AFSTAMMING VAN A.B. DEN HAAN VAN KAREL DE GROTE



Bronnen:

Johan van Beverwijck, 't Begin van Hollant in Dordrecht (Dordrecht 1640)

A. van der Heijden, Genealogie van de heren van Naaldwijk (Historisch Archief Westland 2014)

B. de Keijzer, Kwartierstaat De Keijzer-Eijkelenboom, in Kwartierstatenboek Prometheus XV (Delft 1988)

Dr. L.M.G. Kooperberg, Anna van Borssele, haar geslacht en haar omgeving (Middelburg 1938)

Simon van Leeuwen, Batavia Illustrata ofte Hollandsche Chronyk ('s-Gravenhage 1685)

H. Obreen, Het geslacht van Borselen, in De Nederlandsche Leeuw 1927, kol. 294 e.v.


I. Karel de Grote (747-814), koning van de Franken 768-814, tot keizer gekroond door paus Leo III op 25 dec. 800 in de Sint-Pieter te Rome.

Karel de Grote met zijn zoon Pippijn met de Bochel


Buste van de Karel de Grote (Domschatz in Aken). Het beeld bevat een deel van de schedel van de Karel de Grote.  Het werd in 1349 geschonken door keizer Karel IV. (foto: A. B. den Haan, sept. 2016)

II. Lodewijk I de Vrome (778-840), keizer 813-840, trouwde 2e Judith, dochter van Welf I, graaf in Beieren en Eigilwich uit Saksen

Lodewijk de Vrome.

III. Karel II de Kale (823-877), koning van West-Francië 843-877, keizer (875)

Karel de Kale.

Kinderen:

IV. Judith (geboren ca. 843), trouwde met  Boudewijn I met de IJzeren Arm, graaf van Vlaanderen

Boudewijn met de IJzeren Arm (stadhuis van Brugge)

V. Boudewijn II van Vlaanderen (ca. 865-918)

VI. Arnulf I van Vlaanderen (ca. 890-964 of 965)

VII. Boudewijn III van Vlaanderen (ca. 940-962)

VIII. Arnulf II van Vlaanderen (ca. 961-988)

IX. Boudewijn IV van Vlaanderen (ca. 980-1035)

X. Boudewijn V van Vlaanderen, geboren ca. 1013, overleden 1 sept. 1067, trouwde Adela (ca. 1009-1079), dochter van Robert II van Frankrijk en van Constance van Provence (Gens Nostra 1990, p. 367)

XI. Matilda van Vlaanderen (ca. 1031-1083), trouwde met Willem de Veroveraar (Willem de Bastaard), hertog van Normandië, koning van Engeland (1066-1087), natuurlijke zoon van Robert de Duivel, hertog van Normandië en van Herleve, die waarschijnlijk de dochter was van Fulbert, een leerlooier in Falaise.(Dat leerlooiers gebruik maken van urine bij het bewerken van leer berust op een misverstand. In het verleden echter gebruikten zij een bepaald soort vet, dat eveneens een onaangename geur afgaf. Daaraan waarschijnlijk danken leerlooiers de reputatie, dat zij een "vuil" beroep uitoefenen. In Nederland werden zij ook huidenvetters genoemd. [Vriendelijke mededeling van de heer B. den Hartog te Dordrecht])  

Grafzerk van Mathilde van Vlaanderen in de Abbaye aux Dames te Caen (foto: A.B. den Haan, juli 2011)

XII. Adela van Engeland, trouwde Stephanus II van Blois (ca. 1045-1102). Hij was een van de leiders van de Eerste Kruistocht, maar keerde terug naar Europa in 1098, ging op aandringen van zijn vrouw opnieuw naar Palestina in 1101 en sneuvelde in de (tweede) Slag van Ramla op 19 mei 1102

XIII. Stephanus van Blois, koning van Engeland 1135-1154

Hij werd waarschijnlijk geboren in of omstreeks het jaar 1096. Hij was de derde overlevende zoon. "The eldest, William, was evidently a disappointment [maar het is onduidelijk, wat er precies mis met hem was]... the one thing we know for certain is that in 1103 he went into Chartres Cathedral and took a solemn oath to kill the bishop." Toen hun vader op kruistocht was, huwelijkte Adela, die regentes was tijdens haar mans afwezigheid, haar zoon Willem uit aan de dochter van een lagere edelman uit het Loire-gebied en gaf de vaderlijke goederen aan haar tweede zoon Theobald. "As for the remaining sons Stephen and Henry, they had to be put in the way of making their own fortunes... Stephen was sent [to the court of their uncle Henry I of England] by 1113, but his younger brother ... did not follow until 1126 ... [Henry] received his training at Cluny [and] ... in 1126 his royal uncle gave him the abbey of Glastonbury, and three years later the bishopric of Winchester as well. ... [As for Stephen] we can at any rate be sure he was [at King Henry's court] by 1113, and that he had by then already been given the lands and title of count of Mortain."   Bovendien kreeg hij nog belangrijk grondbezit in Engeland en Normandië en in 1125 schonk Hendrik I hem de hand van Mathilda, de enige dochter en erfgename van Eustachius III, graaf van Boulogne, die - nog afgezien van zijn bezittingen op het Continent - een van de rijkste landeigenaren van Engeland was. "Mathilda had to be found a husband because her father wanted to retire to a Cluniac monastery; but any husband  proposed had to be of very noble birth, because the lady was descended from Charlemagne, and her uncles [Godfried van Bouillon en Boudewijn I] were the first crusader kings of Jerusalem [Godfried weigerde de hem aangeboden koninklijke titel te aanvaarden - hij zei geen koningskroon te willen dragen in de stad, waar Christus de doornenkroon had gedragen - en noemde zichzelf liever Voogd van het Heilige Graf. Zijn broer Boudewijn had minder scrupules en was zowel de facto als in naam koning van Jeruzalem (aantekening ABdH)]. That was why Henry chose Stephen. His birth was unexceptionable, and yet he was bound to Henry's interests as closely as if he had been his creature." Hendrik I, koning van Engeland, stierf in dec. 1135. "There were three principal contenders for the succession, and one "fancied outsider". The least popular was the official candidate whom Henry had designated and to whom the English barons had sworn allegiance (Dec. 1126), his daughter the Empress Mathilda. She was unpopular because she was a woman [Het zou nog tot 1553 duren voordat een vrouw koningin van Engeland werd: Lady Jane Grey, die niet door iedereen als rechtmatige koningin van Engeland wordt beschouwd, of anders Mary I Tudor, die regeerde van 1553 tot 1558 (aantekening ABdH).], and because her husband, Geoffrey Count of Anjou, was the hereditary enemy of the Normans, and actually at war with Henry at the time of his death. But more important still was the fact that in course of hostilities, both past and present, Geoffrey had naturally made friends and allies of those Normans whom Henry I had exiled and disinherited ... This made it inevitable that there would be opposition from Henry's "new men" for they had been consistently rewarded ... with the estates of the disinherited. Their self-interest was bound to make them prefer a successor who was already committed to the new order, and they therefore focused their attention on the two men who were both of royal birth and "new", Robert, Earl of Gloucester, the illegitimate son of the king, and Stephen ... Either could have been considered worthy, but they were so jealous of each other that it was a foregone conclusion that neither would concede the slightest superiority to the other. Consequently there were many Normans, who,though unwilling to accept Mathilda, thought it dangerous to elevate either Robert or Stephen, and inclined towards an "outsider" or compromise candidate in the person of Stephen's elder brother Theobald ... Count of Blois, Chartres and Champagne. ... Unfortunately he did not want the kingdom, at any ratenot badly enough to make a fight of it. ... [In the beginning of 1135 king Henry] lay dying at his hunting lodge of Lyon-la-Foret. With him were the archbishop of Rouen and the bishop of Evreux who were both to support Stephen, and his five earls - four of them supporters of Stephen, and the fifth Robert of Gloucester himself - but it is clear that Henry remained unmovable. ... [Stephen] was at Boulogne when he heard the news of Henry's death. He set sail for England at once ... and made straight to London, which received him as king. ... Moving on, Stephen seems to have met a little opposition in the country near London, but overcoming it quickly, made a dash for Winchester where he was welcomed by his brother Henry [the bishop of Winchester] and accepted by the citizens. There also, thanks to the assistance of his brother, he was recognized as king by Roger Bishop of Salisbury who, as justiciar, controlled the government of England, and by William Pont de l'Arche who kept the royal treasury. Then, having already secured the vital organs of the kingdom, he asked the archbishop of Canterbury, William de Corbeil, to anoint him king. William showed some scruple about the oath which he, Stephen, and the other notables had taken to the empress [Mathilda] in 1126. But Stephen's supporters claimed that the oath was null and void because it had been exacted from them by force. They also produced the story - the first we hear of it - about Henry's deathbed change of mind, and Hugh Bigod took an oath to vouch for its truth. Consequently the archbishop anointed Stephen king on 22 December 1135." (R.H.C. Davis, King Stephen (Londen/New York 1990, p. 1-16)

XIV. Marie van Boulogne, trouwde met Matthias van de Elzas (overleden 1173), zoon van Dirk, graaf van Vlaanderen, en Sibylla van Anjou, dochter van Fulco V van Anjou, koning van Jeruzalem 1131-1143 (samen met zijn tweede vrouw Melisinde van Jeruzalem), en Ermengarde van Maine

XV. Mathilde van Boulogne, trouwde Hendrik I van Brabant (ca. 1160, overleden Keulen 5 sept. 1235) 

XVI. Mathilda van Brabant, trouwde Floris IV, graaf  van Holland, geboren 24 juni 1210, overleden op 19 juli 1234 tijdens een tournooi in Frankrijk (in Corbie of Noyon). Hij werd begraven in de abdijkerk te Rijnsburg. In Jacob van Maerlants Spiegel Historiael lezen we over zijn dood het volgende: "Grave Floris bleef in den tornoy/Te Corbie: dat was vernoy [ellende]/Daer was gevellet [neergeveld] sine baniere/1230 ende viere/So screef men dat jaer ons Heeren,/Als ons die croniken leren/Elf jaer lesen wi van desen,/Dat hi grave hadde ghewesen" Andere middeleeuwse schrijvers voegen daar nog aan toe, dat Floris door zijn dapperheid tijdens het toernooi anderen afgunstig maakte en dat hij vervolgens door hen is vermoord. Maar niet uitgesloten mag worden, dat hij gewoon door een lans is geraakt tijdens het toernooi en vervolgens aan zijn verwondingen is overleden.  (H. Bruch, Floris IV sneuvelt in een tournooi, in: Spiegel Historiael 1984, p. 93-96.)

XVII. Aleida van Holland (1228-1284), trouwde kort na 20-8-1246 (pauselijke bekrachtiging, met dispensatie, 25-10-1246)  Jan I van Avesnes, geb. Houffalize april 1218, overl. Binche of Valenciennes 24-12-1257,

XVIII. Jan II van Avemes, geb. ca. 1247; graaf van Henegouwen (Jan I), graaf van Holland, overl. Valenciennes of Bergen (Mons) 11 of 12-9-1304, tr. 1270 of begin 1271 Philippine van Luxemburg, overl. 6-4-1311, dr. van Hendrik II 'de Blonde' van Luxemburg en Margaretha van Bar.

Uit een relatie met een onbekende vrouw:

XIX. (bast.) Aleid van Henegouwen, overl. na 12-6-1351, tr. (1) ca. 1312 (met pauselijke dispensatie wegens 4e-graads verwantschap) Wolfert II van Borselen, heer van Veere en Zandenburg, ridder, overleden voor 6-4-1317, zoon van Wolfert I van Borselen en Sibylle (van Praet of van Randerode?), verzoent zich in 1308 met de graaf van Holland en krijgt in 1309 met zijn broers een schadeloosstelling voor de moord op hun vader, Aleid tr. 2e Otto, heer van Buren (NNBW; De Keijzer, o.c., p. 342-343)

"Heer Wolfaert van Borselen, heer van Vere en Sandenburch. De juiste scheiding tusschen hem en zijn gelijknamigen zoon, voordien steeds als één persoon aangezien, is gemaakt door Mr. H. van Wijn in diens Onderzoek naar den tijd der regeering van Wolfaard den tweeden en derden, heeren van Vere, uit den huize van Borselen (Middelburg, 1837; geschreven in 1794. Ook opgenomen in Nieuwe Werken van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, le deel, 2° stuk). Hij wordt het eerst genoemd in het jaar 1303, wanneer hij, „Wolfard, zoon van wijlen heer Wolfard, heer van Zandenburgh, ridder," een gift aan de abdij Eekhout bij Brugge goedkeurde; nog in ditzelfde jaar vindt men hem in het na te noemen testament van zijn broeder, heer Henric Wisse. In 1308 volgde ten slotte voor hem en zijn broeders de verzoening met den graaf van Holland en in 1309 de uitspraak over den dood zijns vaders; hij is dan ridder. Omstreeks 1312 huwde heer Wolfaert met Aleyd, een natuurlijke zuster van graaf Willem III van Holland, althans in dat jaar verleende de Paus daartoe dispensatie, hoewel zij elkaar in den vierden graad bestonden. Het huwelijk, zegt de pauselijke goedkeuring, vond plaats om een einde te maken aan de geschillen, die bestaan hadden tusschen heer Wolfaerts familie eenerzijds, graaf Willem en diens vader Jan, anderzijds. Heer Wolfaert werd door dit huwelijk zwager van den graaf en wordt dan ook als zoodanig door dezen betiteld. Op 30 Mei 1316 maakte hij met zijn broeders, heer Florens, Vranck en Clays, onder goedkeuring van den graaf, een overeenkomst in zake het leengoed, dat hun vader aan Wolfaert, als oudsten zoon, had nagelaten; ongelukkig geeft het stuk ons geen nader bericht, waar of de broeders gegoed waren; alleen van jaargelden wordt gewag gemaakt. Evengenoemd stuk is het laatste, waarin Wolfaert II gemeld wordt; hij was waarschijnlijk reeds dood op 6 April daaraanvolgend (1317), als de graaf beslist dat „ver Aleyt, vrouwe van der Vere, onse suster", alle jaren een zekere som zal moeten betalen aan vrouw Beatrix, echtgenoote van heer Gherard van Heemskerk, zoolang Beatrix voogdes is over haar dochter Kateline, welke zij in eerste huwelijk gewonnen had bij heer Jan Mulart. Vrouw Aleyd hertrouwde met Otto, heer van Buren; zij komt in 1327 in een grafelijke uitspraak als vrouw van Zandenburgh en van Buren voor en nog in 1351, wanneer zij als weduwe van Otto en als vrouw van Buren het huis te Boesinghen, dat zij van het kapittel van St. Jan te Utrecht in leen hield, opdroeg ten behoeve van jcvr. Agniese Henryx wijf van der Weyde. Wij kennen uit het huwelijk van Wolfaert II en Aleyd slechts één kind: Wolfaert." (Obreen, o.c., kol. 296 e.v.)

"Bovenstaande is - in hoofdzaak althans - ook in overeenstemming met H. van Wijn, "Onderzoek naar den tijd der regering van Wolfaard II en III, heeren van Vere, uit den huize van Borselle", een studie, en veertig jaren nadat ze geschreven was, nog uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen" (Middelburg 1837) … Uit deze verhandeling bleken genoegzaam de moeilijkheden met die Wolfaards, door van Wijn aldus opgelost, dat hij, Wolfert II, zoon van den te Delft vermoorden Wolfert I en Catharina, weduwe van Albert, heer van Voorne, en zelf gehuwd met Aleida, bastaardzuster van Willem III,  in 1317 overleden was … En dat dan die Hadwich, door sommigen als vrouw (tweede of eerste) aan laatstbedoelden Wolfaard gegeven, eigenlijk gehuwd is geweest met diens zoon Wolfaard III, dood in 1345 (al dan niet door de Friezen verslagen). In 1351 en 1356 komt deze vrouwe van Veere - eigenlijk geheeten Hadwich Both van der Eem en nicht van Willem V als weduwe van Wolfaard III nog voor. En dan is de volgende Wolfaard, geheel overeenkomstig onzen bovenstaanden tekst de vierde van dien naam, welke zoon van Willem III [sic] en Hadwich op zijn beurt, eveneens blijkens de oude kronieken, in het huwelijk is getreden met Margriete van Arnemuiden. Vgl. ook de toegevoegde geslachtslijst ter opheldering van deze verhandeling over Wolfert III, interessant niet het minst voor de 9de generatie, bevattende, behalve Wolfert II, de 7 andere kinderen van het slachtoffer der Delftsche volksbeweging * en zijn eerste echtgenoote Sybille o.w. Claes, die hier heer van Brigdamme genoemd wordt en Vrank, heer van St. Maartensdijk, … Ter zelfder tijd bloeide ook de tak van Borssele-Cortgene. Als stamvader noemt Obreen Raes, voorkomende in het laatste decennium der 13de eeuw, bastaardbroeder van Wolfert I van Veere." (Kooperberg, o.c., p. 15)

* "Bij een volksbeweging gevangen genomen, werd hij [Wolfert I van Borselen] 1 Aug. 1299 door de oproerige Delftenaars doodgeslagen." (NNBW)

XX. Wolfert III van Borselen, heer van Veere en Zandenburg, knaap 1336, ridder 1337, vermeld 1318-1350, lid van de Grafelijke raad 1337-1338, 1344, 1346-1348, overl. mei 1351 (aan een ziekte), tr. (2) Hadewich Both van der Eem, overleden tussen 1363 en 1371, begr. Utrecht (Domkerk) (De Keijzer, o.c., p. 341)

XXI. Aleida van Borselen, geb. ca. 1343, overl. na 26-8-1414, tr. 1e in of voor 1363 Jan van Heenvliet, geb. ca. 1335, ridder, heer op Bleijdestein, vermeld 1351-63 , overl. voor 1377, zoon van Jan, heer van Heenvliet, en Elizabeth van Bosinchem, 2e Jan, heer van Cruijningen en Woensdrecht. (De Keijzer, o.c., p. 338-339)

In 1363 vermeld als echtgenote van Jan van Heenvliet, wanneer zij geld leent aan haar broers Wolfaert en Henric. Deze man is in 1387 overleden, wanneer Aleyd als zijn weduwe voorkomt met haar zoons Jan en Sweder van Heenvliet. Zij was toen reeds hertrouwd met Jan heer van Cruijningen. (Obreen, o.c., kol. 300)
Hieruit o.m.:

XXII. Jan van Heenvliet of zijn broer Zweder van Heenvliet

Jan van Heenvliet, beleend met Kattendijke en Stavenisse 19-4-1387, overl. na 20-7-1409, voor 16-11-1411, tr. Margaretha van de Coulster, overl. voor 23-4-1409. (dr. van domproost Willem van de Coulster?).

Jan van Heenvliet, geboren Heenvliet ca, 1365, overleden ca. 1411, werd op 19 april 1387 beleend met Kattendijke en Stavenisse, hij was ridder, Heer van Heenvliet, van Cattendijk, Hindelopen en Stavenisse, baljuw van Amstelland, admiraal en maarschalk van Zeeland, hij was een belangrijk Hoeks edelman, die ook aan het hof in Den Haag kwam, vervulde diverse functies, als getuige, baljuw, raad en collegelid om rekeningen van de rentmeester te controleren, in de jaren 1397 en 1398 was hij admiraal, was ook actief tijdens de Arkelse oorlogen, o.a. bij het beleg van Gorinchem in 1402, en in 1409 bij de Friese waddenkust, de Vecht en in Utrecht, op 20 okt. 1405 was hij betrokken bij het beleg van Hagenstein en Everstein. Hij trouwde in of vóór 1395 te Veere met Margaretha van den Coulster, overleden vóór 23 april 1419, dochter van Willem van den Coulster, die hij in 1395 lijftochtte met 100 Dordtse guldens per jaar. Op 16 nov. 1411 wees hertog Willem de voogdij over zijn minderjarige kinderen, aanvankelijk uitgeoefend door  ... Heer Zweder van Heenvliet, toe aan zijn zwager Laurens van Cats.

XXIII. Maria van Heenvliet, geboren naar schatting ca. 1395, overleden 2 april 1456

NB: zij wordt door sommigen beschouwd als dochter van Zweder van Heenvliet, de broer van Jan van Heenvliet ( = gen. XVIII), i.p.v. Maria van Heenvliet, de echtgenote van Jan van Puttenstein. Zie Van der Heijden, o.c., p. 30 e.v.

De Keijzer (o.c., p. 332 en 336) neemt eveneens aan, dat zij een dochter was van Zweder van Heenvliet, heer op Blijdestein, vermeld 1387-1418, baljuw van Texel, nam deel aan de eerste en tweede tocht tegen de Friezen, en van Elisabeth van Cattendijke

Maria trouwde Boudijn Willemsz. van Drenkwaert, overleden 25 nov. 1452, dijkgraaf en schout van Zuidland, leenman van Putten, schepen van Geervliet, beiden begraven onder een zerk in de kerk van Geervliet.

Van Beverwijck, o.c., p. 18: Boudewijn Willemsz. leefde 1430, in het land van Putten, bezat een hoeve of woning, genaamd "Drenckwaert", liggende bij het dorp Zuidland, "waer van de nakomelingen haer ghenoemt hebben".

XXIV. Willem Bouwensz. (van Drenckwaert), heer van Giessendam, kwam in Dordrecht wonen, leenman van Strijen, beleend 1461, schepen van Dordrecht 1473-1474, burgemeester ald. 1474-1485, overleden in 1488, trouwde Machtelt Pallaes Jansdr., overleden 24 febr. 1506, dochter van Jan Claesz. op't Pallaes, burgemeester van Dordrecht, en Cornelia Jansdr. van Riebeeck. (Van Beverwijck, o.c., p. 18; De Keijzer, o.c., p. 326 en 332)

XXV. Dignum (Digna) van Drenckwaert, geboren naar schatting ca. 1465, trouwde Adriaen Cornelisz. van Cleijburgh, baljuw van Voorne (vermeld 1494 en 1504, overleden tussen 1504 en 20 nov. 1510 (Ons Voorgeslacht 1983, p. 193-194; Johan van Beverwijck, 't Begin van Hollant in Dordrecht [Dordrecht 1640], p. 18-19) 

XXVI. Lijsbeth Adriaensdr. van Cleijburg, geboren naar schatting ca. 1490, overleden in of na 1537, trouwde Jacob Adriaensz. van Heijthoven

- 27 mrt. 1620 of 1623 comp. voor een Rotterdamse notaris Adriaentje Jorisse, laatst weduwe van Rut Anthonisz., eerder weduwe van Evert Adriaensz. Heythoen. Zij verklaart, dat haar schoonvader Adrianus Heythoen, overleden in 1611, in 1575 is getrouwd met Cornelia Herbrechts of Herberts, die is overleden in 1580. Bij zijn huwelijk heeft hij goederen ingebracht ter waarde van 14.293 gl., die door zijn broer mr. Adriaan Heythoen advocaat zijn verkocht, met inbegrip van de vroonlanden, die comparante zijn aangekomen vanwege haar mans grootmoeder Elisabeth Adriaansdr. van Kleyenburg, gelegen in de St. Lijsbethspolder in de omloop van Dirksland. Zij verklaart voorts, dat haar schoonvader, toen hij genoemde vroonlanden heeft laten verkopen, "niet en heeft geweten wat hij dede", omdat hij toen een oude, blinde, kreupele, dove en arme man was, en dat hij dat niet heeft mogen doen, aangezien die vroonlanden "subiect en legaal sijn weeskinderen verbonden stonden". Comparantes man Evert is in 1616 op zee verdronken, en begraven te Rotterdam, waarna zij in 1617 is hetrouwd met Rut Anthonisse uit Lekkerkerk, die nu ook is overleden. De comparante verklaart, dat zij is ook is "naestende" de portie in de heerlijkheid St.Lijsbethspolder, die haar schoonvader toekwam en welke eertijds door de tante van haar schoonvader, Cornelia van Kleyenburg, in het jaar 1537 is verkocht aan Jacob Willemsz. De comparante verleent procuratie aan Aert Harmensz. Wor, wonende te Dordrecht, om voornoemde vroonlanden en de portie in de heerlijkheid St.Lijsbethspolder te verkopen. (ONA Rotterdam inv. 117, akte 129, uitkoop dd 18 aug. 1620 en id., inv. 102, akte 65, procuratie dd 27 mrt. 1620 [doorgehaald en vervangen door 27 mrt. 1623])

 XXVII. Digna van Heijthoven Jacobsdr., trouwde naar schatting ca. 1540 Willem van Beaumont Fransz., geboren ca. 1518, schoenmaker te Dordrecht, deken van het Schoenmakersgilde te Dordrecht (ORA Dordrecht 712, f. 10, attestatie dd 23 jan. 1579), overleden na 1601 (Ons Voorgeslacht 1974, p. 50-51), zoon van Frans van Beaumont en Agatha Scrijvers. (M. Balen, Beschryvinge van de stad Dordrecht [Dordrecht 1677])

- 8 juni 1567: mr. Adriaen Heijthoven, advocaat voor het Hof van Holland, Adriaen Jacobsz. Heijthoven voor zichzelf en Willem van Beaumont, als man en voogd van Digna Heijthoven Jacobsdr., verlenen procuratie ad lites aan Rochus Woutersz., schout van Bleskensgraaf. (ORA Dordrecht inv. 707, f. 6v)

- 18 dec. 1575: Willem van Beaumont Fransz. verkoopt Haddeman Joosz., zijn schoonzoon, een huis genaamd "den Hemel", staande aan de Landzijde omtrent de Pelserbrug tussen het huis van Henrick Cornelisz. lakenkoper, genaamd "Teverzwijn", en het huis van Frans Willemsz. Ram. De koper is schuldig aan zijn schoonvader een somma van 650 gl. (ORA Dordrecht inv. 1547, f. 41 e.v.)

- 5 mei 1576: Willem van Beaumont Fransz. verkoopt aan Evert Cornelisz. coman een huis met een klein huisje daarnaast, staande omtrent de Vuilpoort tussen het huis van Willem Abelsz. en het Zwijndrechtsestraatje [Dolhuisstraat]. Waarborg: Haddeman Joosz. De koper is schuldig aan verkoper een bedrag van 728 gl. Borg: Lambert Gijsbertsz. wagenmaker. (ORA Dordrecht inv. 1547, f. 110 e.v.)

ORA Dordrecht  inv. 712, f. 10 e.v. (akte 32), verklaring dd 23 jan. 1577 op verzoek van Cornelis 't Jong en Dirck Mathijsz., schoenmakers te Dordrecht, door o.a. Willem van Beaumont Fransz., deken van het Schoenmakersgilde te Dordrecht, 60 jaar oud

- 9 aug. 1578: Adriaen Jacobsz. Heijthoven, brouwer en poorter van Dordrecht, verkoopt aan zijn broer, mr. Adriaen Heethoven, advocaat voor het Hof van Holland, een jaarlijkse losrente van 9 gl., verzekerd op het huis en de brouwerij, waarin hij thans woont. Comp. mede Jacob Adriaensz. Heijthoven, de oudste zoon van de comparant, die verklaart, dat hij zijn oom, mr. Adriaen Heijthoven, "ontlast" en ontslaat van de "onderstanden", die hij, mr. Adriaen Heijthoven, bewezen heeft aan zijn, Jacobs, vader, aan hemzelf, en aan zijn zusters en broers. Tevens ontslaat hij zijn oom van de borchtocht, waarvoor hij zich samen met wijlen Jacob Adriaensz. Heijthoven en Willem van Beaumont, resp. Jacobs grootvader en oom, verbonden heeft t.b.v. Jacobs vader om te voldoen de uitkoop van zijn, Jacobs, moederlijke goederen. (ORA Dordrecht inv. 713, f. 32v e.v.)

- 23 aug. 1585: Adriaen Ariensz. Medemblick, burger van Dordrecht, verklaart, "dat hij uijt crachte vande naestinge bij Willem van Beaumont, rechtelijcken aen hem versocht, overgedragen ... heeft in gerechte eijgendom aen voorsz. Willem van Beaumont Fransz. ... een gerechte dorde paert van zes ende vertich gemeten cosbaer lants gelegen inden ambocht vanden Bommel onder de juerisdictie van Olkensplaete inden landen van Putte ... bij den voorschreve Adriaen Ariensz. eertijts gecoft van Adriaen Jaecobsz. Heijthoeven, brouwer tot Dordrecht, den voorsz. Willem van Beaumonts huijsvrouwe broeder, vuijt crachte vande brieve van eijgendom van daete den VIIen decembris anno [1583] ... den selven Beaumont overgelevert ... ende bekenne in voldoeninge van den landen boeven verhaelt vuijt handen van Haddeman Joostensz. van wegen de voorsz. Beaumont den XVen Novembris anno [1584] ... ontfangen te hebben aen gelden de somme van [721 gl.] ..." (ORA Dordrecht inv. 738, f. 224)

ORA Dordrecht inv. 1579, f. 46 e.v.: op 1 mei 1593 verkoopt Willem van Beaumont Fransz. aan dr. Jasper van Waerdenburch een huis in het Steegoversloot, staande tussen de St. Jorisdoelen en het huis van Huijch Jansz. kuiper (Cuper), strekkende van 's herenstraat tot achter aan de gracht van de Doelen. Waarborgen: Henrick van der Stegen en Cornelis Dircxsz. Praem. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 2250 gl. Borg: Reijnier Ariensz. hopkoper.

XXVIII. Aeltken Willemsdr. van Beaumont, geboren naar schatting ca. 1545, overleden tussen 19 mei 1608 en 6 juni 1624, trouwde 1e vóór 25 mei 1575 Aert Bastiaensz. van Houwelingen, overleden vóór 1590, zoon van Bastiaan Jacobsz. en Jenne de Jonge, 2e NG Dordrecht 14 jan. 1590 Herman Godschalksz., houtkoper te Oud-Beijerland

- 25 mei 1575: Aert Sebastiaensz., als man en voogd van Aeltken Willemsdr., verkoopt aan Jopken Soetmansdr., als "muije" van de weeskinderen van Laurens Ariensz. schipper, ten behoeve van die kinderen, een rentebrief (ORA Dordrecht inv. 710, f. 365v)

ORA Dordrecht inv. 1578, f. 118v: op 14 aug. 1592 transporteert Herman Godtschalcxsz., houtkoper wonende te Beijerland, als man van Aeltgen van Beaumont, aan de onmondige weeskinderen van Aert Bastiaensz. verwekt bij Aeltgen van Beaumont, een rentebrief van 6 gl. jaarlijks.

ORA Dordrecht inv. 1585, f. 122v e.v.: op 19 mei 1608 verkopen Herman Godtschalcksz., als man van Aeltgen van Beaumont, wonende in Beijerland, Janneken Aertsdr., weduwe van Frans Diricxsz. Blockert, Bastiaen Aertsz., kruidenier en burger van Dordrecht, Cornelis Thonisz. Praem, bakker en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende Frans Aertsz., burger van Dordrecht, en Janneken Aertsdr. en Bastiaen Aertsz. tevens vervangende hun broer Willem Aertsz., die 21 jaar is, aan Maerten van Baelen pondgaarder een huis, genaamd "den Eijck", staande bij de Grote Kerk tussen het huis van Anthonis Ariensz. pondgaarder en het erf en de houttuin van de verkopers, hun, verkopers, aangekomen bij overlijden van Aechgen van Beaumont, welk huis het vruchtgebruik gelegateerd is aan Aeltgen van Beaumont.

ORA Dordrecht inv. 1601, f. 49v e.v.: op 6 juni 1624 verklaren Hermen Godschalcxsz., Frans Aertsz., Sebastiaen Aertsz. en Willem Aertsz., voor zichzelf en de drie laatstgenoemden tevens vervangende hun zuster, Janneken Aertsdr., samen erfgenamen ex testamento van Aeltken van Beaumont, de vrouw van Hermen Godschalcxsz. en moeder van de vier voornoemde kinderen, dat zij de goederen, die Aeltken heeft nagelaten, hebben verdeeld, waarbij aan Willem o.a. is toegevallen een huis in de Kannenkopersbuurt, genaamd "'t Joppenvat", staande tussen het huis van dr. Cornelis van Someren en dat van Jan Henricxsz. Bot. Willem is schuldig aan Hermen een somma van 2520 gl. en aan zijn broers en zuster een bedrag van 1680 gl. 

ONA Dordrecht inv. 85, f. 151: op 28 juli 1646 comp. Aert Hermansz. Wor, enerzijds en Daniël Eelbo, als procuratie hebbende van kapitein Floris van Winteroeij, dochter van Anneken Aertsdr. van Houwelingen, Teunis Lambrechtsz., als man van Dingna Bastiaen Aertsdr. van Houwelingen, voor zichzelf en tevens als voogd van de kinderen van Dirck Jacobsz. Poelenburch, door hem verwekt bij Cathelijna Bastiaensdr. van Houwelingen, Balten Salibosch, als man van Aechten Bastiaensdr. van Houwelingen, voor zichzelf en als procuratie hebbende van zijn zwager Aert Bastiaensz. van Houwelingen, wonende in Frankrijk, Johannes Bastiaensz. van Houwelingen, Jan Jarde, als procuratie hebbende van Jean Lefau, als man van Aletta van Beaumont Willemsdr, en Johan Veeckemans, die door de weesmeesters van Dordrecht "gelast" is wegens de overige kinderen van Willem van Beaumont, anderzijds. De comparanten verklaren, dat in 1625 een proces is ontstaan, dat nog steeds hangende is, tussen Aert Hermansz. Wor nomine uxoris aangaande de uitkoop van haar moederlijke goederen en de borgtocht daarvoor gedaan door haar oom en voogd Willem van Beaumont, enerzijds en de kinderen en erfgenamen van Willem Fransz. van Beaumont en en diens vrouw Dingna van Heijthoven Jacobsdr., genaamd Elisabeth, Agatha en Aletta van Beaumont, en dat hangende het proces alle genoemde kinderen zijn overleden en derhalve alleen erfgenamen van Willem van Beaumont en Dingna van Heijthoven zijn gebleven de kinderen van Aletta van Beaumont, genaamd Bastiaen, Willem en Janneken Aertsdr. van Houwelingen.

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Bastiaen Aertsz. van Houwelingen

b. Willem Aertsz. van Houwelingen

c. Janneken Aertsdr. van Houwelingen, volgt XXIX

XXIX. Jannichge Aertsdr. van Houwelingen, geboren naar schatting ca. 1580, overleden na 20 febr. 1637, trouwde 1e Frans Diricxsz. Blockert, 2e ca. 1613 Willem Gerritsz. van Galen, wonende in de Kapellestraat te Oudewater (1612), lakenkoper wonende in de Visstraat ald. (1613), belastingpachter, overleden vóór 30 juli 1627, trouwde 1e Cunera (Commertgen) Cornelisdr., begraven Oudewater 16 nov. 1612

ORA Dordrecht inv. 1600, f. 57: op 14 aug. 1623 verkoopt Janneken Aertsdr. van Houwelingen voor 600 gl. aan Jan Stoffelsz., bezemmaker en burger van Dordrecht, een huis op het Spui, staande tussen het huis van de weduwe van Nicolaes de Wael en dat van de weduwe van Cornelis Dircxsz. Praem. Waarborg: Hermen Godtschalcxsz.

ONA Dordrecht inv. 70, f. 54v: op 29 juli 1627 legt Jacobmijntgen Claesdr., de vrouw van Sijbert Jansz. bakker, burgeres van Dordrecht, op verzoek van Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe van Willem van Gaelen, wonende in Princeland, een verklaring af.

ORA Dordrecht inv. 1602, f. 99v e.v.: op 30 juli 1627 verkoopt Gijsbrecht Bastiaensz. molenaar, als man van Marijcken Pieters, erfgename van Judick Willems, weduwe van Pieter Dionijsz., aan Janneken van Houwelingen, weduwe van Willem van Galen, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Michiel Cotermans en de ingang van het Hof. Borgen: Jan Bastiaensz. schrijnwerker en Pieter Schepens, burgers van Dordrecht. De koopster verkoopt aan Janneken Jacobs een jaarlijkse losrente van 25 gl., gehypothekeerd op het voornoemde huis en is schuldig aan Janneken Jacobs een somma van 200 gl.

ORA Dordrecht inv. 1604, f. 15v: op 11 febr. 1630 verkoopt Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe van Willem van Galen, aan Catarina van den Steen, weduwe van Johan de Lange, een jaarlijkse losrente van 18 gl. 15 st., verzekerd op een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van de weduwe van Willem Sieren en dat van Lidewij Diters.

ONA Dordrecht inv. 71, f. 34v: op 10 mrt. 1630 verlenen Franchoijs Aertsz. van Beaumont, Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe, geassisteerd met haar broer Franchoijs Aertsz. van Beaumont, procuratie ad lites aan Cornelis Evertsz. van der Pol contra hun schoonvader [stiefvader?] en broeders.

ORA Dordrecht inv. 1604, f. 35v: op 20 juni 1630 verkoopt Janneken Aertsdr. van Houweningen [sic] voor 1600 gl. aan Cornelis Jansz. schoenmaker een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick Wagens en de poort van de Heelhaaksdoelen. De koper is schuldig aan verkoopster een somma van 1200 gl.

ORA Dordrecht inv. 1605, f. 115: op 18 sept. 1633 verklaart Janneken Aertsdr. van Houweningen uit de boedel van wijlen Reijer Bastiaensz. zowel aan geld als aan rentebrieven ontvangen te hebben een somma van 360 gl. en "voort fideïcommis vande selve somme" verbonden te hebben een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van de weduwe van Willem Sieren en dat van Lidewij Diters.

ONA Dordrecht inv. 58, f. 221v: op 1 okt. 1633 verklaren Janneken Aertsdr. van Houwelingen, geassisteerd met notaris Daniël Eelbo, Frans Aertsz. van Houwelingen, Bastiaen Aertsz. van Houwelingen en Willem Aertsz. van Houwelingen, allen kinderen van wijlen Aert Bastiaensz. van Houwelingen, enerzijds, en Dirck Jacobsz. zeilmaker, als weduwnaar van Janneken Crijnen Louff, Mariken Crijnen Louff, weduwe van Apert Arijensz. Saijer, geassisteerd met haar voornoemde zwager, Willem Jacobsz. Bol, als man van Angnietken Crijnen Louff, en Dirck van Slingelandt, als vader en voogd van zijn onmondige zoon, genaamd Jan van Slingelandt, verwekt bij wijlen Dingna Crijnen Louff, allen kinderen van wijlen Grietgen Bastiaensdr., anderzijds, dat tussen hen in gemeenschappelijk bezit zijn gebleven zekere goederen, gekomen uit de nalatenschap van hun oom Reijer Bastiaensz., waarvan het vruchtgebruik in bezit is geweest van hun oom wijlen Dirck Bastiaensz. Tot die goederen behoren o.a. de helft van 6 morgen 48 roeden land op Klaaswaal, door hen verkocht aan Cornelis van der Hooch in 's-Gravenhage voor 1920 gl., 90 roeden land in Nieuw-Bonaventura, geschat op 6 gl. en een 96ste deel in zekere gorsen, gelegen aan de Dussen onder Raamsdonk, geschat op 60 gl. De comparanten hebben die goederen thans onderling verdeeld. 

ONA Dordrecht inv. 80, f. 104: op 9 mrt. 1634 verleent Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe van Willem van Galen, procuratie aan haar schoonzoon kapitein Floris van Winteroij.

ONA Dordrecht inv. 59, f. 44: op 20 febr. 1637 verleent Janneken Aertsdr. van Houlingen, weduwe van Willem van Galen, geassisteerd met haar schoonzoon kapitein Floris van Winteroijen, procuratie aan Jacomijntgen Clasen, weduwe van Sijbert Jansz. om te innen een derde part van de jaarlijkse pacht van 27 mrg. 59 roeden land met woning, liggende en staande in Maaskant, en een derde part in de huur van een huis in het Steegoversloot te Dordrecht, tegenwoordig bewoond door Andreas Colvius, Waalse predikant.

Kinderen:

Ex 1:

a. Gerrit, gedoopt NG Oudewater 9 nov. 1612

Ex 2:

b. Cuinijertgen (Dina), gedoopt NG Oudewater 25 febr. 1615, volgt XXX

XXX. Dina (Cuinijertgen) van Galen (van Ghelen), gedoopt NG Oudewater 25 febr. 1615, jonge dochter van Oudewater (1631), overleden tussen 10 nov. 1633 en 1 sept. 1644, trouwde Prinsenland 6 nov./14 dec. 1631 (getuigen: Jenneken Aerts, Joanna Bosch, Henricus Lemnius) Floris van Winteroy, jongman geboren te Ravels, kapitein te Woudrichem in het regiment van de graaf van Brederode, ritmeester in garnizoen te 's-Hertogenbosch

ORA Dordrecht inv. 1612, f. 64: op 18 dec. 1647 compareren voor schepenen van Dordrecht Daniël Eelbo, commies van de provincie Zeeland, als procuratie hebbende van kapitein Floris van Winteroij, weduwnaar van Dina van Galen, enige dochter van wijlen Janneken Aertsdr. van Houwelingen, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Ch. van Leeuwevelt te Woudrichem op 7 jan. 1645, Theunis Lambertsz., schipper en burger van Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Sebastiaen Aertsz. van Houwelingen, Johan Bastiaensz. van Houwelingen, Balten Salibosch, als man van Aechtgen Sebastiaensz. van Houwelingen, voor zichzelf en mede als procuratie hebbende van Arnoldus Sebastiaensz. van Houwelingen, Janneken Sebastiaensdr. van Houwelingen, voor zichzelf, samen vervangende de kinderen en erfgenamen van Dirck Jacobsz. Poelekint, door hem verwekt bij Catarina Sebastiaensdr. van Houwelingen, voornoemde Sebastiaen van Houwelingen en Theunis Lambertsz. nog als testamentaire voogden van genoemde kinderen, en Gijsbert van Dalen, als door de weesmeesters van Dordrecht gemachtigd zijnde wegens de minderjarige kinderen en descendenten van Willem Aertsz. van Houwelingen, allen fideï-commissionaire erfgenamen van Elisabeth van Beaumont. De comparanten verkopen aan Johan de Widt, ontvanger van de Grafelijkheidstol van Geervliet, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Blasius van Haerlem en dat van Stoffel Jansz. kleermaker.

Kinderen:

a. Wilhelmus, gedoopt NG Woudrichem 10 nov. 1633 (getuigen: Wilhelmus van Winteroy, Janneken van Houlingen)

b. Maria, geboren te Woudrichem naar schatting ca. 1635, volgt XXXI

XXXI. Maria van Winteroy, geboren naar schatting ca. 1635, jonge dochter van Woudrichem (1662), trouwde NG Woudrichem 17 nov. 1662 (ondertrouw, attestatie verleend om te Sleeuwijk te trouwen) Bartholomeus van de Graaff, van Woudrichem (1662), vaandrig van de compagnie van kolonel Meteren, gouverneur van Woudrichem

XXXII. Dina van de Graaff, geboren 1667, jonge dochter wonende te Prinsenland (1690), overleden Lexmond 24 aug. 1750, trouwde Hulst 7 april 1690 (ondertrouw) Pieter van Rijssel

XXXIII. Albertina Adriana van Rijssel, gedoopt NG Vianen 10 okt. 1709, jonge dochter wonende te Vianen (1727), overleden Coevorden 1 mei 1772, trouwde Vianen 10 febr. 1727 (ondertrouw) Gillis van Braam

XXXIV. Petronella van Braam, gedoopt NG Bergen op Zoom 4 juni 1730, overleden Maarheeze 24 april 1787, trouwde Veldhoven 2 jan. 1763 Carel Greve, schoolmeester te Maarheeze

XXXV. Maria Greve (1768-1819), trouwde Utrecht 3 nov. 1795 Hendrik Kropff

XXXVI. Pieternella Kropff (1796-1870), trouwde Herwijnen 30 juli 1819 Andries Liebrecht

XXXVII. Hendrika Liebrecht (1826-1907), trouwde Rossum 3 sept. 1847 Gerrit Jacobus van Soomeren

XXXVIII. Gerrit Jacobus van Soomeren (1868-1951)

XXXIX. Cornelia Gijsberta van Soomeren (1904-1991), trouwde Barend Haksteen

XL. Geertrui Haksteen (1928-2016), trouwde Bastiaan den Haan

XLI. Adrianus Barend (André) den Haan (1954)