WEESP



Het ontstaan van Weesp
De onstaansgeschiedenis van Weesp voert terug tot de elfde eeuw. De naam Wispe of Wesopa duikt voor het eerst op rond 1150. De plaats ligt aan de rivier de Vecht, in die tijd een belangrijke vaarroute. Tot in de loop van de dertiende eeuw valt Weesp onder het gezag van het bisdom Utrecht. Het heeft, gelegen op de grens van Utrecht en Holland een grote strategische waarde en heeft daar ook flink onder te lijden. De omstreden stad wordt, na enkele keren van ‘eigenaar’ gewisseld te zijn, in 1317 definitief Hollands gebied. Daarna ontwikkelt zij zich in sneltempo tot handels- en bestuurscentrum van de streek. Graaf Willem V van Holland erkent het belang van Weesp en verleent de plaats in 1355 stadsrechten.

Plaatje van oude vesting WeespIn 1672 wordt Weesp belegerd door de Fransen. Als die dreiging afgewend is, wordt besloten om van Weesp een echte vestingstad te maken. Samen met Naarden zou Weesp de stad Amsterdam moeten beschermen. Allereerst wordt er een gracht gegraven, waardoor een eiland in de Vecht ontstaat: de Ossenmarkt. De vestingplannen omvatten verder acht bolwerken, waarvan er vier gerealiseerd worden, twee op het eiland en twee aan de zuidkant van de oude stad. De overige vier zijn wel ontworpen maar, waarschijnlijk door geldgebrek, nooit aangelegd. Twee singels markeren nu nog de plaats waar ze zouden komen. Op een recente luchtfoto van Weesp is de structuur van de stad, zoals die aan het einde van de zeventiende eeuw tot stand kwam, duidelijk te herkennen.

De problemen tussen Frankrijk en de Republiek brengt Weesp in de tweede helft van de zeventiende eeuw economisch herstel. Oorzaak is het invoer verbod van Franse wijn en brandewijn in 1688. Er breken gouden tijden aan voor de branders in Weesp. Dit duurt echter niet lang door de tegenvallende graanoogsten. De oogsten zijn in 1698 zelfs zo slecht dat er een verbod op stoken komt. Dit verbod betekent het einde van de branderijen. Gelukkig voor Weesp lukt het distilleerderijen wel om hun hoofd boven water te houden.

De achttiende eeuw
Weesp wordt een stad van tegenstellingen. Het merendeel van de bevolking is arm en economisch gaat het nooit echt goed. Toch is er een klein deel van de bevolking uitermate bemiddeld. Er ontstaat in Weesp een belangrijke regentenstand die vele baantjes te vergeven hebben. De burgermeesters en vroedschappen mogen zo'n 200 banen vergeven, waarvan ze zelf slechts een paar uitoefenen.
Vanaf 1740 begint er een tijd van economisch verval en stijgt de armoede in Weesp. Slechts de vestiging van een porseleinfabriek in 1757 brengt enige opluchting. Uit deze tijd stamt eveneens het befaamde Weesper porselein.

De negentiende eeuw
Het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw staat voor Weesp in het teken van buitenlandse overheersing. De weerstand tegen Oranje groeit in Weesp. Men moet duidelijk niets meer van de Stadhouder hebben. Dit betekent echter wel dat Weesp te maken krijgt met de Pruissische troepen die de Stadhouder, maar met name natuurlijk zijn echtgenote, te hulp schieten. Zo breekt er een tijd van overheersing aan. De Pruissische troepen zijn nog niet verdwenen of revolutionaire legers uit Frankrijk staan reeds aan de poort. De Fransen worden door het volk juichend binnen gehaald en er is vooral feest. Dit enthousiasme word minder na de vele maatregelen van Napoleon; met name de oproep voor militaire dienst uit 1806 veroorzaakt veel onrust in Weesp.
Nadat de Fransen verdwenen waren brak er voor Weesp een zware tijd aan. De stad was verarmd en vele huizen stonden leeg of op instorten. Slechts tijdelijke projecten, zoals de bouw van de lutherse kerk, en het ontstaan van de tabaksindustrie brachten enige verlichting in deze zware tijd. Vooral de jaren veertig waren extreem slecht, aardappelziekte en cholera zorgden zelfs voor opstanden.
De oplossing voor deze moeilijke periode kwam pas na 1850 met de komst van Van Houten. Vanaf dat moment brak voor Weesp een periode van opbouw bloei en industrialisatie aan.