MATHIEU DELNOOZ (1894-1959) - SUCCESVOL SMID MIDDEN IN DE MAASTRICHTSE CULTUUR



Mathieu Delnooz was smid. Althans, zo stelde hij zich graag voor. Op 7 maart 1894 werd Mathieu Joseph Charles Hubert geboren aan de Kleine Gracht 19 in Maastricht als eerste kind van Léon Delnooz en Sophia van Aalst. Een broer en zus (Henri Charles Joseph, of Harry, en Marie Cathérine Sophie, of May) volgden in 1896 en 1897. Vader Léon was ook smid, net als zijn grootvader Charles Lambert die in de vroege negentiende eeuw vanuit Saive (België) naar Maastricht was getrokken. Zoals gebruikelijk in vroeger tijden, stapte Mathieu in de voetsporen van zijn vader, weliswaar na enige omzwervingen. Hij volgde een opleiding aan het Stadsteekeninstituut in Maastricht tussen 1910 en 1915. Dit instituut is een voorloper van de huidige MTS/HTS. Er vond ook kunstonderwijs plaats. Mathieu ging in de leer als hulp-electriciën op Regout’s Societee Ceramique fabriek in 1911-1912 en bij de firma Ettens & Lucassen (Wyck) in 1916. Het gezin Delnooz-van Aalst woonde toen aan de Hoogbrugstraat in Wyck. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was Mathieu een paar maanden werkzaam aan het ‘Missions-Kolleg Sankt Ludwig’ in Vlodrop. Waarom hij daarheen ging is niet helemaal duidelijk; wellicht vanwege de armoede t.g.v. de oorlog. Hij kwam onder de hoede van broeder Valens op voorspraak van ene Joseph zur Straβen, die vriend was van zijn vader Léon. Mathieu werd echter node gemist thuis. Hij besloot voortijdig terug te keren naar Maastricht om zich te vervoegen bij de smederij van zijn vader en bij zijn geliefde Anna Yerna. Gelukkig liep binnen een maand na zijn terugkomst de oorlog ten einde. Mathieu en Anna verloofden zich snel daarna. 1919 werd een belangrijk jaar voor de 26-jarige Mathieu. Op 1 juli startte hij een eigen zaak en op 4 november trouwde hij met Anna. Kapitaal en pand voor de zaak kon hij lenen van zijn oom Jean Delnooz, die een winkel in ijzerwaren runde op de Rechtstraat nummer 80. Het lijkt aannemelijk dat zijn vader in het achterhuis van dat pand een smederij runde, op de begane grond van Stenenwal 23. Mathieu nam dat bedrijf over. Hoe dat precies in zijn werk ging met zijn vader is onduidelijk. Wel duidelijk is dat hij het gereedschap huurde van zijn vader, maar niet wat de rol van Léon precies was. Er zijn foto’s waarop Mathieu en Léon beide te zien zijn aan het werk zijn in de smederij.


Mathieu Delnooz getekend door Alphons Volders


Stenenwal 23 lag aan de Maas. ‘Math. Delnoz / electr. Smederij’ prijkte er trots op het pand dat zichtbaar was vanaf de halve stad aan de overkant van de rivier. Mathieu bezigde vaak deze verkorte achternaam, ook privé. En hij niet alleen; het was usance in de familie. Het verhaal gaat dat mensen dat gemakkelijker vonden om te onthouden. Mathieu en Anna gingen twee huizen verderop wonen, op nummer 19. Daar zijn de eerste 3 kinderen geboren tussen 1920 en 1924. Het bedrijf liep goed. De kasboeken laten ruime winsten zien. Begonnen als eenmanszaak werd het personeelsbestand al ras groter en waren in 1920 al ongeveer 6 mensen in dienst. Het pand werd te klein en er volgden 3 verhuizingen naar steeds grotere panden, via de Ruitersstraat en de Wijcker Grachtstraat naar uiteindelijk, in juni 1927, de Lyonnetstraat nummer 10. Onderin was de zaak en bovenin woonde het gezin. In 1930 kwam het vierde en laatste kind Jacques. In 1934 werd het pand ernaast gekocht, zodat de bedrijfsruimte verdubbelde. Dat was een duurzame oplossing, want het bedrijf verbleef er tot 1956. In 1949 kwam er een schaalvergroting. Er werd een vestiging geopend op een terrein aan het Afwateringskanaal, dat naast de Lyonnetstraat opereerde voor de grote werken. In 1956 werd grootschalige nieuwbouw gestart op een nieuw verworven terrein aan de Lage Frontweg in Bosscherveld.


Statieportret personeel smederij Delnoz bij 10-jarig jubileum in 1929


De periode 1932-1944 was een moeilijke tijd voor de zaak. In 1932 trad de beruchte economische crisis aan. Deze duurde tot begin 1937. In 1940 begon de Tweede Wereldoorlog. Er heersten toen grote materiaalschaarste en personeelsmoeilijkheden. De Duitsers wilden personeel naar de Arbeitseinsatz sturen. Mathieu is er vaak in geslaagd om dat te voorkomen. Maar 20 mensen kwamen er niet onderuit. Die kwamen na de oorlog gelukkig allemaal wel weer terug. Kwa materiaalschaartse moest er gesprokkeld (lees: zwart gehandeld) worden met brons en benzine. De nasleep van de oorlog bracht veel nieuw werk met zich mee: sluizen, bruggen en het spoor werden gerepareerd. Mathieu Delnooz werd geprezen voor het in stand houden van de zaak en de inzet om zijn personeel te beschermen voor al het onheil in deze periode. De betrokkenheid bij zijn personeel werd ook daarna geroemd. Salarissen en secundaire arbeidsvoorwaarden werden als goed ervaren. In 1957 werd de zaak een NV. Bij zijn dood, in 1959, werkten er 70 man met een jaaromzet van 1,2 miljoen gulden. Men was verantwoordelijk voor, c.q. betrokken bij, de bouw van bijvoorbeeld de Nekami NV, een flink deel van de ENCI, de restauratie van de Servaasbrug in 1933, en herstelwerkzaamheden aan het begin en na het einde van de Tweede Wereldoorlog, o.a. het vaarbaar maken van afgezonken binnenvaartschepen.


Mathieu Delnooz en Jan van Puyenbroeck op schilderreis in de Provence (1958)


Mathieu Delnooz was een man met een positieve levenshouding en stond midden in de Maastrichtse gemeenschap. Aan de ene kant runde hij een bloeiend bedrijf in de traditie van zijn familie van middenstanders, en van een stad van industriële ontwikkeling (en dus klandizie). Aan de andere kant was hij zeer geïnteresseerd in kunst, wetenschap en het Maastrichtse verenigingsleven. Gedurende de Eerste Wereldoorlog maakte hij als leerling kennis met de Vlaamse kunstschilder Jan van Puyenbroeck, die België was ontvlucht, zijn intrek nam in de oliemolen van Rothem en een vrienden/leerlingenkring verzamelde met later bekende Limburgse kunstenaars als Willem Konijnenburg, Charles Eijck, Fons Volders en Jos Tielens. Mathieu bouwde een oeuvre op van tientallen olieverfschilderijen op canvas, hout en metaal, geheel in de traditie van de groep van Jan van Puyenbroeck: impressionistische landschappen, met name van het Geuldal, en portretten. Mathieu’s directeurschap maakte dat hij weinig tijd had om te schilderen, maar er zijn zeker twee periodes in zijn latere leven waarin hij wel veel aan schilderen toekwam, tijdens twee reizen. Eén in 1956 naar de Normandische kust in gezelschap van Volders en één in 1958 naar de Provence in gezelschap van van Puyenbroeck en kapelaan Kamps. Amusant om te vertellen is dat laatstgenoemde de verplichting had om kerkdiensten te verzorgen in dorpjes waar geen pastoor meer was. Mathieu en Jan lieten zich de kans niet ontnemen om op te treden als misdienaar. De vriendschap tussen Mathieu en Jan hield vol tot aan zijn dood. Er bestaan zeker drie portretten van Mathieu door Jan van Puyenbroeck (plus hun studies) en Fons Volders. Een interessant verhaal is de schatkamer van de Sint Servaas. In 1932 hield van Puyenbroeck zich bezig met het restaureren van deze en de volbrenging tot een volwaardig museum. Onderdeel daarvan was het ontwerp en de vervaardiging van een moderne relikwieënkist. Dit werd een project van van Puyenbroeck, ontwerper van Dorp uit de zaak en Mathieu. Het project kwam ruim aan bod in kranten uit die tijd. Echter is de kist heden ten dage spoorloos. Andere religieuze projecten van Mathieu waren de constructie van het kruis op de toren van de nieuwe kerk in Berg en Terblijt en een smeedijzeren ornament voor in de Sint Martinuskerk in Wyck.


Mathieu was een liefhebber van het werk van Fons van Olterdissen. Hij trad als figurant op in zijn operettes en bouwde er decors voor, waarschijnlijk binnen de zang- en toneelvereniging ‘de Lauwerkrans’ waarvan hij in 1916 lid werd en later bestuurslid. In 1937 was Mathieu mede-oprichter van het Fons Olterdissenfonds ter ‘animeering, verspreiding en ondersteuning van het Maastrichtse dialect’. Hij was bestuurslid van het comité ter oprichting van een standbeeld van Fons Olterdissen. In 1919 was hij al mede-oprichter van het mannenkoor ‘Wiecker Eindrach’. Op het gebied van de smidsambacht richtte hij vakverenigingen op, zoals voor de oorlog de afdeling constructiesmeden van de R.K. Smedenbond en na de oorlog de Lasclub Maastricht van de Nederlandse Vereniging oor Lastechniek. Mathieu was vanaf maart 1946 tot zijn dood lid van de Nederlandse Vereniging voor Weer en Sterrenkunde (afdeling Zuid-Limburg, opgericht door een zoon van dichter en mede-Wycker Pierre Kemp). Ook was hij lid van de Derde Orde der Franciscanen. Dat is een lekenorde van de katholieke kerk, voor wie geen monnik wilde worden maar zich wel wilde inzetten voor de kerk. In die tijd was het katholicisme een belangrijk onderdeel van het leven in Maastricht. Mathieu had contacten met veel geestelijken in Maastricht.


Mathieu Delnooz (3de van rechts) in een operette van Fons Olterdissen (vroeg jaren 1920?)


Zoals het jaar 1919 een mijlpaal was voor Mathieu in positieve zin, zo was 1959 dat in overwegend negatieve zin. Op 1 maart stierf echtgenote Anna na een lang ziektebed. In juli vierde Mathieu een groot feest i.v.m. het 40-jarig bestaan van de zaak. Op 10 oktober 1959 bezweek Mathieu aan complicaties van een operatie in het ziekenhuis Maastricht. Hij werd door honderden mensen uitgeleide gedaan in de Sint Martinuskerk en is bij zijn overleden vrouw ter aarde besteld op het kerkhof aan de Tongerseweg in Maastricht waar hun graf nog steeds aanwezig is.



Jean in ’t Zand, juli 2016


(een versie met meer foto's en bronvermelding is op te vragen via het contactformulier)