OORZAAK EN GEVOLG



1. De Ziektes

De Pest, ofwel "de Haestige Ziekte"was de oorzaak dat op 27 september 1626 de familie Van Campenhout bijna uitsterft. Andries Pieterz van Campenhout 18-09-1623 is de enige "overlevende" en zijn nageslacht heeft deze Stamboom voortgezet.

Hieronder een artikel over wat de ziekte teweeg heeft gebracht in Holland en de Lage landen.

Leo Noordegraaf en Gerrit Valk, De Gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middeleeuwen,

Het lijdt echter geen twijfel dat een pestepidemie een zeer traumatische ervaring voor een gemeenschap kon zijn. De builenpest, de vorm van de ziekte die Holland in de 17e eeuw teisterde, brengt een erg nare dood en wie eenmaal besmet was had slechts een kans van 20 tot 40% om de ziekte te overleven. Op het eiland Schokland stierf in 1617 meer dan de helft van de bevolking. Tijdens wat waarschijnlijk de zwaarste epidemie in de Nederlandse geschiedenis was, die te Leiden in 1635, stierf een kwart tot een derde van de 56.000 inwoners. In 1624 was al één op de vijf Leidenaars aan de pest gestorven. En in 1655 zou zich dat herhalen. In 1664 stierven bijna 25.000 Amsterdammers. Waarschijnlijk werden dergelijke verliezen snel weer goed gemaakt, door nieuwe huwelijken, geboorten en immigratie, maar helemaal zeker is dat niet. Op korte termijn had dergelijke massale sterfte natuurlijk een ongunstige uitwerking op de economie. De produktie van saaien in Leiden, belangrijk onderdeel van de wolnijverheid daar, nam van 1633 tot 1636 met 30% af. De politiek van de overheid om besmetting met pest tegen te gaan schaadde de handel. Of de pest ook op lange termijn nadelige gevolgen voor de economie had is echter volstrekt onzeker.

Dat alles ontvouwen de auteurs vooral aan de hand van de Gouden Eeuw. Over de 17e eeuw beschikken we ook over meer gegevens, maar men krijgt ook de indruk dat de pest toen heviger woedde. De economische opbloei had tot een grote bevolkingsgroei geleid, zodat de Hollandse steden wemelden van leven. Noordegraaf en Valk stellen de hypothese op  dat in de loop van de 16e eeuw bovendien een omslag optrad in de aard van de pest. Voor 1550 was de pest in Holland endemisch, altijd aanwezig en soms uitbarstend in een enkele plaats. Wellicht was deze vorm van de pest een minder virulente nakomeling van de verschrikkelijke Zwarte Dood uit de 14e eeuw. In de tweede helft van de 16e eeuw werd de provincie steeds vaker getroffen door een uiterst besmettelijke, uitheemse vorm van de pest, die door de opbloei van de internationale handel kansen had gekregen. Vooral na 1590, toen de Hollandse kooplieden in het Middellandse Zeegebied penetreerden, dè broedplaats van de 17e-eeuwse pestgolven, traden grote epidemieën op, die meerdere steden van de Republiek tegelijk troffen. Deze epidemiologische omslag zou wellicht ook het einde van de pest kunnen verklaren. Na 1668 kwam de ziekte in Holland niet meer voor. De inheemse vorm van de ziekte was uitgestorven, terwijl de uitheemse variant buiten de deur gehouden werd. In de jaren 1660 had men in de Republiek voor het eerst een quarantainepolitiek op gewestelijk en landelijk niveau opgesteld.

Al deze hypotheses over de geschiedenis van de ziekte blijven onzeker. In de 17e eeuw wist men dat de pest een besmettelijke ziekte was, maar niet hoe ze werd overgedragen. Eigenlijk weten wij niet veel meer. De pest wordt veroorzaakt door een bacil, die parasiteert op knaagdieren. Om andere organismen te besmetten is een drager nodig. Doorgaans wordt gedacht aan de rat en de rattevlo. De rat besmet de vlo. Wanneer de rat sterft, zal de rattevlo bij voorkeur een andere rat en anders het eerste warmbloedige wezen in haar omgeving bespringen en besmetten. Hier is iedereen het over eens. Onderwerp van felle wetenschappelijke discussie is de vraag of de mens ook op andere manieren besmet kon worden, zoals door de beet van de mensenvlo of van luizen, door vlooienuitwerpselen die in aanraking kwamen met ontvellingen van de huid, of het eten van besmet vlees. De kwestie is niet onbelangrijk, want wanneer alleen de rattevlo kon besmetten, moet de omvang van de pest veel beperkter zijn geweest dan doorgaans wordt aangenomen. Tijdgenoten zouden dan veel sterftegevallen aan pokken, mazelen, dysenterie, griep, difterie en tyfus ten onrechte als pest hebben gediagnosticeerd. Op deze vraag weten ook de auteurs geen antwoord te geven, maar zij neigen er toe aan te nemen dat ook de mensenvlo een rol in de besmetting kon spelen. We weten al helemaal niet of de virulentie van de pestbacil afnam en of vlooien en ratten wellicht in enige mate resistent werden.  Einde

2. De herkomst van de achternaam.

Hieronder wordt beschreven hoe men aan de achternaam kwam.
In het geval van Van Kampenhout, kan het zijn dat men "van Van Kampenhout kwam",
een klein plaatsje onder Mechelen. De plaats Kampenhout is weer herleidt van het bosrijke gebied "de Kempen".  De registratie verplichting van Napoleon zorgt er voor dat familielid Franciscus Van Campenhout (17-06-1772) zijn achternaam wijzigt in Van Kampenhout omdat hij dat waarschijnlijk "sjieker" vond staan.

In den beginne luisterde iedereen naar een unieke naam. Adam (‘mens’). Eva (‘levend met de slang’). Abraham (‘vader van vele volkeren’). Of Noach (‘rustgever’). Maar zoals bekend vermenigvuldigden we ons. Namen kwamen we tekort. De oplossing? Dubbele namen. We komen ze tegen in het Nieuwe Testament waar leerlingen van Jezus Simon Petrus of Simon de Zeloot heten. Of Jacobus de Mindere en Jacobus de Meerdere.

Het tweenamensysteem verving vanaf de Hoge Middeleeuwen steeds meer het éénnaamsysteem. Naast een voornaam mat je jezelf ook een “familienaam” aan. Aanvankelijk waren het vooral vorsten en adellijken die zichzelf een familienaam toedichtten. Voor deze “familienamen” lieten ze zich inspireren door afstamming (‘afstammingsnamen’), herkomst (‘geografische namen’), beroep (‘beroepsnamen’) of persoonlijke eigenschappen (‘eigenschapsnamen’).

Afstammingsnamen gaven een genealogische relatie aan. Dit kon een afstamming van de vader (patroniem), van de moeder (metroniem) of van een persoon uit de ruimere familie (extended family) zijn. Patroniemen werden gevormd met de voornaam van de vader. Aan de voornaam voegden ze het achtervoegsel ‘-zoon’ (of ‘-sone’) toe. Het achtervoegsel ‘-zoon’ verbasterde al snel tot ‘-sen’ of ‘-s’. Zo verbasterde Willemszoon tot Willemsen of Willems. Andere voorbeelden zijn Janssens (zoon van Jan), Hendriksen (zoon van Hendrik) en Pieterse (zoon van Pieter). Metroniemen werden gevormd met de voornaam van de moeder. Bijvoorbeeld Beliën, Luyts, Mariën en Verleyen. Verwantschapsnamen uit de extended family konden De Neve of Ooms zijn.

Geografische namen duidden op de aardrijkskundige herkomst van de persoon. Deze herkomstnamen bevatten vooral stads-, dorps- of streeknamen (toponiemen). Wat dacht je bijvoorbeeld van Brusselmans, Van Kampenhout, Van Leiden, Hollanders of Van Velzen. Herkomstnamen konden ook naar kleinere geografische eenheden (microtoponiemen) verwijzen, zoals boerderijen, velden, huizen, waterlopen en straten: Van Dijk, Uyttendaele, Van Acker, Hordijk en Verhoeven.

Beroepsnamen verwezen naar het beroep, het ambt of de activiteit die de persoon uitoefende.
Zo kunnen we wel raden wat het beroep van Brouwers, De Clerck, Smit en Visser was. Namen als De Meier, Droste en Scholten verwezen naar een ambt. Barbiers, De Baerdemacker, Kuiper, Wevers en Olieslager duidden op beroepen uit het stedelijk milieu. En Bakker, Smets, Mulder, De Boer en Ramakers wezen op bezigheden rondom het platteland.

Het Concilie van Trente (1545 – 1563) verplichtte iedereen een familienaam op te geven.
De kerk trachtte zo geboorten, huwelijken en sterfgevallen te registreren. De staat nam deze “taak” over na inlijving van Nederland door Lodewijk Napoleon Bonaparte. De Franse keizer voerde de "Code Civil" (of ‘Code Napoléon’) in. Met dit burgerlijk wetboek werden de regels voor de burgerlijke stand opgesteld. Het decreet van Napoleon van 18 augustus 1811 verplichtte eenieder zijn of haar familienaam te bevestigen bij het gemeentesecretariaat of een nieuwe familienaam aan te nemen. Einde

3. Het Voogdij-Testament.

Rond 1600 was het gebruikelijk dat, zogauw er kinderen kwamen, de echtlieden een "Voogdij-Testament" lieten maken. Dit had o.a. te maken met hun geloofsopvatting. Omdat men in die tijd jong overleed,  wilde de ouders voorkomen dat hun kinderen in een "anders gelovige" weeshuis kwamen, of door "anders gelovigen" verder werden opgevoed. Einde

4. Het Rooms-Katholieke geloof.

Een oom die in het klooster is getreden of priester geworden is, noemt men in katholieke kringen ook wel een "Heeroom". Dit is een oude aanspreektitel voor priester heer.
Heel vroeger was het gebruik dat de tweede zoon van het katholieke gezin zich tot priester liet wijden. Later was het minstens één zoon van het gezin.
De Heeroom van de familie kwam dan langs om de ouders van de zoon(s) na hun middelbare school een vervolgopleiding aan het semenarie "aan te bieden". Dit werd ook echt als een eer bevonden.

5. Naamswijzigingen door "foutieve" registratie.

*Cornelis Janssen van Campenhout geb. 1666 te Hilvarenbeek. Opvallend is dat in deze tak van de familie de naam Campenhout ook vermeldt wordt als Campenhoudt, Kampenhaut en Kampenhout. In één gezin wordt soms op drie verschilde manieren de achternaam vermeldt: Campenhout, Campenhoudt, Kampenhaut en Kampenhout. De reden hiervoor is onduidelijk. Waarschijnlijk de gebruikelijk "fout" gemaakt door de ambtenaren van de Burgelijke stand bij aangifte van de geboorte van het kind.

6. Grondwet 1815 registratie.

Doordat in 1815 in 's Gravenhage gestart werd met de Grondwet. Is in de familie van Michaël (Michiel) van Campenhout, ged. 02-09-1767 te Oudenbosch, sprake van een gedetailleerde aangifte van geboorte en overlijden. Doordat zijn familie gehuisvest is in 's Gravenhage, zijn de aangiftes specifieker geworden. Nu wordt de geboorte- en overlijdensdatum en als leidend genoemd ipv de doop- en sterftedatum. Als toevoeging wordt nu ook het tijdstip van geboorte of overlijden genoteerd. Zie ook link http://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandse_grondwet#Grondwet_1815