GESCHIEDENIS FEITEN I.V.M. ONZE STAMBOOM



Zomaar een aantal weetjes en feiten in de loop van de tijd, vooral gericht op onze stamboom. Veel van deze gebeurtenissen hebben invloed gehad op onze stamboom.

16e Eeuw:

1503: De zomer van 1503 is zinderend heet en kurkdroog en daardoor een kwelling voor de inwoners van de Liemers en de Achterhoek. 

1565: Half december vriest de Oude IJssel dicht en op tweede kerstdag is ook de Rijn dichtgevroren. Het blijft vriezen tot in maart. 

1568: Begin van de  Tachtigjarige Oorlog. De strijd tussen Spaanse en Staatse troepen brengt de bevolking in de Liemers en ook Didam regelmatig tot wanhoop. De periode 1570 tot 1600 is in de Liemers en Achterhoek een uiterst onrustige tijd. De bevolking is wanhopig door rondtrekkende plunderende troepen; de ene keer Staatse en de andere keer Spaanse troepen en daar tussendoor rondtrekkende muitende bendes. Verwoeste huizen en kerken, onbebouwde akkers, plundering, doodslag, zware maandelijkse oorlogscontributies en roof van hele veestapels zijn aan de orde van de dag. De kerken van ondermeer  Didam, 's Heerenberg, Zeddam, Etten, Gendringen, Netterden, Elten, Oud-Zevenaar en Zevenaar worden in die periode geplunderd en zwaar beschadigd. In Hoog-Keppel en Drempt staat geen enkel huis meer overeind.

1580-1584: Willem van Oranje wilde de Achterhoek verwoesten.  In 1584 adviseerde Willem van Oranje om de Achterhoek te verwoesten en voor vijandelijke legers onbruikbaar te maken. Willem van Oranje begon de Tachtigjarige Oorlog tegen Filips de Tweede, die de koning van Spanje en de hertog van Gelre was. Het Hollandse leger wist onder leiding van Willem van Oranje de Spaanse legers te verjagen uit het westen van Nederland. Provincies als Gelderland en Brabant bleven decennialang in de frontlinie liggen en hadden vooral als taak om de Spanjaarden uit het vrije Holland en Zeeland te houden. Willem van Oranje gaf daarom op 20 juni 1584 opdracht om het graafschap Zutphen te verwoesten, vernielen en geheel te bederven. De Spanjaarden zouden dan geen eten meer vinden om hun legers te voeden en verder te trekken naar Leiden, Amsterdam en Delft.

1586 Van december 1586 tot september 1587 is er een ongekende koudegolf.  In het laatste kwart van de 16e eeuw is het in Europa kouder met winters met veel sneeuw en ijs en koele zomers met herfstachtig weer. Het lijkt wel een "kleine ijstijd" te zijn geweest. Onderzoek van het KNMI heeft inmiddels aangetoond dat het laatste kwart van de 16e eeuw waarschijnlijk de koudste is geweest van de afgelopen duizend jaar.

1590 Brieven van en aan het Kwartier van Zutphen. Missive van Joest van Heeckeren aan het Hof. Hij vraagt voor de weinige inwoners, die nog in Ruurlo zijn overgebleven, ontheffing van contributie, daar zij voor onweder en hagel hun oogst geheel hebben zien vernielen.

1595  De winter van 1595 is opnieuw extreem streng. Na de winter volgen overstromingen en dijkdoorbraken waardoor het ook voor de inwoners van Loerbeek, die ook al gebukt gaan onder het oorlogsgeweld van de Tachtigjarige Oorlog, een rampzalig jaar is.

1595 In 1595 ging nagenoeg de gehele gemeenschap van Ruurlo over naar het protestantisme op 4 families na (Donberg, Gotinck, Elschot en Sasse). De katholieken kerkten in het begin in andere plaatsen, maar toen hun aantal toenam ook in schuilkerken.

17e Eeuw

1608    Een ontstellend koude winter zorgt voor grote problemen. In januari en februari vriest het zo hard dat zelfs de oudste mensen zich niet kunnen herinneren dit ooit eerder te hebben meegemaakt.

1615 Stadsbrand Lochem. De stadsbrand van 1615 is de grootste stadsbrand die de Nederlandse stad Lochem in haar geschiedenis heeft getroffen. Op 6 april 1615 brandde de stad Lochem volledig af, alleen de kerk en een viertal huizen bleven staan. Om acht uur 's avonds brak er bij het bierbrouwen brand uit. In een mum van tijd stond de hele stad in brand. De kerktoren brandde volledig uit. De kerk zelf liep grote schade op. Slechts enkele huizen werden gespaard. De ramp werd veroorzaakt door een nalatigheid van mevrouw Eefsse Tonhues. Zij was net even weggelopen bij het drogen van ontkiemd graan tot mout. Het memorie- en resolutieboek van Lochem vermeldt:                                                                                     "Alsoe Eeffse Tonhues durch haer versuem gecausirdt den jammerlicken brandt dieser geheeler stadt mitt kercke, toren, raedt, gashueser en sonsten".                                                                      De kerkenraad van Zutphen besloot de getroffen inwoners van Lochem met 100 gulden te ondersteunen. Ook verzorgde men in Zutphen tijdelijk de opvang van 20 dakloze bejaarden.  

     Stadsbrand Lochem 1615                                                    Gravure stadsbrand Lochem 1615                                                                                                                                                 

1627: Slag om Groenlo. Amper 600 Spanjaarden streden in 1627 tegen liefst 25.000 soldaten van het Staatse leger. De inzet was het vestingstadje Groenlo. De inwoners leidden tijdens de Tachtigjarige Oorlog een armoedig leven, het was loodzwaar. In het westen van het land was de Gouden Eeuw aangebroken, in het oosten, het zuiden en in Groningen was het pikzwart. Eén groot slagveld. Bij opgravingen zie je het terug: in het westen vind je luxe aardewerk, hier vooral goedkope gebruiksvoorwerpen. En veel kogels. De mensen moesten elke dag hard werken om hun kostje te verdienen, rijke mensen en adel waren er amper. De binnenstad was tijdens de Spaanse bezetting de veiligste plek om te zijn. Daarbuiten werd er massaal geplunderd, door de Spanjaarden en het Staatse leger. In de zomer van 1627 waren er meer dan 50.000 soldaten in de Achterhoek, zij moesten  allemaal eten. Het was gruwelijk. De mensen moesten elke dag hard werken om hun kostje te verdienen, rijke mensen en adel waren er amper. De binnenstad was tijdens de Spaanse bezetting de veiligste plek om te zijn. Daarbuiten werd er massaal geplunderd, door de Spanjaarden en het Staatse leger. In de zomer van 1627 waren er meer dan 50.000 soldaten in de Achterhoek, zij moesten  allemaal eten. Het was gruwelijk. Inwoners van het nabijgelegen Ruurlo vluchtten massaal. Uiteindelijk woonden er nog maar drie mensen in het dorp en liepen er wolven door de straten. In Groenlo zelf woonden zeshonderd soldaten van het Spaanse leger in barakken en bij mensen thuis. Onder hen waren maar een handjevol echte Spanjaarden, de rest bestond vooral uit Nederlandse katholieke jongens. Zij vochten voor soldij en hun geloof mee aan Spaanse zijde.

1635 De Pest in Nijmegen. Een van de meest gevreesde ziektes in vroeger tijden was de pest. Ook Nijmegen had geregeld onder deze besmettelijke ziekte te lijden. In 1633 was in de Hezelstraat een gasthuis ingericht voor de verpleging van pestlijders, maar dit kon niet voorkomen dat twee jaar later een grote epidemie uitbrak. De pest – ook wel de zwarte dood genoemd – kon grote aantallen mensen de dood injagen en veroorzaakte bovendien vaak een ellendig levenseinde. Om die redenen leidde een pestepidemie tot grote paniek bij de bevolking. Ook in economisch opzicht kon een pestepidemie veel schade aanrichten. Als er veel mensen ziek werden of stierven, had dat onmiddellijk gevolgen voor handel en verkeer. In 1635 had een droge zomer in de natuur geleid tot verrotting en het ontstaan van pestkoortsen. In november van dat jaar brak in Nijmegen een pestepidemie uit, die pas door een strenge vorst in februari 1636 zou worden gestuit. De pest was zo heftig dat meer dan zesduizend mensen het leven lieten op een bevolking van circa tienduizend inwoners en ongeveer evenveel tijdelijk aanwezige soldaten die de stad moesten beschermen tegen een op handen zijnde Spaanse aanval. Het zou goed kunnen dat deze soldaten, die rondom Nijmegen gelegerd waren, de pest in de stad gebracht hebben.                                                                                                    Omdat zoveel mensen doodgingen aan de pest, probeerde Nijmegen nieuwe mensen naar de stad te lokken. Zo probeerde de stad haar inwoneraantal weer op peil te brengen. De nieuwelingen konden het burgerrecht en andere voorrechten zelfs goedkoop in bezit krijgen.Op uitnodiging van de magistraat werden vele Hervormden uit Aken, Gulik en Limburg, burger van deze stad om o.a. de geloofsvervolging te ontkomen. De familie Scherer/Scherers/Scheers (zie stamboom) heeft daar ook gebruik van gemaakt.

1672 Rampjaar. In de 17de eeuw betwistten Europese machten openlijk elkaars gebied. In 1662 maakten Frankrijk en de Republiek der Verenigde Nederlanden gezamenlijk een vuist tegen de Engelsen. Maar toen Frankrijk vijf jaar later de Spaanse Nederlanden (ongeveer het huidige België) binnenviel, haastte de Republiek zich om een Triple Alliantie tot stand te brengen met Engeland en Zweden om de agressie van Zonnekoning Lodewijk XIV te keren. Frankrijk, geïrriteerd door het overlopen van zijn bondgenoot, sloot op zijn beurt een geheim verdrag met Engeland. Zij spraken af samen de Republiek aan te vallen. Engeland deed maar wat graag mee, want de Hollandse handelsrijkdom was de Engelsen al langer een doorn in het oog. Zweden werd met Frans geld omgekocht en ook de vorstendommen Brandenburg, Munster en Keulen werden met forse financiële tegemoetkomingen aan Franse zijde gebracht. Het Rampjaar 1672 zou spoedig aanbreken.

Het jaar 1672 staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het Rampjaar. Volgens een Nederlands gezegde was "het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos". In dit jaar begon de Hollandse Oorlog en werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen, onder het gezag van, respectievelijk Bernard von Galen en Maximiliaan Hendrik van Beieren. Het Beleg van Grol in 1672 was een beleg van de vestingstad Grol, tegenwoordig Groenlo geheten, tijdens de Hollandse Oorlog, door de verenigde legers van Frankrijk, het Aartsbisdom Keulen, en het Bisdom Münster. Het beleg duurde drie dagen en eindigde in een overgave van de stad aan de belegeraars. De vereende legers trokken daarna verder naar Bredevoort en Lochem en Deventer om deze en andere steden in te nemen, onderdeel van het Rampjaar voor de Republiek, 1672. De belangrijkst Grolse vestingwerken werden na de inname door de Bisschop van Münster ontmanteld. Bisschop Bernard Von Galen liet deze opblazen zodat Groenlo een open stad werd en niet meer te verdedigen viel. In 1674, na twee jaar bezetting, verliet de Münsterse legermacht de stad.

                                                                                        Kaart van de Grolse vestingwerken, gerestaureerd na de belegering van 1627. J. Blaeu

Begin juni 1672 trok een enorme Franse legermacht vanuit Charleroi richting Keulen. Het leger van de Republiek viel met zijn 15.000 man in het niet bij het Franse leger dat bestond uit 120.000 uitstekend geoefende soldaten en trok zich terug. Op 18 juni lagen de Nederlandse soldaten achter de Hollandse Waterlinie. Geholpen door laagwater stak op 12 juni 1672 het Franse leger bij Lobith de Rijn over om vervolgens ongehinderd de Betuwe – en in het bijzonder Huissen – te plunderen. Daarna trokken de Fransen op naar fort Schenkenschans, bij de toenmalige splitsing van Rijn en Waal. Het fort viel zonder slag of stoot in Franse handen. De bevelhebber, de twintigjarige Nijmeegse burgemeesterszoon Hendrik ten Hove, was niet opgewassen tegen de dreiging en koos het hazenpad. Voor de Fransen lag Nijmegen nu binnen handbereik. Slechts één hindernis moest nog worden genomen: fort Knodsenburg in Lent. Na enig verweer viel ook dit bolwerk in Franse handen. Dit was een zware slag voor Nijmegen omdat de Fransen vanuit het fort de stad Nijmegen onophoudelijk konden beschieten. Uiteindelijk zouden er maar liefst 7.223 kanonskogels op de keizerstad worden afgevuurd. Een kanonskogel in de westelijke muur van de Commanderie van Sint-Jan herinnert nog altijd aan deze Franse beschietingen. Op 2 juli 1672 trok het Franse leger via een schipbrug bij Gendt de Waal over, omsingelde de stad en de belegering begon. Een week lang werd Nijmegen verdedigd door een garnizoen van slechts 2.500 man. Maar toen het Franse leger op 9 juli 1672 daadwerkelijk oprukte naar de stadspoorten restte de Nijmegenaren nog maar één optie: overgave.

Rampjaar 1672

Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over (12 juni 1672), door Adam Frans van der Meulen

1684  De winter van 1683-1684 verloopt ontstellend koud. De koude valt ver voor kerstmis 1683 in, en duurt tot medio februari 1684. De rivieren vriezen volledig dicht en ijsdikten tot twee Rijnlandse voeten (63 cm) worden gemeten. De winter zorgt voor veel overlast.

18e Eeuw

1709    Zeer strenge winter vanaf Driekoningen (6 januari); veel vee doodgevroren.

1711    In het voorjaar zijn er diverse dijkdoorbraken zoals de IJsseldijk bij Lathum en de Boterdijk bij Lobith. Veel voedselvoorraden gaan verloren, weiden blijven lang onbruikbaar en op grote schaal wordt honger geleden.

1714    Veepest veroorzaakt in de Liemers de dood van veel runderen en grote armoede onder de bevolking.1715   Op vrijdag 3 mei wordt het aan het eind van de ochtend omstreeks 11.00 uur nachtelijk donker. Het is een gevolg van een (vrijwel) volledige zonsverduistering in Nederland.

1740    De winter van 1740 verloopt zeer koud. Na een relatief zachte december 1739 wordt januari 1740 extreem koud. In de periode van zaterdag 9 tot en met dinsdag 12 januari is het zelfs overdag in Loerbeek niet warmer dan 10 graden onder nul. De barre winter wordt gevolgd door een extreem koud voorjaar. Op zaterdag 7 mei sneeuwt het nog. Ook de zomer verloopt zeer koud waardoor de oogsten volledig mislukken. Het duurt jaren voor dat men het rampzalige jaar 1740 te boven is.  

1794   Ten behoeve van transport van hout naar 's-Heerenberg voor de keizerlijke troepen  moeten de boeren van Gaanderen, in 1794, wagens en karren beschikbaar stellen. Zij kunnen zich vervoegen bij de jachtopziener van Huis Bergh, de heer I.B. Vink.                                Bron: http://berghapedia.nl/index.php?title=Gaanderen_van_tijd_tot_tijd


counter free