DAGBOEK BENNY MASSOP



Voorwoord

Den 11e augustus was het de beurt aan mij om den dienst voor het vaderland als militair te beginnen.

Als genist moest ik mij dien dag melden in de Kromhout kazerne te Utrecht.

waar onze 6-weekse infanterietraining begon. Na de 8-weekse training gingen we verhuizen naar de Oranje Nassau kazerne te Amsterdam en begon daar de E en M opleiding. Als werkplaats en opleidingsafdeling werden we verwezen naar Centrale Noord en de G.E.B.

Na die 8-weekse opleiding kregen we een volle week verlof.

Toen we echter terugkeerden van dit verlof (wat we in hoofdzaak kregen wegens plaatsgebrek.) kregen we maar 1 kamer waar we anders met 8 man in sliepen en thans met over de 20 man. Die ene nacht dat we in dit hok moesten doorbrengen is wel de beruchtste geweest die ik in mijn diensttijd heb meegemaakt. Om 4 uur hadden we nog geen oog dicht gedaan en om 6 uur was er alweer apel.

Hier in Utrecht kregen we een 3-weekse herscholing, waarna de hele boel wat er in de kazerne nog aanwezig was af huppelde naar het kamp Prinsenbosch. In een van die maanden nu leerde ik een meisje kennen en waar ik in Nederland maar 3,5 á 4 maanden verkering mee had voor ik naar de Oost vertrok. Ik zelf heb nooit vermoed dat men in zo’n korte tijd zooveel van een meisje kan gaan houden.

Een werkelijk standvastig en goed meisje betekent voor een jongen in Indië een enorme steun in het behouden van zijn geloof en zeden. Op de scheidingsdag van mijn geliefden begin ik dan mijn dagboek.

Afscheid nemen valt altijd zwaar tegen, wat ook met mij het geval is. Met een zekere onverschilligheid, zetten er verschillende jongens zich tegenin, wat met mij ook zo is.

.**    23 Feb. Vandaag de dag van mijn vertrek uit het ouderlijk huis. Cor, mijn meisje heeft me voor het laatst naar de trein mogen brengen. Voor mij zoowel als voor haar is het een zware dag geweest. Voor vader moeder broertjes en zusjes was het ook zeer moeilijk. Wanneer je voor een maand of zoo weggaat merkt men dat niet, maar voor 2 jaar des te erger. Ik kreeg van allen de beste wensen mee. Mijn meisje en Marianne zwaaiden nog een laatste vaarwel en hebben het rode achterlicht van de boemel als laatste groet van mij gezien. Op weg naar het Apenland. Om 1 uur stap ik de donkere sinistere kamer van het gebouw 22 kamp Prinsenbosch te Gilzen-Rijen binnen. Allen zijn teruggekeerd en liggen wakker te bed wanneer ik het licht aandraai. Ieder is bezig met zijn eigen gedachte. Slapen doe ik deze nacht niet  erg veel dat begrijp ik drommels goed. Toch voel ik me erg rustig.**  24 Febr. De dienst  in het kamp is sinds we voor het laatst thuis zijn geweest erg veranderd. Vandaag hebben we bijna geen dienst gedaan. We puzzlen maar wat. Ikzelf maak maar een paar lessen af van de P.B.N.A. Wanneer we niets doen dan schiet de tijd heel niet op. Vannacht om 1 uur controle door de officieren. Het zal 2,5 vannacht wel niet erg rustig zijn. 25 Febr. Het is vannacht niet zo rustig geweest. 50 van de 500 waren nog niet teruggekeerd. Vandaag een makkelijke dienst gehad. Ik heb een stuk of wat brieven geschreven o.a. Corry, tante Anna van wie ik geen persoonlijk afscheid heb kunnen nemen, Marie en Benno  Anbergen in Den Haag. Deze brief waar mijn meisje zoo bang voor was. Vandaag onze kamer-genoot Hardy  een Maastrichtenaar van ons weggegaan. Afgekeurd voor den dienst in de tropen. **     26 Feb. Vanmorgen hebben weer twee  jongens de kamer verlaten, weer twee  Indie-vaarders minder. We blijven maar met 4 jongens van lichting ’44 over. We hebben zoo’n beetje rondgebriggeld. Ging de boot vandaag maar. Weg, weg  weg  van dit kamp, weg die verveling, wanneer we toch moeten gaan dan maar meteen. Wachten duurt veel te lang. Vanochtend ging het hele stel op mars naar Breda. Ik ben niet mee geweest omdat  ik de bagage van Pauw en  van Kleef moest posten. Ik ben de rest van de dag niet van de kamer geweest. We hebben de kamer een ietwat gezelliger aanblik gegeven, al is het dan maar voor een paar dagen. Serg. Majoor Dokter  heeft me weer een beetje achter de vodden gezeten. Vanmorgen weer een waarschuwing van hem ontvangen. Hij is een model dienstklopper en ik een 1e Klas drukker. Hij lokt maar uit, maar ik reageer er geen pest op. In Indie zal hij wel anders worden. Zoo niet uit zichzelf, dan zal een ** ander hem dat wel bijbrengen. We moeten samenwerken. Nou ik wil wel maar niet op een manier zoo hij het hier bedoelde , met sarren en plagen kom je niet ver majoortje.  Model militair worden we toch nooit. Het wordt tijd dat we wat gaan verdienen en aan eigen gezin gaan denken en geen soldaatje spelen op den ouden dag. Vandaag een kaart van Corry en Marianne ontvangen. 27 Febr. Vanochtend de 15e en 18e Compagnie en 4e E en M pel vertrokken, hun boot heet de Zuiderkruis. Ronda, de Wit, de Fries, Slot en Schaap, onze vriendenclub foetsie. Cas zijn vrienden zijn ook weg. Waaronder  vallen Boller, Dussel, Jee,  Doetz, Ellenbroek en Alblas. Zij gaan naar Java. Meester Cornelis aflossing  2e E en M Pel en Palembang.  Vandaag inspectie  uitrusting en aantreden gepakt en gezakt. De jongens zijn erg rustig op onze kamer en lopen vandaag geen straf op. De S.M.U. kreeg van-daag een nieuwe scheldnaam van kapitein Fransen en wel het rotte appelen peloton. Nu ligt alleen het 14e G.V.C  nog in het kamp het is erg stil geworden na het wegtrekken van Compagnieen. Wanneer je hier nog soldaten tegenkomt dan hoor je alleen nog de leuzen “ Ga je mee dan naar Medan”. Op de 30 man S.M.U. na gaat alles naar Medan. Vanmorgen brande het overal in het kamp. Het leek wel of er vreugdevuren  waren ontstoken.  De 15e en 18e hebben denk ik het oude achter zich verbrand om aan het nieuwe te beginnen. Vele dennenbomen kunnen ze hier wel omhakken. De grote dag. 28 Febr.  Vandaag de dag van ons vertrek. Om 4,5 uur reveille, na een nacht van bijna niet slapen. Nadat we ons gewassen hebben, gekamt en stroozakken uitgeschud kreeg ik de eerste wacht over het stroo. Een grote berg ** lag nog geen 10 meter van onze hut verwijderd, de wind stond heerlijk in onze richting  en een stelletje jongens met het plan om brand te stichten. Prachtwacht. Een binnenstormende majoor vroeg of ik de wacht op me wilde nemen. Nou ik nam maar gauw het 1ste half uur dan was ik er tenminste meteen weer vanaf. Alleen de vier oudste jongens kregen de wacht dus Wim, Ton, Cas en ik. Wacht van 5:45 tot 6:15 uur. Daarna dekens, stroozakken en kussens inleveren, waarna apel en vertrek. Om 8.45 uur vertrek naar het station Gilzen- Rijen. De cantinewagen deelde daar 10 Engelsche sigaretten en een reep chocolade uit en toen de trein in nadat we hem natuurlijk eerst flink volgekalkt  hadden. De trein zette zich in beweging omstreeks 9.30 uur. Overal  op het land en de steden waar we die ochtend door- reden zwaaiden de mensen ons een laatste vaarwel toe. ** Vanaf het station Maas tot aan de Merwede –haven was het ontzettend druk. De trein reed hier enorm traag en langzaam over de gladde, glimmende ijzeren rails. De verloofden, moeders en vrouwen  stonden overal op de treeplanken naast de trein en spraken de laatste innige woorden, laatste zoentjes werden gegeven en de laatste tranen mochten ze van elkaar wegwissen. Dan de grote, statige zwarte boot de Volendam. In de loods van de Merwedehaven  kregen we na de koffie nog  2 pakjes Eng sig en na nog een foto gemaakt te hebben stapten we aan boord van onze lobbes de mijlenverslinder. Een ruim in het voorschip was ons onder- komen met bagage en al en gedurende de hele reis van 2 tot 9 uur  vrij bezichtigen van het hele schip. Nou een groot bakbeest. Met in het midden de accommodatie voor off onderoff geneesk troepen en mill politie. Wij genisten, technische troepen en infanterie behoren tot het opperwezen** van het slagveld en mogen in de vuile vunzige ruimen op elkaar gepakt de overtocht wagen. Het eten wat we vanmiddag kregen was goed, ik hoop dat dat zoo mag blijven. Om 5 uur sloepenrol voor al de mensen aan boord.  Direct daarna het signaal tot vertrek. De mensen stonden in grote getale voor de hekkens van het haventerrein te duwen afgezet door de M.G. Bij de tweede fluitstoot  barste het volk door de hekkens heen en liepen M.E  en alles onderste boven. Ik dacht geen bekenden meer te zien, toen ik plots mijn naam van de kade af hoorde roepen en zag Frans Miltenburg staan. Dan plots een heel stelletje waaronder Pauw met z’n meisje en meneer Langerak. Lang hebben we gezwaaid naar de mensen die op de kade stonden tot we hen niet meer konden onderscheiden. Vlak daarna begonnen de sterren het firmament te sieren en de lichten ** van de stad Rotterdam en werven en haven leken opgestoken.  Alles leek ons te willen sarren met hun vrolijk getwinkel, de brulboeien deden hun geluid horen  en de lichtboeien vergelden  lustig heen en weer, maar in ons hart was geen tinteling en licht.  Het was adembenemend stil daarbinnen, denken en doen kon je niet. Alleen een tikkeltje onverschil-ligheid kon je in deze situatie een beetje redden. Soms hoorde je naast je een diepe zucht  en een   klacht: “ Daar gaan we nou voor twee jaar en nog langer “. Of het zuchten waren van opluchting  of lucht geven van hun zwaar hart weet ik niet, maar wel weet ik dat het niet meevalt in het begin en dat we allen met  een adembenemende spanning zijn bezeten.  Water is het  weldra het enigste wat we voor ons zien, de vuurtorens van Hoek van Holland is het laatste wat we van Neerlands vasteland te zien krijgen. **  Ook dezen zijn weldra in het niet verzonken, weg Holland weg. Een nieuw leven begind een leven van schrijven een leven van tropische hitte’s  en koude harten. De loods wordt even afgezet  en 50 meter van ons ligt de loodsboot, met zijn zoeklicht op het water schijnend tussen onze en hem in. Daartussen golft het water eindeloos door. Het is windstil en een dunne mist hangt over het water. Het is erg fris aan het dek maar alles lijkt nog zoo op een sprookje. Ik heb net een idee of het nog geen werkelijkheid is. De loods wordt aan boord van zijn schip gehesen. Het grote zoeklicht beschijnt even onze commando toren met zijn felle lichtbundel. Daarna stoot onze stoomfluit  zijn laatste afscheids-groet  er uit welke beantwoord wordt door de loodsboot. Het zoeklicht  schiet weer aan en de licht-bundel gaat nog een keer **  heel langzaam van het voorste puntje langs de romp naar de achtersteven van onze boot , nog een korte maar hartelijke dank je wel van onze boot met zijn zware sonore fluit en dan zoekt elk zijn eigen weg. Het duurt maar een kwartiertje en dan is alles eenzaam en stil. Alleen het klotsen en ruisen van het water is het enigste wat er van de zee tot onze oren doordrinkt. Vaarwel Nederland vaarwel. Om 8 uur kruipen we allen onder de wol, moe en afgemat van de spanningen  welke deze dag op ons heeft losgelaten. Welterusten.  29 Febr. Het is zondag. Om 6 uur reveille. Vanmorgen om 4 uur waren we langs Dover gekomen. Om half zeven was er een H Mis en om kwart over zeven ontbijten. Half negen moest ik aanwezig zijn voor korve welks voor half tien klaar moest zijn, waarna ** we de gehele dag onze gang konden gaan. We hoeven de hele bootreis met 5 man en een korporaal niet op apel. De meeuwen dartelen in de lucht of laten zich spelend drijven op de golven. Je ziet ze omhoog gaan, dan op het topje van de golven om vervolgens weer achter de golf aan ons oog weer ontrokken te worden. Er zijn genoeg bekenden van mij aan boord en we hebben met een stelletje  over de Achter- hoek zitten te babbelen en hebben samen over de diversen dekken rondgedoold.  Gert Vet, Booiman, Maatman, Lambert, Aalders en Hakvoort en Brugman enz vele bekenden die hetzelfde lot beschoren zijn. ’s Middags om 2 uur het eilandje Wight in zicht. Het is een mooi rotseilandje met hoge bergen erop en grote dorpen met niets dan hotels. In het midden, op de hoogste berg staat een groot zendstation met 3 hele hoge en grote ijzeren **  zendmasten.  Om 5 uur kwamen we in het richtige oceaanwater  en begon de lichte deining. Daar we nog nooit op zee zijn geweest  vonden we het al vrij aardig schommel-en.  We hebben nog geen zee benen dus we staan radicaal onvast. Om 7 uur waren er al aardig wat zee-zieken. Om 8 a 9 uur waren we recht tegenover de landingsplaats te Cherbourgh, gekenmerkt door 3 grote lichten die de landingsplaatsen van het geallieerde leger nog aangeven. 1 Maart. Om 6 uur vanmorgen de Golf van Biscaye  ingevaren. Vannacht om de punt van Bretagne en Brest heengevaren. Het weer is prima. De boot deint een beetje harder als in de Atlantische Oceaan. Waar de meesten niet tegen kunnen. Er zijn deze ochtend  enorm veel zeezieken, welke allen hun maaltijden aan vadertje Neptunus offeren. Natuur door het  ver- ** keerde gat. Velen kunnen bijkans niet eten. Tom en ik eten voor 3. Wim is ook beroerd in orde. Om 6 uur weer voor het eerst land in zicht en zagen we aan bak-boord de vuurtoren van Finistre.  Thans omzeilen we weer een uitstekende rots. Aan de horizon onder-scheiden we donkere silhouetten van de rotsachtige kust van Frankrijk. 2 Maart. Niets dan water anders zien we de hele dag niets. Onze enigste afleiding is dat er veel boten met ons opvaren. Soms liggen we met zessen bij elkaar.’s Avonds om 9 uur zien we het sein van de 3 vuurtorens van het eilandje Berlano  in de golf van Bise. De zeeziekte is bij de meesten over. 3 Maart. 6 uur  komt ’s morgens Kaap Vincent in zicht . We varen er heel dicht langsheen en kunnen de holen in de rotsen zien ** Boven op een vooruit-stekende rots zien we een grote vuurtoren waar we dan ook maar 500 meter van af  zijn. Prachtig gezicht. We varen tot 10 uur onder de kust. De deining is veel heviger dan in de Golf v.Biscaye. Thans varen we langs de Spaanse kust. Nog een vuurtoren zichtbaar om kwart over zeven. Om 10 uur varen we in de Straat van Gibraltar. Eerst komt aan stuurboord  de stad Tanger- Marokko in zicht. De wind loeit en raast in de touwen en de flanken van de boot smijt bij daling het water minsten 10 a 20 m van zich af . Het lied van de zee heeft een forte bereikt . Velen liggen weer zeeziek. Ik kan maar niet tot rust komen en ben niet van het dek af te krijgen door de M.P Ik wil de zee zien. Een machtig gezicht dat golvenspel in de Straat van G. De avond en de nacht is niet zoo koud meer. We varen een tien minuten voorbij Tanger dan zien we aan bakboord heel in de verte zo nu en wanneer het schip hoog word opgebeurd  de lichtstraal van een vuurtoren. Een van de bemanning  zegt dat dat Gibraltar is. Het is 10.10 uur dat de M.P me bij de mouw pakt en me naar beneden dirigeert. Een kort avondgebed en dan maffen. 4 Maart. Sterke wind. De boot ligt met zijn voorsteven in de wind. We deinen behoorlijk. We hebben deze mor-gen geen kust gezien. Onze koers is thans recht naar het Oosten. De dag gekort met poetsen en bren-les. In de zon en achter de wind is het heerlijk warm. Geen activiteit dan maar vroeg naar bed na eerst gezamenlijk rozenkrans gebeden te hebben. 5 Maart. ’s Morgens om 6 uur staan we aangetreden voor sport. De horizon is afgezet met hoge bergen van het kleine Atlasgebergte wat een prachtig natuur tafe-reel  ons ten toon spreid. Woest bergland welks ruggen steil in zee afdaalden en zoo verschillende baaien en kapen vormden. Groen en grijs overkoepeld met een heldere blauwe lucht. Alle lof en eer aan de hand die dit alles geschapen heeft. Er zijn tot nu toe geen mensen gevonden die deze prestatie ge-leverd hebben.  Geen macht is tot zoo iets in staat. Achter het kleine Atlas geb rijst hoog en statig de toppen van de grote Atlas geb. Enkele leken wel met sneeuw bedekt. Vele toppen waren onzichtbaar door de wolkenbanken die om die toppen hingen. Dit gebergte staat bekend om een hele oude gletscher of Romeinse legende die verhaalde dat daar een man woonde van enorme omvang  grote en kracht in staat zijnde de hele wereld op zijn schouders te torsen. In Europa kennen wij zijn afbeelding wel op Carps garens  en Atlas draaibanken en andere werktuigen.  We passeren hier verschillende kapen o.a. Kaap Bon en Buccanier. **  Om 7,5 uur draaide er een film voor het E en M pel.  6 Maart. Vannacht om 12 uur zijn we de Golf van Bougie in gevaren. Om 3 uur vannacht  Bizerta gepasseerd, de grote marinehaven uit de Noord Afrika strijd, waar de laatste resten van het Duitse leger in zee gedreven en verdronken zijn. Bizertha ligt voor de haven van Tunis. Wanneer je nu dat land daar op een afstand ziet liggen denk je nog eens terug aan de bezetting van Nederland. Hier verdronken duizenden moffen bij hun vlucht naar Sicilie en bij ons verdronken er duizend en nog meer Engelsen door het water op de Zeeuwse eilanden. 10 uur Pantelaria in zicht weer een belangrijke plaats uit de Rommel periode en de opruiming daarna. Malta en Goza waren alleen maar na zonsondergang  waar te nemen aan hun vuur-torens. Malta ook wel het onzinkbare Engelse vliegtuig moederschip dat dankzij ** de taaie tegenstand van de Engelsche soldaten bleef behouden en zoo een beslissende rol speelden in de nederlaag  der asmogendheden. Het “ Mare Nostrum”  van Mussolini  leed er schipbreuk op. 7 Maart. De hele dag niets dan water en nog eens water. Voor het eerst zolang we op de boot zitten eens een kaartje gelegd met een Enschedeer Wekking. Vandaag weer zoo’n dag wanneer ik thuis kwam en ’s avonds naar mijn meisje ging. Na het avondgebed.[ wat we alle avonden gezamenlijk bidden  op het promenade dek] was er aan de andere kant van dat dek  cabaret door onze jongens zelf in elkaar gezet. ’t  Was prima en we hebben dan ook wel genoten. De dagen vliegen om. Dat komt omdat we iets zien en meemaken wat we nog nooit gezien hebben. Wie niet mee is geweest kent het  leven aan boord niet. Elke dag zijn we verder van huis. **  8 Maart. Dit is de laatste dag voor Port Said. Voor post naar huis is dit ook de laatste dag. Alles is dus druk in de weer om nog gauw een groet over te zenden. De hofmeester is mij zeer goed ge-zind en sprak de mogelijkheid uit om me weer mee terug te nemen. Nou hij mag het van mij proberen maar dat lukt hem toch niet. Het leger heeft me niet voor niets buiten mijn lichting opgeroepen. We hebben de hele dag geen land meer gezien. 9 Maart. ’s Morgens water en lucht. Om 4 uur lopen we Port Said binnen. Een heel bijzondere aanblik. Echte palmen en Egyptenaren met rode fez [ een doosje conisch toelopend wordt op het hoofd gedragen]. Terwijl we naar onze ligplaats worden geloost door onze loods passeren we verschillende mooie en grote gebouwen. Het eerst wat ons aandachtig ** oog trekt is de moskee met zijn halve maan op de spits. We zien dus het eerste mohammedaanse teken. Het gebouw  van het havenhoofd  en administratie plus  politie is een machtig in oosterse steil opgetrokken gebouw, daarna volgen de KLM kantoren, Phillips, de Witte, de Nederlansche scheepvaar en de Algem. Handel, dan volgd aan bakboord  de vrachthaven waarachter wij vlak achter voor anker gaan om te tanken. Wij blijven in de vaargeul liggen. De postboot met zijn rood, wit blauwe banden om de postzak-ken toert langszij en wordt met entousiasme door ons toegejuicht. In onze gedachten flits het. Post van thuis. Post van onze liefsten en dierbaarsten in het vaderland achtergeblevenen. De ss. ‘’Volendam” ligt stil en rustig in de haven vastgesjord aan heel dikke kabels en touwen. Er omheen zwerven honderden kleine bootjes die beladen zijn met allerlei snuisterijen. **  De havenpolitie is zeer actief. We liggen ook maar net vast of het gesjacher en gekongel begint. Hollands geld willen die lui zien. Het is een ge-schreeuw en getier van je welste. Het is bieden en afdingen enz  Alras zijn er van die goochelaars aan boord, die een ei in een kuiken veranderen enz  Ali Baba is alras door ons overgenomen. Bovenop het promenade dek staat een kraam met nou letterlijk alles te koop. Zonnebrillen, Engelsche sigaretten, poefs , leren tasjes, portefieulles , sigarettenkokers noem maar op. De stad zelf bied een prachtige aan-blik.  Alles lijkt zoo rustig en vredig. Er zijn enkele van onze zeebonken de wal geweest  maar waren in een ommezientje  weer bestolen en beroofd weer terug. Avontuurlijk en sprookjesachtig. ’s Nachts was het zo ongehoord stil en sliep alles rustig onder ruisende palmen. ** 10 Maart. Zengende warmte tussen de woestenijen om het  Sues kanaal.  Marine vaartuig in het Suezkanaal.  Om 7 uur gaan we weer varen en begint de tocht door het Suezkanaal. Langs het kanaal liggen aan weerszijden spoorlijnen. Links is alles zand en woestijn en is Arabie. Rechts is het begin vruchtbaar en vooral de Nijlvlakte welke op de foto van het marinevaartuig zichtbaar is. Het vlakke land daarachter is dat z.g.n Nijlvlakte. Overal ziet men  grote kuddes schapen. De schaapherders lopen hier nog met die zware pijen aan een herdersstaf in hun handen en een grote hond in hun nabijheid. Hier en daar liggen enkele karavanen in de troosteloze eenzame zandvlaktes. In de hete middagzon is er alles tot rust. De zon brand hier al flink op onze hoofden. 12 uur tot 3 uur is het aan boord ongenietbaar heet. De Arabieren zijn viezen lelijke en onzedelijke lui. Wanneer er een schip met blanke soldaten passeert dan beuren ze hun rokken omhoog en daar ze geen broeken aan hebben zie je dan de blote lichaamsdelen, waarbij zij nog de schunnigste houding aannemen die maar denkelijk is.  Ik geloof niet dat dat volk enig schaamtegevoel bezit. Wat de natuur betreft was het voor ons net zoveel als lente. Wij zijn in de winter terwijl alles dor en schijndood was. De vogels zongen niet in Holland. **  Rechter oever Suezkanaal. Engelsche bewakingsposten. De groepjes mensen op de foto links aankomen lopen zijn Engelsche soldaten. Die links tegen dat hek staat te leunen en onder aan het water zijn ook militairen. In het midden op de foto de Arabieren rechts een Engelsche legerauto. Voor de auto is een aanlegstijger voor de bevoorrading van die post. Die korte bomen zijn olijfpalmen.   En vanmorgen hoorden wij een vogel het krieken van den dag begroeten. Wij keken naar buiten en keken zoo in het groene lover van de palmen. Dat heerlijk beschenen werd door de opkomende zon. **   Militaire post van het engelse bewakingstroep Suezkanaal. Geheel rechts op de foto het overzet pont als verbinding tussen Arabie en Afrika.  Missie-post van katholieken. Kerk met klooster aan het Suez kanaal.  Controlepost voor de vaarsnelheid. Wordt gecontroleerd langs radio- grafische weg.  ** Rustig glijd onze boot langs vele bezienswaardigheden.  De rechter oever is prachtig, de linker dor en kaal. Ik heb me een plaatsje veroverd waar ik de linker zowel als de rechter oever kan bewonderen. ’s Middags komen we aan het Bittermeer. Hier ligt een herstellingsoord voor Engelse mili-tairen er dicht tegenaan ligt een groot kampement van hun. Een kilometer of 7 terug ligt het grote monument van de ontwerper van het Suezkanaal. De “Volendam” passeerde zijn vriendje de goeibrug ook nog. Hij heeft er al eens kennis mee gemaakt. **  Brug over het Suezkanaal.  Altijd word er in dit kanaal gebaggerd omdat de kale woestijnwind het zand meeneemt en het in het kanaal stort. Het ontspanningsverlof en herstellingsoord vlak voor het Bittermeer.  Om 10 uur  ’s avonds zijn wij het Suez-kanaal uit en zijn in het water van de Rode Zee. Een grote verlichte stad is het laatste wat we ervan zien en wel de stad Suez.  **  11 Maart. Om 7 uur passeren we de berg  Sinai aan bakboord zijde. Aan stuur-boord zijde vertoonden zich ook machtige bergen, sprookjesachtige rotswerken, prachtig beschenen door de ochtendzon. De wonderen van Gods vrije natuur waren hier tentoon gespreid. Dit alles doet me denken aan de film “ De Dief van Bagdad”  Ja, deze film is in deze omgeving gemaakt of het moet deze omgeving voorstellen. We zitten nu in de beruchte Rode Zee. In de loop van de dag zien we nog enkele eilandjes voor de rest is het zee, lucht en drukkende warmte. Bij zonsondergang zien we de zon gewoon in zee wegzinken en de groene streep schoot net zoo snel als de zon weg. Dat verraad dat we het land als tropisch kunnen noemen.  **  12 Maart.  Vandaag de verjaardag van mijn moeder. We zitten op zee tussen water en nog eens water, ver van huis en het feest nu maar af. Feest nou daar kan ik vandaag niet aan denken. De boot trekt er zich geen pest van aan. Zoo moet ik nu ook maar nergens aan denken en maar verder. Verder met de gedachten werk en tijd. Anders komen we nooit. Vandaag geen pest te beleven.  13 Maart. Water en Water, Zon en hitte. Verder niets te beleven.  14 Maart. Vanmorgen zijn we Perin gepasseerd en laat in de avond de Arabische handelsstad Aden. Voor de rest warmte zon en water.  15 Maart.  Enkele eilandjes gezien en  ’s avonds een prachtige sterrenhemel. Wanneer je dan de ligging van de verschillende groepen zie en je hebt er in Holland naar gekeken **dan ontdek je dezelfde groepen weer terug. Alles is anders, maar dat veranderd bijna niet. De ligging onderling blijft hetzelfde. Alleen de maan staat andersom en het sterrenbeeld natuurlijk ook.  16 Maart. Vanochtend een stel eilandjes gezien welke allen precies dezelfde vorm hadden en veel gelijkenis op Helgoland hebben. Ze waren behoorlijk hoog en leken van boven gewoon vlak, het was net of men een 8 tal van dezelfde tafeltjes in zee had neergezet.  17 Maart. Water en lucht. Anders niets bijzonders. We vullen de dag met lessen en militaire instructies. 18 Maart. Idem. 19 Maart. Vanmiddag zijn we de  “ Willem Ruis” het vlaggeschip van dezelfde ** Maatschappij tegen gekomen. Dat was werkelijk een prachtige afwisseling in dat eenzame stuk van water zonder merkbaar land. De afstand tussen onze boot en de Willem R was hoogstens 2.00m. Op zee lijkt dat zeer kort en in afstanden vergist een leek zich behoorlijk. Onze boot lag enorm schuin, doordat allen getuige wilden zijn van dit machtig Nederlands vertoon onderling. De begroeting was weer per stoomfluit en van de W.R per sirene. Korte en lange stoten weergalmden over het water, terwijl die twee grote monsters lang elkaar heen schoten. Er steeg een gejuich op van alle soldaten van ons schip en alles zwaaide. Van de W.R dito. Het gevoel van terugkerende Nederlander en wegtrekkende Ned had op zich een zekere plechtige stemming aan boord veroorzaakt. Velen waren dan ook leren na dit moment nog diep onder den indruk en **  bijna geen gesprek van vandaag of het was over de “ Willem Ruis”. 20 Maart. Geen nieuws aan boord.  21 Maart. Colombo aangedaan. Hetzelfde gesjacher als in Port Said. De arabier is duur en gemeen in den handel, doch deze mensen zijn heel anders en veel eerlijker. Onder de boten die in de haven lagen, lag nog een Hollandse boot de “Poelau-Laut”.  Op de voorgrond de vuurtoren aan de ingang v.d haven v Colombo op de achtergrond de haven Links op de foto het kielzog van een boot die voor ons de haven binnen loopt.  **  “de Pilote” boot welke de loods aan boord brengt.  Brits-Indier als havenarbeider bezig met het vastleggen van een tankboot v.d  Shell.  Twee olie boten 1e een pompboot  2e aanvoer boot  op de achtergrond 3  water-boten.    **   Het duurde niet lang of men moest goed goed uit zijn ogen kijken wilde men niet een keer-tje een schuiver over het dek maken. Bananenschillen maakten weldra het lopen gevaarlijk aan boord. Verschillende sloegen tegen het dek. Ananas, Cocosnoten, bananen en sinaasappelen werden er door de jongens bij tientallen verorberd. Om 10 uur was er een H.mis op het promenade dek. Ik denk dat de meesten er niet met volle aandacht bij waren, er kwamen diezelfde tijd weer een paar schepen binnen en ongelukkig genoeg een Braziliaans passagiersschip en de mensen zwaaiden ons hartelijk ter begroeting toe telkens zweefden onze gedachten tussen de boot en het altaar voor ons . Zo’n H.mis heeft lang niet de aandacht die het verdient. Toch tracht ik zoo aandachtig mogelijk bij de Mis te blijven. Het  lukte niet altijd . Om 11,5 uur kwam er een onderzeeer binnen van de patrouille.  ** Schepen in de Haven Colombo.  Met  sjacheren verkregen Ananassen,  Cocosnoten en Bananen.  Veel Fruchten eten van eigen centen en een slechte waardering voor het werk van de scheepskok dien dag. ** De gehele dag zag je lekker smullende troepjes soldaten op de dekken rondtippelen of tegen de reling aan liggen. Om 4 uur in de namiddag vertrokken we uit de haven en zetten onze reis weer voort. De hele avond koersten we langs de kust van Ceylon. Treinen en stations volgden we op enkele kilometers afstand van de kust. De duisternis viel in. Als donkere silhoutten aan de horizon zagen we het laatste van eens heel vroeger gewezen Nederlands grondgebied, met zijn ijverige bunkerhaven Colombo.  22 Maart. Het land is verdwenen en water, zon en lucht is weer ons lot. Alleen dat de zon warmer is dan in het begin van de reis voor de rest alles het zelfde. Grijs groen water en blauwe lucht. Vandaag weer een zuster jarig. Thuis weer feest.  Annie proficiat. **  23 Maart.  Geen nieuws.  24 Maart.  Om 5 uur lopen we de haven van Sabang binnen. Het is een mooi eilandje. Om 5,5 uur lag de boot vast. Vele Hollandse militairen stonden aan de kade en begroeten ons bij aankomst. De bemanning en de Kamerwachten gingen ’s avonds aan wal.  Een paar jongens van de K.N.I.L.  en indo’s van geboorte babbelde tegen ons de eerste woorden maleis. He wat voelde ik me hulpeloos tegenover hen. Hij kon nogal behoorlijk veel Hollland.  Toch waren er veel woorden bij die wij natuurlijk niet verstonden. Hij vertelde ons dat in Medan een stuk of 5 bioscopen stonden.  25 Maart.  Vanmorgen om 7 uur gingen we aan wal. Voor het eerst weer vaste grond onder onze voeten. We gingen een wandeltochtje maken en hadden een tros pisangs in den arm. De hele boot was zoo goed als leeg  gestroomd. Vele troepen militairen kwamen we tegen **die hun benen nog weer eens  uittrekken .  Wim Langerak  turend naar de wal geleund over de reling op de achtergrond land waar achter de kampong Sabang ligt. In kleine toko’s langs de weg kochten we pinda’s bananen en dronken in een Chinese toko een glas ijskoude limonade. Ik was in Holland veel koud drinken gewend. Dit was voor het eerst weer een koele dronk in 14 dagen tijds. Vele militairen zagen er nog bekenden op dit eilandje. Terug op de boot keken allen met verwondering naar de voor ons geheel nieuwe natuur. Gisterenavond kregen we nog een paar brieven.  Nou mijn meisje had er ook een paar bij ze waren zeer welkom en er heerste dan ook een heel aardige stemming aan boord. ** Ontschepen van troepen op de rede van Belawan per landingsboten van de genie.  Op de voorgrond de landingsboot vol soldaten op weg naar de kust. Op de achtergrond een patroille vaartuig van de marine. Aan de horizon een Ned. Vrachtboot voor anker.  26 Maart.  Op de rede van Belawan ’s morgens om 8 uur. Om 12 uur ’s middags de eerste ontscheping per landingsboten. Vanaf 8 uur gepakt en gezakt aangetreden gestaan. Om 9 uur stapten we pas in de landingsboten dus stonden we 13 uren kant en klaar. We spraken met de bekenden uit de Achterhoek de laatste hartelijke woorden en namen dan afscheid. ** Het is vandaag Goede Vrijdag en in die avond stappen we van boord af en mogen voor het laatst de handen drukken van vele Achterhoekse bekenden die doorgaan naar Java. Om 11 uur kwamen wij aan wal. We moesten een hele poos rusten en het duurde dan ook niet lang of ik lag languit met mijn hoofd op mijn rantsel en sliep in gewoon op een harde betonnen vloer liggend zonder deken om. Wel heel eigenaardig maar door mijn vermoeidheid voelde die harde betonvloer net aan of ik op een matras van kapok met springveren lag. Wanneer men mij niet wakker had gemaakt, dan had ik er rustig door gesla-pen en hadden ze de andere dag daar een Ulfts jochie wakker en uitgeschud door de zwartjes gevonden. Om 1 uur stapten wij in de trein om naar Poeloek Brayan te boemelen, waar we een onderdak kregen in het genie-kamp.   27 Maart. Paaszaterdag. Vannacht om 2 uur kwamen we dan op de tereinen en loodsen ** van de D.S.M.  De tampatjes stonden klaar en op iedere tampat lag een H.W sigaret.  We spanden meteen onze klamboe’s, spreiden onze dekens over het bed. Ransel diende als kopkussen en gingen slapen nadat we eerst de H-W sigaret opgerookt hadden. ’s Ochtends om 7,5 uur was het weer dag en gingen we ons eens een beetje inrichten. We plaatsten de kastjes, pakten de plunjezakken uit, ransels en broodtassen en begonnen met het inpakken van de kastjes. Een grote kale loods is niet veel mooi’s en gezelligs aan. We krijgen die dag te horen dat we niet bij het 14e maar bij de 8e G.V.C behoren. Kamp v.d 8e G.V.C van de D.S.M  wagenpark 8e en werkplaatsen 3e  E en M Pel. **  Aan den Oostkust van Sumatra [ de bergen ].  De hoofstad van de oostkust is Medan. De stad op zichzelf is aardig en kan voor jong en oud zijn ontspanning wel bieden. Toch zal Medan voor menig militair een “ Dode Stad “ zijn. Waarom zou het leven daar ook aantrekkelijk zijn. Op de eerste plaats zitten velen aan een vooroordeel vast, omdat ze verplicht werden naar de tropen te gaan. Ten tweede voelt een militair in Indie zich niet thuis zoals in Holland. Ook de houding  van den burger ten opzichte van de militair laat veel te wensen over. De Oost is zeer mooi en rijk aan zeldzaam mooie natuurmonumenten. Ik heb tot nu toe alleen maar de Sum. Oostkust gezien en kan natuurlijk over Java, Borneo of de anderen van den Archipel niet mee spreken.  Hier om Medan is ons werkterrein , welke zeer uitgebreid arbeidsveld ** bied. De 8e Genie Veld Compagnie verzet hier na overname van de 1e Veld  bergen werk.  Bruggen worden hersteld en wegen begaan baar gemaakt. Men werkt op het platte land en in de bergen.  Als hulpmiddelen gebruikt  de Genie bulldogers, springstoffen, baliebruggen, ringplaten, 10 tonners, 24 tonners, vlak-machines enz.  Elk persoon van onze afdeling voelt zich dan ook een onmisbare schakel in de ketting. Het is hier warm en wanneer men dan werken moet is men gauw moe en men zweet ook ontzettend. Gelukkig dat hier machines zijn. Maar de mens hoort hier ook bij, om hun te onderhouden.  Een Bulldoger bezig bij het aanleggen van wegen door de bergen.  Dit wordt een geheel nieuwe weg.  **   Het onderhoud geschied in grote werkplaatsen. De centrale werkplaatsen van de 8e staan hier in Poeloek – Brayan  5km van Medan. Hier liggen de Genie magazijnen, stafgebouwen , werkplaatsen en wagenpark, de administratie en het Boss station. Dit terrein met gebouwen zijn in bruikleen van de Deli Spoorweg Maatschappij. Het Electro en Mechanische  Pel en het Staf Pel zijn hier voor vast.  1e 2e  en 3e Pel  8e G.V.C  liggen buiten en dikwijls op een afstand van 150 km. Hetzij in Srantou, Sedang, Brastagi, Merek of Tiga Binanka. Deze jongens liggen ook vaak zo heel erg ver van het een of andere ontspanning- centrum af dat ze wat dergelijke dingen betreft ze zich zelf moeten amuseren. Toch is het wel zeer typis dat deze jongens niet eens zo er graag in Medan zijn en velen zien we hier dan ook nooit.  Ik zelf ken bijna iedereen van hen, omdat ik niets anders doe dan ** maar reizen en trekken. Ik heb ondervonden, dat deze jongens het zeer moeilijk hebben, een slechte postverbinding maar met elkaar zeer eensgezind, onverschillig of men daar met een luit of een sergeant omgaat en of het nou een soldaat is. Daar voelt men dat men elkaar zo erg nodig heeft . We nemen maar eens een werk voorbeeld. Een Bulldozer kan niet schuiven wanneer men niet eerst een baan heeft gemaakt met springmateriaal. Wanneer hij dat wel zou doen, dan donderde je bij een steil stuk naar beneden. Zo is het nu ook met de jongens. Helpen ze elkaar niet in die eenzaamheid dan donderd  ie ook in de afgrond van hem mee.  Een springlading is aangebracht en wordt daarna electrisch ontstoken. Het aanbrengen van het ontstekingsmechanisme. ** Wanneer men daar zo eenzaam ergens verlaten van de beschaving in de binnenlanden ligt, dan zijn er kopstukken en idealisten die zich van alles uitdenken. Ik ga over tot het kampleven van een peloton van onze jongens in Merek. Deze jongens hebben een tentenkamp met cantine en een wagenboks tot hun beschikking. Dat alles is niet altijd geweest. Toen men van een actie tot aan Merek doortrok toen lag daar een stukje vlak terrein, waar men een mooi gezicht had op de bergen. Hier op werden de tenten geplaatst en met behulp van een Bulldoger een soort inrit aangelegd. De tenten was al wat de jongens tesamen met hun uitrusting en slaapspullen bezaten. Heel geleidelijk kwam er een rekstok , een brug en een wagenstaller. De cantine was het laatste wat er nog bij kwam.  **  De bevolking had de streek ver-laten en de soldaten waren de enigste bewoners van dit Batak land aan het Toba meer. Wanneer het donker was, dan zat men te kaarten of dammen, halma of schaken bij het licht van een kaars.  Electrisch licht had men niet. Elke tent borg 4 personen voor de nacht en men had zich maar naar zijn 3 makkers te schikken, wilde men geen eigenaardig en uitgestoten leven leiden. Nadat ze er al een 4 maanden hadden gelegen, kregen ze pas een lichtaggregaat. Toen wij dit brachten was de cantine net een week in gebruik. Heel langzaam kwamen de bewoners van die streken terug. Vele zieken en verhongerden met zich meevoerend. De militairen zijn dan de   Tentenkamp Merek **  eerste hulp verleners. De jongens kunnen hier van alle natuursporten beoefenen. Ze gaan dan ook jagen, zwemmen, wandelen, vissen en berg beklimmen. De voetbal werd zoals overal niet vergeten. Dit zijn dan ook de echte pioniers. Bij  hen kan men zo echt merken dat ze geen mechanisme zijn van een officier of onderofficier. Ze moeten roeien met de riemen die ze hebben. Nou die riemen die ze gebruiken om die becaan van werk over te steken zijn dikwijls niet meer dan een kale lat. Langzaam maar zeker vorderen ze toch en ze komen erdoor, al zijn ze ook talrijke malen terug gedreven door de stormen die hun paden gekruisd hebben. Het klimaat is hier zo ongeveer gelijk aan Holland en men slaapt er ’s nachts gewoon onder 3 dekens. ‘sOchtends wekt je het milde zonnetje en om 4 uur in de namiddag ligt de schaduw van de berg  Si Piso Piso** Het kamp aan de voet van de Si Piso Piso. Deze berg werpt in de namiddag haar schaduw over de tenten op den voorgrond  over deze tenten. Wanneer het regent is de , die 3 meter lager ligt dan het kampterrein een kale. De meeste namiddagen regent het echter. Is het weer echter goed, dan houd men zich bezig met een of andere wandeltocht of sport.  Op deze wandeltochten gaat men heel dikwijls naar een ananasveldje in de buurt. Ook gaat menwel naar de Si Piso Piso om hem eens te beklimmen. Een zig-zag paadje leid naar den top welke is begroeid met een eiken bos. Vanaf het kamp kan men deze bergtoeristen ** heel makkelijk volgen. Het bos bevat veel herten. Volgens de jongens hebben ze menig keer zoo’n hert zien lopen. De toegang tot deze berg is aangegeven met een bordje. Wanneer men dan dat denkbeeldige pad volgd, ik zeg denkbeeldig omdat men zich door het alang-alang  worsteld  waarin een mens niet meer terug is te vinden, dan komt men aan de dunner begroeide voet. Grote stenen, welks omvang wel 10 tot 20 maal groter zijn dan de steen van Lichtenvoorde, versperren je dikwijls de weg, waardoor men dan makkelijk de weg kwijt kan worden. Het is een heksenwerk eerste klas, maar het is sport. Men schrikt al dikwijls als men door zo’n hoog alang-alang moet. Wanneer men dan aan de voet is geland, kan de tocht naar boven worden begonnen, welke maar een uur van hard zwoegen van een sterk ** mens vergt. De waterval op 50 m afstand en 50 m naar beneden afgedaald. Gefotografeerd Ben zelfs aan zijn voet geweest. De weg waar dat aanwijsbord voor deze berg  staat loopt naar Harangoh aan het Toba meer. Onderweg is er een splitsing. Wanneer men nu deze hoofdweg niet meer volgd komt men aan een ravijn, waar doorheen een kalie stroomt. Die ravijn ontstaat heel plotseling en is aan 3 zijden omgeven meer zeer stijle wanden. De achterwand is loodrecht, van daaruit stort het water van een kali naar beneden. Het valt maar 120 meter en is maar 8 meter breed. De val is te vergelijken met de hoogte van de Domtoren te Utrecht. Het is zo heerlijk om daar ** boven naar dat gedruis van dat water te luisteren en te genieten van dat stukje natuur wat daar ten toon ligt gespreid. Het neerdon-deren van glashelder bergwater op de naakte harde rotsen beneden. Machtige natuur en nietige mens. Een twintig meter verderop ligt het einde van deze weg. Het einde nu is een platvorm, ik denk dat dit is aangelegd opdat eventuele bezoekers daar hun auto kunnen parkeren en keren voor een terugreis. Vanaf dit plateau nu loopt een pad welke vol kuilen en gaten zit. Na een dertig meter dit pad gevolgd te hebben, komt men aan de rand van de bergen en kijkt men pardoes in de diepte. Van hieruit ziet men de bergen en de bergruggen van het Drakengebergte in het Toba Meer afglijden. Bergen van 1500 meter hoogte ** zakken daar naar beneden.  Afdalende bergruggen om het Toba  Meer. Het eiland Samos  nog door de extreme misten bezet.   Gezicht op de weg die naar Haranggol leid. Het eiland Kalie waarvan hierboven, van waar deze foto gemaakt is, de waterval ligt  het Toba Meer in, hoeveel 1000 den meters gaan ze nog naar beneden onder het wateroppervlak door ?  **  Geweldige rotsmassa’s welke het Toba Meer omgeven. Enorme hoogtes kijkt men naar beneden, dan is het of daar alles miniatuur is en aan speelgoed gelijk. Afstanden bepalen laat dat maar uit je hoofd, want op een 30 a 40 km afstand kan men niet schatten. Ik geloof ook wel dat men op een 200 a 300 km niet kan schatten. Door deze geweldige hoogte vanwaar we naar beneden turen worden de afstanden zo enorm veel groter. Naar beneden leid maar een weg en een voetpad. Beneden wonen de Toba Bataksen. Er is beneden een post van 15 man en deze worden van Merek uit voorzien. De wagens rijden meestal maar tot aan de 3 sprong. Lopende met enkele dragers en koelie’s bij zich halen ze hun eten, cadien wat ze meer nodig hebben. De weg is wel te berijden maar alleen ** per jeep nog.  De Genie is er volop me bezig ze weer begaanbaar te maken voor een ¾ tonner.  De weg naar beneden. Het is een zandweg. Let op die scherpe bochten. Dat zij nu haarspeldbochten welke het beklimmen van de bergen mogenlijk maken.  400m naar beneden.O, dat gaat nogal maar kom, ik ga ook weer terug. Met een plof laat men zich op zij tampat neervallen bij terugkomst.  **  Hele stukken zijn door de regens en verwaarlozing uitgespoeld. Andere stukken zijn door de extremisten eruit gehaald. Dat gaat hier allemaal zo erg makkelijk, men hoeft soms maar een sleuf van een halve meter diepte en breedte te graven en vaak maar van 3 meter lengte. Een stort bij en het begin is er. Een maand of twee later een flinke diepe sleuf of een steun van een of andere brug, over een ravijn en je staat weer voor een beginpunt. De storm heeft je weer eens teruggeworpen. Een gat is nog niet zo er een brug natuurlijk wel. Een gaat over een tien tonner met een Bulldoger  er op komt voor gereden. De Bulldoger er af en in een zucht zit er weer een stuk in geschoven. Een vlechtwerk van Bamboe zorgd dat de grond niet meteen weer naar bene- ** den donderd.  10 tonner met bull-dozer erop.  Een dichtgeschoven gat in een bergweg.  De natuur levert zelf enorm veel materialen voor her-stel werkzaamheden. Hout, bamboe, zand, steen enz  ** Maar om dit naar de plaatsen van het werk te brengen, moet men een beschikking hebben over meerdere wagens. Daardoor komt het dat de Genie erg veel wagens heeft. Ondanks het onderhoud zijn toch na een 5 jaar op zijn hoogst de wagens stuk en plant men hem na grondig gesloopt te hebben op het autokerkhof.  Een Genie wagen moet door de blubber, over slechte wegen met zeer diepe gaten, gevaarlijke bergruggen en heel dikwijls net als een kerrie door stukken land waar geen wegen doorheen liggen. De jongens hier in Merek zijn dat gewoon en hoevelen zijn er hier niet in Indie die dit ook heel gewoon vinden. Hier hebben ze plaatsen betreden waar geen mens aan dacht om er in hun verlof naar toe te gaan. Dan gaat men naar een verlofcentrum. Het is hier wonderlijk mooi en men heeft maling aan verlof.  **  De Bull-doger aan het werk.  Een door de Republiek gemaakte versperring. Hier ligt weer een klus voor de Genie.  Een weg in de bergen. Overal vind men een geweldige plantengroei. ** Door zo’n leven te leiden, afgesloten en ver van de beschaafde omgeving verwijderd, halen ze zich van alles in hun hoofd. Geld geven ze zeer weinig uit. Omdat ze dan wat overhouden, durven ze het wel aan om voor de grootste flauwekul een weddenschap te gaan houden. Wanneer dan een of ander een last heeft van haarziekte of uitval, dan laat hij zich rustig zijn haren inkorten tot op den huid.  Ze zeggen dan maar weer eens ratskaal er af. Een stelletje omstanders staan alweer te gokken en laten hun voor 10 gulden de haren er ook afsnijden. Men hoeft niet ver-wonderd op te kijken wanneer men, plots een stelletje jongens tegenkomt met een ratkale kletskop, terwijl men een uurtje geleden die jongens nog tegenkwam met een mooie bos haren op hun hoofden, met mooie slagen er in. Ook gebeurt het heel dikwijls dat ze na vijf minuten al spijt van hun daad en treuren om hun mooie golven.  **  Wat inlanders? Neen. Dit zijn Hollandse militairen die een wedden-schap meededen.  Vijf minuten na den knip kon den rechtsen op deze foto nog met moeite zijn tranen bedwingen. Hij is er minstens 3 dagen stil van geweest.   Op de wal in Sabang. Och, wat waren we toen nog broekjes. Wat voelden we toen nog dat we maar kinderen waren. En Nu? Gewend geraakt kunnen we thans wel een duwtje verdragen.  **  Een plezier reisje. Onder ons peloton zitten veel jongens welke nooit eens de werkplaats uitkomen. Wanneer ze nu de reisavontuurtjes welke zo al bij terugkeer wor-den verteld, dan komt bij hen ook dat verlangen. Elke reis brengt zijn nieuwigheidjes mee. Vaak zeer aangename ervaringen, soms zeer onaangename. Er is altijd wat. Een terugkeer wordt meestal op het tampatje bepraat. Dan zitten er jongens bij met langgerekte gezichten, smachtend naar zoo’n reisje. Wij, electriciens hebben dat al van het begin af aan meegemaakt. Op hun initiatief werd dan ook al gauw zoiets in elkaar gezet. De jongens die nog heel niet mee uit waren geweest mochten mee. Bleef er plaats over, dan was dat voor de gegadigden bestemd. Zo gebeurde het dan dat we er op een zondagochtend op uittrokken. Een vrachtauto met een paar harde houten banken er in en daar ging ie. Op naar Brastagi. De bergen in. Voor we de bergen  **     Het reisgezelschap.    “ Ook de wagen er op “ Overal kruipen ze op om maar op de foto te komen  bereikten begon het wegdek te deinen. Het is dan net een gevoel of men weer op de boot zit. Ikzelf heb dat al een keer of 4 meegemaakt. Ik kan het niet helpen maar ik zie die bergen toch zo graag. Na die deining begint de weg te draaien, van links naar rechts wordt je in die wagen gesmeten. De jongens zingen dat het een lust is. Werkelijk men begrijpt maar niet hoe men aan de woorden komt. Zo streken dan komen we hoger.   Op een hoogte van 300 m krijgen we de eerste haarspelbocht. Het klimmen gaat nu sterker worden en de motor staat maar steeds in zijn 2 geschakeld. Enorme plantengroei. We klimmen tot 500 m en dan krijgen we weer een vlak stuk. We suizen er met een rotgang doorheen en komen door het plaatsje Siboe-Langket. Hier vind men de eerste batakken. De vrouwen lopen allen donker gekleed en zijn meest christelijk. Vieze monden ** met afgevijlde tanden erin, rode lippen en monden met sapsleufjes langs de kin van het Sieri pruimen. Zo zijn de batakvrouwen De meesten lopen met een kind op de rug gebonden. Heel velen zie je onder het lopen het kind de borst geven. Oh, wat zou een Hollands meisje of vrouw zich schamen, maar hier is dat heel gewoon. Moeten ze naar den dokter of naar de kerk, deze dingen gaan gewoon door. Hun kind of kinderen thuis laten, nee dat gebeurd niet. Al zijn ze nog zo christelijk maar de macht van boze geesten en het geloof er aan is bij deze mensen er niet uit te krijgen. Dat geloven ze en dat houden ze vol. Een kind af laten stelen door zo’n geest dat nooit, dan maar mee nemen. Een klok vind men in hun hutten niet.  De zon is alles waar men op werkt en slaapt. Is de zon onder dan gaan ze ook op hun rug liggen, nadat ze eerst een ** olie-pitje aangestoken hebben.  Als die geesten zien dat er nog licht brand dan komen ze niet. Ik voor mij moet bekennen, dat zo’n oliepitje prima helpt tegen muskieten. Ze stonken en walmen, dat alleen een mens met veel moed het er bij uit kan houden. Muskieten zijn er zelfs vies van.  Iedere kampong kun je ruiken. Ze stinken afschuwelijk. Trouwens dat doet de stad zo als Medan ook. Nee, daarom de bergen maar in. Heerlijk fris en een heerlijke geur. Heerlijk stil en alles zo misterieus . Onderhand zijn we nu de hoofdbergen genaderd. De Si- Bajak werpt zijn machtige top in de hele blauwe lucht. Zijn hoed is altijd gesierd met een pluimpje rook. Zijn top ligt 2900 meter boven de zeespiegel. Het gebeurd niet dikwijls dat zijn top zichtbaar is. Deze morgen echter wel. Donker en machtig rijst ie ** daar als een afgeknotte kegel de lucht in. We beginnen nu pas echt te klimmen en zien op de haarspelbochten  die bijkans om den andersten ligt de borden staan 6.10 – 7.50 – 800 m boven de zeespiegel. Dan een haarspelbocht en men kijkt de laagvlakte om Medan in. Enorm vergezicht. Hier wordt meteen een foto gemaakt. Ik heb al 4 keer dit beeld gezien en nog nooit genoeg er van gekregen. De jongens zijn er stil van en turen de diepte maar in, dat hebben ** velen van hen nog nooit gezien. Ja hoe kon men dat ook in ons landje ook meemaken. De Postbank in Arnhem is ook een machtig gezicht maar dit is iets wat dat wel 100 keer overtreft. We gaan weer verder en komen na veel draaien en bochten nemen, klimmen en dalen in Bras-tagi aan. Onze achtersten beginnen te branden van het zitten op die houten banken. Het is heerlijk koel. We gaan naar de Cadi Club en doen ons te goed aan stropie met koek.  Al gauw ben ik verdwenen en ga pindablokken halen in een toko aan de overzijde van de straat. Heerlijk smullend kom ik weer binnen, in een minimum van tijd is bijna alles verdwenen,  zie ik ze even later weer terug dan lopen ze allen heerlijk te knabbelen van die blokken. Ze hebben allen honger gekregen en eten maar van dat spul. Nog even een foto maken van een Bataks moment  ** Op het plein in Brastagie.  Een werkje van de Batakkers. Links op de foto twee Batakse mensen.  Een huis in de buurt van Br. Let op de schoorsteen op het dak. Dat is hier nodig omdat de avonden en nachten zeer koud zijn. De bomen die op deze foto staan zijn gewone dennen.  **    en we beginnen rond te neuzen om  Brastagi heen.  We rijden met de wagen naar een hoog gelegen punt om de hoogvlakte te overzien. Na een klein klauterpartijtje komen we op een plaats waarvan men alle zijden kan overzien. We hebben een pracht gezicht op de Si Bajak en Si Boemi, op het Drakengebergte, op de SI Piso  Piso  en de Seriboe Dolok. Men kan niet in de bergen komen of het brand ergens. Die rookpluimen die men ziet optrekken zijn brandende akkers,  rijstvelden en tegen de hellingen de Sawa’s. Men brand ze af omdat de as weer de meststof is. Mest of bemesting doet mijn die velden nooit. Hier in die hoogvlakte van Brastagi ziet men veel grote kuddes runderen lopen en erom heen rijden de bruintjes op hun mooie bergpaardjes en houden het vee bij elkaar. De veehouders en drijvers zijn meestal  **  Hoogvlakte b met de draken bergen op den achtergrond. Die rookpluim onder aan de bergen zij zulke branden. Dat gaat dag en nacht zo door.  Van het zelfde punt genomen maar nu in de richting van de krater de Si Bomi. Die top zit ook meestal in de wolken. Ook deze konden we nu mooi zien.    Brits indiers. Het is een zeer beschaafd volkje en de meesten lopen zeer mooi en sprookjes- achtig gekleed. De mannen hebben veelal lange haren die door een fel rode, blauwe, gele, groene of paarse doek bij elkaar worden gehouden. Men ziet ze zo een beetje altijd in de weer. De mannen heb- ben een zeer mooi en knap gezicht. De vrouwen zijn de zeer en zeer schonen. Alleen zijn die mensen over het algemeen donker bruin en zelfs bij zwart af. Het vee is altijd effen. Gevlekt in rood of zwart ziet men hier niet. Het vee wordt ook altijd open gedreven. Weilanden met afrastering ziet men hier niet. Wanneer men ook met een wagen langs de straat komt dan zal je vaak voor zo’n kudde moeten stoppen  Na nog een halfuurtje hier vertoefd te hebben keerden we huis waarts. Hetzij nog vermeld dat we nog even onderweg een  **   De Kali die we onderweg nog even een bezoek brachten.  Peiler van de brug. De brug. Bij een branjer gaat het water een halve meter onder het wegdek door   een Kali gingen zoeken waar we nog mooie plaatjes van gingen maken. Velen namen gauw de kans waar om er een bad in te nemen. Och, waarom ook niet. Want het water is hier in de bergstreken glashelder. Beneden is het water meestentijds lauw. Hier is het water heerlijk  koud. Er loopt een mooie brug overheen en bene-den zijn zeer grote stenen. Bij een zware regenval is deze Kalie een banjer welke niet te weerhouden is. Ze slepen dan alles mee. Nu is ie echter rustig en we gaan ons eens heerlijk wassen met zijn water. Zijn water smaakt ook niet gek. Met deze Kali hebben ze nog eens echt schik, ze spartelen en dartelen er in rond met zulke kinderen. **  Wim Langerak.     Zaja. **  Op karwei in Goenoeg  Maria.  ’s Middags om 1 uur is het einde van den werktijd. Om vijf voor een komt de comm van het E en M pel met een opdracht en radiotelegram van Goenoeg Maria. Om 3 uur staat het wagentje wat ons er naar toe zal brengen klaar voor de start. Om 8 uur in de morgen van den 26 augustus. Onderweg halen we ergens een aggre-gaat op en brengen het naar boven.  Ja, want  Goenoeg  Maria is een kampong in de bergen en ligt een goeie 900 m hoog. We zijn met 6 man onderweg.. Tot  Loeboe  Pakan gaat het nog, daar is de weg prima ik moet zeggen onberispelijk. Ze is effen glad. Vlak boven de weg trilt de lucht en geeft dikwijls de mening dat de weg nat is. Dat is echter niet het geval, water is er de laatste 3 dagen niet gevallen. Tot L. Pakan ruizen de banden heerlijk. Daar gaan we van de grote weg af en komen ** op een weg, waar men gewoon gek wordt van het rammelen.  De maag wordt omgekeerd en men loopt gevaar dat men grote builen op zijn hoofd krijgt of nog erger een hersenschudding . Dat krijgt men natuurlijk omdat men soms met zijn hoofd tegen de ijzeren staven opvliegt welk een meter hoger dan je hoofd zitten waar er over-heen het zeil zit wat ons voor de eventuele regens moet beschermen. We komen daar door 3 kampongs heen. Daarna  veranderd de weg in een zandweg. Wanneer men niet beter wist dan zou men zeggen, dit is een doodlopende ondernemingsweg. Maar nee hoor, deze weg gaat naar Cilinda een rubberonder-neming en dan daar naar Goenoeg M. Cilinda’s omgeving is mooi, of althans er zijn mooie stukjes na-tuurschoon. Onderweg  stoppen we met de wagen bij een zeldzaam mooi Kali, waar natuurlijk weer het foto-toestel  weer aan te pas komt.  **  Steenmassa’s in de Kali  vlak voor Cilinda.  Glashelder en zeer visrijk is deze Kali. **  Cilinda ligt te midden van enorme rubberbossen. Hier hebben we een machine weer aan het draaien gemaak.  Het is een maan geleden gebeurd. Natuurlijk gaan we hier nog even bij het 5e K.N.I.L want dit de bezetting van de streek. Prachtige herinneringen hebben we er nog aan. Toen we die machine aan het draaien moesten maken, viel dit samen met de Indonesische jaarwisseling.  Nou op dien dag hadden we het apparaat aan het draaien en hadden deze jongens voor het eerst electrisch licht. Die jongens hun vrouwen waren overgekomen en wij waren er ten gast. ’s Avonds te voren hadden we al een   **   Dit is de feestzaal in open lucht. Waar we twee avonden zwaar feest hebben gehad.  ** borrelavond gehad van den sergeant aldaar. De mannen en vrouwen sliepen bijna allen bij elkaar en na-tuurlijk maar met 2 man op een 1 persoons tampat. Er was zowel dag als nacht geen rust. Bij velen slaapt de vrouw maar op de vloer, manlief is de baas en ligt wel lekker op het tampat. De avond kwam en de rijsttafel met zijn plechtigheden kwam ook. Hoe meer men eet, hoe meer plezier of de inlanders er van hebben. Dan genieten ze volop mee. Het was een rijsttafel met 9 gangen. Wat het allemaal voor spullen zijn weet ik niet, maar alles is maar heet van de sambal en andere kruiden. In den beginne aten wij maar met de ogen dicht om niets te laten merken. We vervloekten ons half om half dat we er aan begonnen waren. We waren vijf minuten bezig of de rollen werden omgekeerd. We waren door de brand heen en begonnen toen pas ** te eten, nou ik zou het anders meer vreten noemen dan eten.       Er was door die inlanders geen aanhalen meer, en het smaakte ons zo lekker dat we van geen einde wisten. Nou, ik zat wel heel onbeschoft aan de tafel, maar er was geen mens die er aandacht aan schonk want men was zelf veel te druk. Ik had n.l mijn koppel al afgegeven, mijn bovenbroek al losgeknoopt en mijn onderbroek erbij. Nou er kwam een zware spanning op mijn buik.  Na dit eten begonnen die in-landers te zingen en te dansen en wij begonnen aan den borrel. Nou ik had in bijna geen half jaar meer een borrel aangeraakt en toen zo ineens weer en volop eraan. Nee, dacht ik dat gaat nooit goed. Maar gelukkig ging het wel goed. Door mijn zeer gevulde maag kon ik er tegen. Het was 10 uur toen de inlandse soldaten en met hun vrouwen mooi dronken en niet bang er vandoor  ** gingen. Ze dropen zo stiekum weg en in een ommezientje lagen ze te doezen op hun tampat.  Het was een zeer rustige nacht. Behalve dat deze en gene er zo nu en dan even uit moest om over de tong te poepen, was het rustig. Nou dat mocht ook wel, want de nacht te voren was het geen minuut stil geweest. Men moest eerst weer zijn vrouw onderhouden . De volgende morgen moesten de zwijnen zij weer opgeruimd worden.