van 12.05.1672 tot 01.08.1674; -hihaat van 21.06.1685 tot 06.02.1687.
Door divers stadsbranden in Lochem missen we de gegevens uit diverse dtp-boeken. 

https://hetutrechtsarchief.nl/9-hulp-bij-onderzoek/88-doop-trouw-en-begraafboeken

Utrecht: doopboeken: In de doopboeken worden enkel de doopdata vermeld.
Het moment van geboorte wordt vaak niet genoemd.

Utrecht: wat is een trouwboek?
Een huwelijk in de provincie Utrecht was alleen rechtsgeldig als het gesloten was voor de gereformeerde kerk (hetzij Nederduits, hetzij Waals) of voor het plaatselijk gerecht van schout en schepenen. Voor gereformeerden volstond dus een huwelijk voor de eigen kerk, maar rooms- en oud-katholieken, joden en leden van de kleine protestantse kerken dienden voor het plaatselijk gerecht te trouwen om hun huwelijk rechtsgeldig te maken. Na 1795 moesten ook huwelijken tussen gereformeerden voor het gerecht worden aangetekend; in de stad Utrecht was dit al vanaf 1729 het geval. Het trouwen verliep als volgt. Op een bepaald tijdstip ging men in ondertrouw, waarna in drie achtereenvolgende weken het voorgenomen huwelijk publiekelijk werd afgekondigd. Dit gebeurde op zondag tijdens de dienst in de gereformeerde kerk of bij huwelijken van niet-gereformeerden op marktdagen bij het stad- of rechthuis. Iedereen kon dan bezwaar maken tegen het huwelijk. Een huwelijk werd afgekondigd in de woonplaats van beide
echtelieden, en soms in meerdere plaatsen als ze in de laatste maanden verhuisd waren. Waren er geen problemen, dan werd het huwelijk voltrokken, meestal op de dag van de derde afkondiging. Zeker in kleinere plaatsen werd vaak geen afzonderlijk trouwboek bijgehouden. De eerste datum die in een trouwboek is vermeld, is dan in zo'n geval vaak de ondertrouwdatum dus niet de huwelijksdatum. Het huwelijk werd doorgaans voltrokken in de woonplaats van de bruid. Niet-gereformeerden sloten dikwijls naast een gerechtelijk huwelijk ook een huwelijk voor de eigen kerk. In deze trouwboeken tekent men de ondertrouw vaak niet aan. In deze gevallen is het dus mogelijk hetzelfde huwelijk in zowel een kerkelijk als in een civiel register aan te treffen. Bij een gerechtelijk huwelijk werden echtparen ingeschreven die in de plaats van het gerecht zowel in ondertrouw gingen als trouwden. Daarnaast werden echtparen ingeschreven die elders wilden trouwen en daarvoor een attestatie / bewijs van het plaatselijk gerecht nodig hadden. Het kon ook zijn dat zij elders in ondertrouw waren gegaan, maar in de plaats van het gerecht wilden trouwen. Zij dienden dan voor het gerecht de attestatie van de plaats van ondertrouw te overleggen.

Utrecht: wat is een begraafboek?
Begraafboeken werden bijgehouden vanwege het vastleggen van bepaalde begraafrechten. Het kon gaan om inkomsten uit het verhuren van de lijklakens, de baar en het baarkleed en voor het zogenaamde overluiden van de klokken bij de begrafenis. Deze inkomsten werden opgetekend in registers van ontvangst van begraafrechten. U vindt de bedragen vaak rechts in de marge vermeld in guldens en stuivers. Ook zijn er begraafboeken waarin de eigenaren van graven werden vermeld. Het primaire doel van beide soort registers was niet om overledenen te registreren. Vóór 1811 konden overledenen alleen in of bij Nederduits-gereformeerde kerken worden begraven. Daarom staan in de gereformeerde begraafregisters ook andersdenkenden vermeld. Alleen Joden, Hernhutters en sommige oud-katholieken hadden hun eigen begraafplaatsen en hielden een eigen begraafadministratie bij. Voor de stad Utrecht is er nog een ander soort begraafboek beschikbaar waarin overlijdens zijn opgetekend. Dit zijn de registers van de Momboirkamer. De Momboirkamer of Weeskamer werd in 1623 door het stadsbestuur ingesteld en hield toezicht op een juist beheer van de nalatenschappen van minderjarige kinderen. Om die reden moesten kosters en doodgravers namen en adressen van overledenen en van hun nabestaanden aan de Momboirkamer doorgeven en daarbij opgeven of de overledene onmondige kinderen naliet.



counter free