»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»







»

»

»

»

»

»
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»


 

EEN "EXEMPLARISCHE PETITE HISTOIRE" VAN HAAGSCHE MENSEN EN DINGEN DIE REEDS LANG ZIJN VOORBIJGEGAAN ...



 

Dirk Leendertszoon van der Meer verscheen lang geleden op aarde ,  in het jaar 1697 . Dirk moet in de loop van de daarop volgende eeuw in het huwelijk getreden zijn , want hij kreeg in het jaar 1734 een zoon ,  Pieter van der Meer genaamd . Deze Pieter zag het levenslicht in de buurt van de stad 's-Gravenhage , in het toenmalige Loosduinen , om precies te zijn in het buurtschap Eik en Duinen , een buurtschap dat thans , sinds jaar en dag alweer , tot de voorgoed verleden tijd gerekend kan worden :  er schijnt niets meer van te resteren dan slechts een deel van een eeuwenoude muur die zich bevindt op het terrein van de lokale begraafplaats . Het is eerst en vooral de naam van de begraafplaats , 'Oud/Nieuw Eik en Duinen' , die nog de belangrijkste bron van herinnering lijkt te zijn aan het buurtschap van weleer .

Pieter van der Meer trad in het huwelijk met  Johanna Ernst , en kreeg met haar minstens één zoon :  Leendert van der Meer .  Ook Leendert kwam ter wereld in het Loosduinse Eik en Duinen (in het jaar 1772) .  Rond het jaar 1800 trouwde hij met  Gijsje van den Berg .  Leendert en Gijsje werden de ouders van ten minste zes kinderen .  Leenderts leven eindigde op 27 juni 1848 in zijn woonplaats Loosduinen , op de , zeker voor die tijd , hoge leeftijd van 76 jaar . 

 

De nu volgende tekst , te benoemen als een "exemplarische petite histoire" van toenmalige Haagse roomse middenstandsfamilies , is in het najaar van 1993 opgesteld door de heer Quirien van der Meer , een verre nazaat van het echtpaar Van der Meer/Van den Berg   -  Quirien van der Meer is enige jaren geleden gestorven .

Deze bijzondere , gedetailleerde en hier en daar zelfs ontroerende familiegeschiedenis en -kroniek , die bovendien op meerdere plaatsen kan worden gelezen als een sociaal pamflet , én tevens een beknopte stadsgeschidenis in zich bergt , is ons ter beschikking gesteld door de heer Jan van Eechoud , eveneens een verre nazaat van Leendert en Gijsje van der Meer .

Zowel Leenderts dochter Kornelia van der Meer trouwde in de loop van haar leven met een Seijen ten Hoorn (Hendrik) , alsook Elisabeth van der Meer , dochter van Cornelis van der Meer , de twee jaar jongere broer van Kornelia  -  Elisabeth  trouwde met Johannes Petrus Seijen ten Hoorn en kreeg met hem (minstens) 13 kinderen ...       

 

   

Vooraf

Dit is een eerste poging om te vertellen over familie van vroeger.

Het verhaal gaat vooral over mijn grootouders Rinus van der Meer en Anna Beijersbergen.

Vertrekpunt is een foto uit 1924. Mijn opa en oma van vader’s kant heb ik niet gekend. Er wordt thuis niet veel over gezegd. Ze waren veel te vroeg gestorven, in 1935, mijn geboortejaar. Rinus' vader Leendert was in 1840 in Eik en Duinen geboren, Leendert is destijds in 1855 met zijn ouders naar Den Haag gekomen. In 1856 begint hij daar aan de Pastoorswarande een kleine groothandel in aardappelen en steenkolen. In 1881 laat hij aan de Noordwalmarkt een nieuw bedrijfspand, met woningen, bouwen. De laatste Van der Meer's zullen het familiebedrijf in 1956 verlaten. De panden blijven bij de Noordwalvernieuwing van 1980 als "beschermd stadsgezicht" gespaard, ook de herinneringssteen op het huidige nummer 485. Oma Anna Beijersbergen kwam van de spekslagerij aan de Nieuwe Haven. Haar vader Carl was in 1849 in Wassenaar geboren en rond 1875 met het Haagse bedrijf begonnen. De slagerij heeft tot 1923 bestaan. Gelukkig is er een buitengewoon zeldzame foto van bewaard gebleven.


De Nieuwe Haven is sinds het autoviaduct van de zestiger jaren onherkenbaar veranderd.

Mijn verhalen zijn in eerste instantie bedoeld voor wie zich bij de foto uit 1924 betrokken weten. Maar wellicht is het een en ander ook te lezen als "exemplarische petite histoire" van toenmalige Haagse roomse middenstandsfamilies. Jonge mannen en vrouwen van het omliggende platteland wisten zich in het snel uitbreidend Den Haag bij de midden-burgerij een plaatsje te veroveren. Zij maakten zich los uit de plattelands- en schuilkerktijd. Dat betekende wel "sociale controle" door pastoor, parochie en familie. Huwelijken, uitsluitend met geloofsgenoten, werden niet vooral vanuit romantische overwegingen gesloten. Het ging veeleer om praktische, economische en "godsdienstige" belangen. De man bracht met de zonen het geld op tafel. De vrouw moest met de oudste dochters voor kinderen, huis, voeding, verwarming, kleding en bewassing zorgen. Bovendien werkte zij mee in winkel, werkplaats of pakhuis.

Binnen de besloten familie-, kerk- en werkverbanden was men sociaal en economisch sterk op elkaar gericht en aangewezen. Men had elkaar nodig en men was aan elkaar verplicht. In 1920 woont er aan de Noordwal een "Groszfamilie" , zoals dat ook op boerderijen gebruikelijk was. Onheil, ziekte, geldgebrek, verwezing, het wordt in familieverband opgevangen. Stervenden worden thuis verzorgd.

Wee wie buiten de stevig verzuilde klasse-structuren raakt, of zich aan sociale gehoorzaamheid, gangbare gezindheid en gewoonten onttrekt! Vincent van Gogh, die in 1882 de aardappelmarkt Noordwal tekende, is daar een beroemd voorbeeld van. Hij staat alleen, evenwel door zijn broer onderhouden. Het aparte verhaal over oom Albertus Beijersbergen, broer van oma Anna, laat daar ook iets van zien. Zie bijlage 2. De spekslager en zanger en wielrenner zakt in 1930 van de stedelijke middenstand terug naar het arme plattelandssleven. In Stompwijk woont hij "gemengd" en in "concubinaat", met een onbekende vrouw: Maria Cohen. Zij wordt in 1943 in Auschwitz vermoord. Albertus' zus Toos, voorbeeldig ambtenares bij het gloednieuwe GEB, is met haar koninklijke onderscheiding het volstrekte tegenbeeld van haar broer Bert. Op de foto staan zij nog naast elkaar voor de slagerij. Ook over tante Toos een aparte bijiage (Bijlage 1).


Aan onze familie is te illustreren hoe in een kolenpakhuis en varkensslachterij smerig en vuil, zwaar en ongezond handwerk moest worden verricht, lichamelijke arbeid, ook door de kinderen. Het was niet anders en men weet niet beter. Machines waren er nog niet. De eerste badkuip voor de 53 jarige kolenboer Rinus wordt in 1922 aan de Noordwal geplaatst, In 1937 komt er voor zijn opvolger zelfs een douche. Men slaapt dan ook niet meer met drie in een gangkast of alkoof. Men krijgt vier jaar lager onderwijs. De volgende generatie gaat soms al naar de middelbare school, zelfs in een pensionaat. In de generatie daarna volgen sommigen hoger onderwijs, als spoorstudent.


In drie generaties loopt het roomse kindertal terug van 12, via 6 naar 3. Er wordt hard gewerkt, sober geleefd en kleinschalig geïnvesteerd in onroerend goed. Daarvoor sluit men onderling leningen af. Banken zijn voor de rijken. Een vakantie is een uitzonderlijke gebeurtenis. De huwelijksreis van mijn ouders gaat in 1934 naar het Zuid-Limburgse Valkenburg, van vrijdagavond tot zondagmiddag. Een motorfiets, zeilboot of luxe automobiel is vanaf die tijd slechts voor een enkeling weggelegd. Voor sport is nauwelijks tijd, voor wereldlijke kunst ook niet. Kerkelijke kunst en -cultuur bloeien uit tot wat het " Rijke Roomse leven" zou worden genoemd. Dat onze families daarin merkwaardigerwijs niet met eigen paters, broeders en zusters hebben deelgenomen wordt tentatief geanalyseerd.

Soms is er een erfenis. Het regelen ervan kan een familiedrama opleveren, net als het gezamenlijk beheren van het familiebedrijf bij het wegvallen van de oprichter-pionier. We maken in deze familiegeschiedenis overigens ook mee hoe een hele bedrijfstak, de steenkolenhandel, in de honderd jaar tussen 1860 en 1960, opkomt en verdwijnt. ook spekslagerijen bestaan niet meer.

In deze tekst zullen vele belangrijke mensen, gebeurtenissen en gegevens ontbreken. Er zullen zich vertekeningen hebben voorgedaan. Daarom zou ik graag reacties, aanvullingen en verbeteringen ontvangen, teneinde verder aan deze familiekroniek te kunnen werken.

Mijn hartelijke dank gaat uit naar iedereen die mij, in Den Haag, Leiden, Leidschendam, Loosduinen, Rijswijk, Stompwijk, Voorburg, Voorschoten, Wassenaar heeft geholpen.

Najaar 1993


Quirien van der Meer (woonachtig aan de Haagse Noordwal 1935-1956)

 

 

Familiefoto

Het is een echte staatsiefoto. De familie van der Meer-Beijersbergen is van Noordwal 75, nu 485, naar fotograaf Vermeulen aan de nabij gelegen Toussaintkade gewandeld. Iedereen draagt zondagse kleren.

Het is het jaar 1924: Rinus en Anna vieren het koperen huwelijksfeest met hun zes kinderen. Vader is 55 jaar. Links naast de 44 jarige moeder zit de 9 jarige dochter Doortje. Eenjarige zoon Rinus troont op moeders knie. Naast hem de 6 jarige Harry in matrozenpak. Erachter staan de 12 jarige Leo, mijn vader, en de 11 jarige Annie. Rechts Cock, 7 jaar.

Brandstoffenhandelaar Rinus van der Meer had Anna Beijersbergen aan het begin van de eeuw leren kennen in de spekslagerij aan de Nieuwe Haven, waar zij in haar vaders winkel stond. Rinus, rechterhand van zijn vader Leendert, reed regelmatig vrachten cokes van de nieuwe gasfabriek aan de Trekvliet naar de Noordwal. Aan de Nieuwe Haven hield hij dan zijn paard stil en kocht bij Anna een stevig stuk Haagse worst. In 1911 trouwden de 42 jarige Rinus en de 31 jarige Anna, en namen de kolenzaak over. De 71 jarige oprichter Leendert had zijn vrouw Dorothea verloren en ging boven de winkel boven, verzorgd door zijn jongste dochter Marie.





Eik en Duinen

In 1840 was Leendert in het toenmalige Loosduinen geboren en wel in het buurtschap Eik en Duinen, nauwkeuriger: in het gebied van de Haagse Beek waar nu nog boerderij de Wildhoefe ligt en waar tot 1942 de Hoeve "Kranenburg" lag. Straatnamen en huisnummers waren daar in 1840 nog niet.

Leendert's vader heette Krijn van der Meer, een verbastering van Quirinus, in 1814 te Eik en Duinen geboren. Leendert's moeder was Elisabeth Zwaard, van 1811. Ze was bij haar huwelijk van Den Haag naar Loosduinen gekomen, doch geboren in Maasland. Krijn’s vader was ook van Eik en Duinen (1772), zijn grootvader Pieter eveneens (1734). Zelfs van zijn overgrootvader Dirk Leendertszoon van der Meer is nog het geboortejaar bekend (1697).

Nu we toch aan het terugzoeken zijn: wanneer de Van der Meer's vanouds in Eik en Duinen zouden hebben gewoond, dan zou je je kunnen afvragen of zij hun eeuwenoude familienaam wellicht aan hun eeuwenoude geboortegrond danken. In "Meer en Bos" ligt het schamele restant van het heel vroeger veel uitgestrekter "Meer".

Het visrijke water wordt in 1280 in het register van Graaf Floris V het Wijndalermeer genoemd, later ook Segmeer.

Tussen de landgoederen "Meer en Bos" en Zorgvlied lagen aan de zuidoostelijke kant van de Haagse Beek vanouds de boerderijen, c.q. buitenplaatsen Wildhoef, Daal en Berg, Hanenburg en Kranenburg. De landerijen van Kranenburg grensden aan die van Houtrust.

In 1499 is een zekere Huijbert van der Meer Heer van Cranenburgh.

In 1512 wordt hij op de Rijksdag te Keulen door Keizer Maximiliaan verheven tot Edelman van het Heilige Roomsche Rijk. Hij overleed in 1514 en werd te Eik en Duinen begraven. Een nazaat van hem is een zekere Elisabeth van der Meer, in 1659 overleden in Monster.

Of hier sprake is van familie moet nog warden ruitgezocht. Wie zou zich niet een Haagse Heilige Roomse Edelman tot voorzaat wensen?

Ook de heemkundige herkomst van de familienaam is uiteraard niet meer dan een vraag. Er waren in Holland, en in de Lage Landen, meer waterplassen dan alleen in de buurt van Kijkduin.

 

Bosjes van Pex

In het bevolkingsregister van Loosduinen staat vader Krijn, van 1814, opgetekend als landarbeider. Mogelijk was hij naaste buur en ook familie van de warmoeziers en aardappeltelers Pex, waar "de bosjes" naar zijn genoemd. In het register komen we Helena van der Meer tegen, geboren in 1797, gehuwd met Johannes C. Th. Pex. Op de eerder genoemde hoeve Daal en Berg woonden ook Pex. In het buurtschap Eik en Duinen kende men elkaar en als men hetzelfde geloof beleed, dan waren de betrekkingen nog nauwer, Alle hier besproken van der Meer's, en Pex, waren rooms-katholiek. Aan de Haagweg was hun schuilkerk, maar men ging vanaf 1842 ook wel naar het Hoge Westeinde in Den Haag. Een wandeling van een uur was toen een kleinigheid. Men had de tijd.

Leendert, de latere oprichter van de aardappel- en brandstoffenhandel aan de Haagse Noordwal, heeft volgens de mondelinge familie-overlevering als jonge jongen vanuit Eik en Duinen gewerkt op een boerderij bij Ypenburg, of op boerderij Ypenburg. Zoals er in Eik en Duinen Pex woonden, zo woonde er op die Rijswijkse boerderij rij ook een Pex, Links van Hoornwijck liep, met een bruggetje, "het laantje van Pex" naar de betreffende boerderij. Leendert zou van daaruit aanvankelijk vooral melk hebben uitgevent in Den Haag.

Hij zou bijna met de dochter van Pex zijn gehuwd. In plaats daarvan huwde zij later met slager Kempen, uit Roelofsarendsveen.

Volgens het bevolkingsregister is in 1856 tijdelijk in Rijswijk woonachtig: Johannes, Stephanus van der Meer., Deze jongeman woonde eerder, to Loosduinen, in bij Krijn en Elisabeth en dus ook bij Leendert. De twee jongens schelen vier jaar. Ze zijn familie maar geen broers. Zij hebben samen opgetrokken en werkten mogelijk beiden in Rijswijk en Den Haag,vanuit het toenmalige Loosduinse Eik en Duinen.

Noordwest Buitensingel 253 g

Het jaar 1855 is in deze familiegeschiedenis een beslissend jaar.

Het hele gezin van landarbeider Krijn van der Meer en Elisabeth Zwaard maakt een migratie-sprong. Zij gaan wonen aan de Loosduinse kant van Den Haag en wel aan de rand: Noordwest Buitensingel 253g.

De stadsgrens wordt er gemarkeerd door de hoge Westermolens, een scheepstimmerwerf en een houtzagerij. Waarschijnlijk woonden ze "inpandig", dus niet aan de straat, in een niet erg ruim huisje met een huur van zo'n daalder per week. In het nabije, oudere, Kortenbosch wonen dan gemiddeld zeven personen in een woning,

Krijn en Elisabeth zitten daar met hun zes kinderen nog iets boven:

Leendert 15 jaar (1840-1914)

Cornelia 14 jaar (1841-1898)

Maria 13 jaar (1843-?)

Johannes 11 jaar (1844-?)

Dorothea 5 jaar (Moet zijn Theodora (1850-?)

Elisabeth 2 jaar (1853-1934)

(Elisabeth -1953- 12 jaar oudere tante van overgroomoeder Elisabeth van den Oever-van der Meer 1865-1947)
Tussen Johannes en Dorothea was is 1847 Quirinus geboren en gestorven.

Oudste zoon Leendert leert in Den Haag, misschien wel in de Westeinde kerk, of in de Hofkapel, Dorothea Regina van Dijk kennen. Zij woonde Achter de Kloosterkerk nummer 1, nabij het warmoeziersgebied Nachtegalenpad waar nu de Javastraat is. Waren de van Dijk's welvarender dan de van der Meer's? Volgens de familieoverlevering zouden Leendert en Dorothea met Kempen-Pex van Ypenburg op zaterdagavond of op zondagmiddag vaak in Den Haag zijn uitgegaan. Begin 1860 huwen Leendert en Dorothea. Ze gaan inwonen aan het Slijkeinde nummer 15a .

Slijkeinde
Den Haag eindigde daar toen letterlijk in het slijk en in de Stinksloot die in 1829 was gedempt. Er vlakbij is het lugubere Ledig Erf jets verder de Dronkemanssteeg en de Duivelshoek. In de Breedstraat het Beulsslop. Om de hoek is het Slop -van Willem Klei(n). Op het kruispunt Kortenbosch-Slijkeinde-Gedempte Sloot de Gemeentelijke Stadsarmenschool uit 1729. Daaraan grenst Landgoed Swanesteins In 1861 beginnen daar de Broeders Van Maastricht hun concurrerende rooms-katholieke onderwijs op de hooizolder van een paardenstal.

Er wonen in Den Haag 80.000 mensen, twee keer zoveel protestanten als katholieken. In de wijk Kortenbosch wonen 1.000 mensen, merendeels katholieken, zeer dicht op elkaar. Tussen 1850 en 1880 blijkt 35% ervan buiten Den Haag geboren. Van 1830 tot 1840 was dat nog maar 20%0 De niet zeer welvarende migranten, vaak uit grote roomse gezinnen, komen uit Wassenaar, Rijswijk, Voorburg, Delft, en vooral Loosduinen. Stads- en wijkhistoricus Roel Wuite geeft dat in zijn boek "Het Kortenbosch", Den Haag 1990, op pagina 20 aan. Leendert was dus niet de enige Loosduiner in de buurt.

In 1865 wordt oudste dochter Elisabeth geboren, Het is aan de nabijgelegen, eeuwenoude Pastoorswarande waar Leendert in 1866 zijn aardappel- en kolenhandel begint. Het "ouderlijk gezin" verhuist intussen van de Noord West Buitensingel naar het Kleine Veentje 34/ vlakbij, tenslotte naar de boeiender Loosduinseweg nummer 4. Krijn en Elisabeth moeten hebben meegemaakt hoe het hun opgroeiende kinderen in Den Haag is gegaan, niet alleen aardappel- en brandstoffenhandelaar Leendert, ook bijvoorbeeld Johannes, groentehandelaar in de Nieuwe Molstraat. In 1900 overlijdt Krijn, 86 jaar, in 1902 Elisabeth, 91 jaar.

Pastoorswarande

In de familie-overlevering staat Leendert, begonnen als straathandelaar, bekend als grossier die op het juiste moment zijn "handel" goedkoop inkoopt en opslaat. Bij toenemende vraag, afnemende aanvoer en oplopende prijzen verkoopt hij, profijtelijk, aan kleinhandelaren en slijters. Hij is begonnen aan de Pastoorswarande 35, dat wordt 35-37. Van hem is de familie-uitspraak: "Het huis van je buurman is maar een keer te koop," In 10 jaar tijd huurt of koopt hij vervolgens meerdere kleine pakhuizen voor opslag aan het lugubere Ledig Erf, nu Oude Boomgaardstraat-Pieter van de Zandestraat, in de Bakkerstraat bij het Noorderkerkhof en aan de Visschersdijk, nu Torenstraat-Snoekstraat.

Een jaar na de migratie van de Loosduinse van der Meer’s was, in 1856, aan de nabijgelegen Noordwal, deel van de grachtengordel, de Haagse aardappelmarkt gestart. Moesten ze dat? Waren ze daarom naar Den Haag getrokken? Sinds 1860 leverden de Nederlandse mijnen steenkolen, een nieuw produkt. De nabijgelegen Haagse gasfabriek zorgde voor cokes. Na de demping van de Turfmarkt, vanaf 1887, werd aan de Noordwal ook brandstoffenmarkt gehouden. De locatie Pastoorswarande was dus gunstig en de opslagpraktijk winstgevend.

Zowel aardappelen als brandstoffen konden in de winter schaars worden als bij strenge kou aanvoerproblemen ontstonden en de vraag bovendien steeg. In de winter worden geen aardappelen verbouwd en is meer brandstof nodig. Door in twee produkten te handelen kon het bedrijfsrisico gespreid worden. Los-arbeiders waren in de buurt ruim voorhanden. Bovendien zouden de zonen in het bedrijf gaan meewerken. Leendert zal over goede contacten beschikt hebben, met name onder aardappeltelers als Pex in Eik en Duinen. Die zochten op hun beurt afzetmogelijkheden in het zich snel uitbreidend Den Haag. In 1880 wonen er al 120,000 mensen, drie keer zoveel als in 1813 na het vertrek van de Fransen. Dat verklaart andermaal mede de opkomst van Leendert als succesvol (groot)handelaar.

Kapitaal

Maar een vanzelfsprekende vraag blijft onbeantwoord. Hoe kwam Leendert aan zijn startkapitaal? Er waren talloze hardwerkende slijters van aardappelen en brandstoffen die met een gehuurde handkar langs de straten en langs hun vaste klanten gingen. Maar de winsten waren zo gering, dat ging niet met kwartjes maar met halfjes, dat zij hun leven lang straathandelaar bleven ook al waren sommigen niet spaarzaam of vroom genoeg. Beslissend voor zelfstandig ondernemerschap met voorraden en opslagruimtes blijft de beschikbaarheid van, of de toegang tot kapitaal. Daar had in 1867 Karl Marx, geestelijk vader van sociaal-democratie en socialisme, toevallig een boek over geschreven. Vervolgens was hij in 1872 zelfs naar de nabijgelegen Haagse Lombardstraat gekomen. Daar was vanouds voor de armen de lommerd: leenbank of pandjeshuis.

Samen met Friedrich Engels vergadert Marx in de zaal van café Concordia en richt er, tegen de armoede en tegen de onrechtvaar digheid, de Tweede Internationale Socialistische Arbeiderspartij op.

Opnieuw: "Hoe kwam Leendert van der Meer aan zijn kapitaal?" In 1866 was hij 26 jaar. Hij had ongetwijfeld vanaf zijn twaalfde gewerkt, waarschijnlijk wel jonger. De leerplicht wordt in 1899 ingesteld en gaat in feite vanaf 1901 in werking, na het verbod op de kinderarbeid en het strikter toezicht op de naleving daarvan. Leendert moest zeker tot 1855, of langer, geld aan zijn ouders geven voor kost en inwoning. Had hij van vader Krijn vroegtijdig zijn erfdeel gekregen? Leende de familie Pex hem geld? Bracht zijn vrouw Dorothea Regina, van Achter de Kloosterkerk, geld mee?

Vast staat dat er hard werd gewerkt, tot zaterdagsavonds laat en dat in het jaar 1881 de grote slag van de Pastoorswarande naar de Noordwal, naar de markt, wordt gemaakt. Leendert koopt bij de brug naar de nieuwe Hemsterhuisstraat het imposante turfpakhuis van Franz Hartken. In die tijd was dat het hoogste en grootste bouwwerk aan de Noordwestsingelgracht, zoals het water tussen de Noordwal en de Veenkade tot op de huidige dag heet. Het uit zware Waalse steen opgetrokken pakhuis, met twee zolders en met een karakteristieke puntgevel was van rond 1840. Rechts ernaast stonden drie kleine laat 18e eeuwse huisjes. Eigenaar: de oudere Westfaalse Franz Hartken, rooms-katholiek, woonachtig aan de Groenmarkt, parochie Hofkapel of Westeinde.

Westfalen, waar Hartken na de verkoping naar terugkeert, was een belangrijk kolengebied. Zou Hartken een van de allereerste brand stoffenhandelaren van Den Haag geweest kunnen zijn, nadat er uiteraard al vanouds turfhandelaren opereerden?

Leendert laat naast het turfpakhuis de drie kleine huisjes afbreken om daar een voor die tijd groot en hoog winkel- en- woningpand te bouwen, huidige nummering 484-485a. Aansluitend wordt, " om de hoek", aan de achterkant, aan de toenmalige Gedempte Sloot tussen Noordwal en Bakkerstraat, de oude schaapskooi gekocht die tegen het turfpakhuis aanligt. Bouwheer Leendert is zeer zuinig met de grond, al komt hij van het ruime en landelijke Eik en Duinen.

Naast de schaapsstal komt nog een kleine, driehoekige "tweekamer woning": Gedempte Sloot 189. Voor de familie blijft achter winkel en benedenwoning een klein binnenplaatsje vrij "om kleden en matten te kloppen",

Dit alles is, wonderbaarlijkerwijs, nu, ruim 100 jaar later nog steeds terug te vinden. De puntgevel van het turfpakhuis werd in 1956 helaas afgeknot. In 1980 werd meteen rechts naast winkel en woonhuis de hele Noordwal afgebroken. De Gedempte Sloot, je kwam daar letterlijk van de wal in de sloot, verdween er. Maar het negentiende eeuwse stadsgezicht tussen houthandel Oppedijk en aardappel- en brandstoffenhandel van der Meer, met café Verheyen in het midden, bleef bij de ingrijpende stadsvernieuwing gespaard.

De gietijzeren draaibrug van 1885, naar de Hemsterhuisstraat, werd zelfs rijksmonument. Maar we gaan iets te vlug.

Noordwal anno 1881

Het is 18 augustus 1881 en Jacobus Petrus Paulus van der Meer (JPP "Koos"), oud 13 jaar, legt de eerste steen voor het nieuwe winkel pand met vier woonhuizen. Een woonhuis achter en naast de winkel.

Een woonhuis links boven met eigen buitendeur, Een woonhuis rechtsboven met eigen buitendeur. En een woonhuis Gedempt, Sloot 189. Leendert is behalve grassier in aardappelen en brandstoffen ook projectontwikkelaar en grassier in huurhuizen.

Vanwege die eerste steen, die nog steeds op Noordwal 485 te zien en gedeeltelijk te lezen is, heb ik heel lang gedacht dat JPP, oom Koos, het oudste kind was, maar zijn zus Elisabeth was van 1865.

In de patriarchale familie- en werkcultuur van die dagen legde een vrouw geen eerste steen, ook al was ze 16 jaar oud en de eerstgeborene. Meestal namen oudste zonen de zaak of de boerderij over.

Maar op de foto van 1924 zien we niet Jacobus doch de 6 jaar jongere Rinus als bedrijfsopvolger. Daar komen we straks op terug.

Niet alleen de panden 483-485a, en zelfs Gedempte Sloot 187-189, bleven bewaard, met herinneringssteen, ook een schilderij ervan.

Terwijl in dat deel van de Hofstad meestal niet werd geschilderd en geportretteerd. Toen de laatste van der Meer's in 1956 van de Noordwal vertrokken ging er een oud schilderij mee. Dat had altijd in het kantoortje gehangen, niet in de woonkamer, niet in de zondagse kamer. De onbekende maker had heel vroeger, als huurder, links boven de winkel gewoond. Van wanneer was dat schilderij en wie had het gemaakt? In 1990 heb ik, geholpen door Drs. J. Stal van het Haags Gemeentearchief , de antwoorden gevonden.


Carl Eduard Ahrendts

Carl Eduard Ahrendts was de schilder en hij had het in het jaar 1884, als huurder van nummer 84, later 74, nu 484, op 62 jarige leeftijd geschilderd. Op de schamele afdruk is de- 44 jarige oprichter Leendert niet te zien. Hij staat op het schilderij onopvallend, in het zwart gekleed, met zijn befaamde zwart zijden pet, in de zwarte opening van het kolenzwarte pakhuis. Met een ijzeren staaf "Klopt" hij brokken cokes. De gasfabriek leverde nog geen gebruiksklare "Brechcokes". De grote zolderdeur, boven de open "staldeuren", draagt het opschrift: Bergplaats van Brandstoffen L. J. v.d. Meer.

 

De winkel, met deur in het midden, heeft het opschrift: Aardappelen en Brandstoffen L. J. v.d. Meer, ook het huisnummer, 85, staat erop geschilderd. Het is zeer aannemelijk dat Ahrendts al die sierletters tevens zelf op de gevel heeft aangebracht. Weinigen in de buurt listen hun werkplaats, winkel of pakhuis op deze elegante wijze beschilderen, zeker niet met metaforische teksten over bijvoorbeeld "Leefwarmte". "Bergplaats van Brandstoffen" was al opvallend en aanprijzend genoeg. Ahrendts was daarmee, zeker aan de Markt, een van de eerste Haagse reclameschilders. Hij stand in de Hofstad, via zijn vader (?) ook als rijtuigschilder bekend. Kunst en nijverheid gingen toen nog vaak hand in hand.

Waarschijnlijk kende Leendert de schilder al veel langer, zeker van gezicht. Ahrendts woonde "in de buurt", achtereenvolgens op: Gedempte Sloot 65, Juffrouw Idastraat 20, Visschersdijk (Toren straat) 19, Noordwal 143. Zijn vader was onderstalmeester aan het hof, afkomstig uit Berlijn. Godsdienst: Evangelisch Luthers, Het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag bewaart een uitvoerig dossier over "minor master" Carl Eduard met afbeeldingen van rond 25 landschapsschilderingen, zee-, rivier-,en stadsgezichten: gezicht bij Den Haag, gezicht op Scheveningen, Paleis Huis ten Bosch e.d. Van het Haags stadsgezicht aardappelmarkt Noordwal is er dus nu deze zwartwit-foto, codenummer 90-341. Nog een mogelijke Ahrendts-onthulling. De kinderen van de foto uit 1924 herinneren zich een muurschildering met een landschap, aangebracht tegen de muur van het kleine binnenplaatsje tussen Noordwal en Gedempte Sloot, Het openluchtschilderij van één bij anderhalve meter liet een molen zien, water, een boerderij en veel bossage.

Misschien deed het opdrachtgever Leendert wel aan Eik en Duinen en aan de Haagse Beek denken. De 62 jarige schilder-huurder en boven buur keek er in 1884 van achter op uit, zoals de van der Meer's dat vanuit de kleine woonkamer achter de winkel deden. Op een familiekiekje uit 1930 is er nog iets van waar te nemen. In 1935 of 1936, twee generaties en 50 jaar later, "andere meesters, andere wetten", was het linnen ernstig verweerd en de schildering niet meer toonbaar. Bedrijfsopvolger Leo laat het verwijderen. Het binnenplaatsje werd met ongebluste kalk van smederij Visser witgeschilderd.

Vincent van Gogh
Aan de Noordwal heeft ter plekke nog een andere schilder gewerkt en die man is niet vergeten. In januari 1882 leert de ongelukkige en straatarme zwerver Vincent van Gogh, van de Schenkweg, in de Noordstraat Bien Hoornik kennen. Hij maakt van hier de later wereldberoemde houtskooltekening: "Sorrow". Hij tekent zwoegende straatwerkers die de riolering aanleggen. Aan de Noordwal tekent hij de aardappelmarkt, in september-oktober 1882. Hij schrijft daar ook over aan zijn broer Theo in Utrecht. Bij het Rijnspoor worden kolensjouwers vereeuwigd. Vrouwen die met ketels heet water van de waterstoker slepen, hebben ook zijn belangstelling. Van Gogh moet niets hebben van rustig binnenskamers zittende burger mensen "omdat er meer sjouwerij dan rusten in het leven is". In de Vincentiuspoort aan het Lage Westeinde eet en tekent hij nog in de gaarkeuken, voordat hij in september 1883 naar Brabant, vervolgens naar Parijs een dan naar Zuid-Frankrijk vertrekt. De gort, rijst of grauwe erwten die hij in de armenkeuken at, voor tien cent per portie, waren geleverd door grutterij Smeele van de Pastoorswarande.

Aan de Noordwal is het voor velen een hard bestaan. In 1889 wonen at 1108 mensen waarvan 705 "inpandig", dat wil zeggen in gangen, sloppen en krotten die vanaf de straat niet te zien mogen zijn en die buiten alle wettelijke bepalingen vallen. Daar komt pas met de woningwet van 1902 verandering in. Van de 286 Noordwal-bewoners die tussen 1885 en 1895 sterven zijn er 136 jonger dan 5 jaar.

Markt Noordwal

Vanaf de vestiging in 1881 wonen aan de Noordwal, achter en naast de winkel Leendert en Dorothea met hun kinderen. Geboortejaar:

1. Elizabeth 1865

2. Jacobus 1868

3. Quirinus 1869

4. Johannes 1871

5. Johanna 1874

6. Leonardus 1877

7. Maria 1879

De drie oudste zonen, in een adem Koos-Rinus-Jantje geheten, zijn onder hun vader in het drukke bedrijf werkzaam. In 1902, eerder al, wordt de Noordwal behalve aardappelmarkt ook de groente- en fruitmarkt voor Den Haag. Vanwege de demping van de Prinsengracht.

Er komen steeds meer klanten bij Van der Meer om aardappelen en brandstoffen. Dat waren niet alleen de talrijke bewoners uit de buurt die elke dag moesten stoken om te koken. Dat waren vooral de groenteboeren en los-handelaren die het zich snel uitbreidend Den Haag van voedsel en brandstof voorzagen. Met hun hondekarren, handwagens en paardewagens kochten zij 's morgens vroeg hun handel in en sleten of bezorgden die in de loop van de dag tot in Scheveningen, Voorburg en Rijswijk toe. Waarschijnlijk waren onder hen ook familieleden. Leendert's vier jaar jongere broer van de Nieuwe Molstraat bijvoorbeeld. Zoon Quirinus daarvan, geboren in 1877, wordt ook groentehandelaar en wel in de Helmerstraat nabij de Noordwal. Diens zoon, uit 1925, wordt ook Quirinus genoemd, net als in onze "tak" ondergetekende in 1935.

Brandstoffenbranche

Na zo'n twintig jaar bij zijn vader het vak van brandstoffenhandelaar geleerd te hebben, en in de avonduren een boekhouddiploma te hebben behaald, vertrekt Leendert's oudste zoon Jacobus naar Amsterdam. Hij gaat van 1903-1905 op kantoor werken bij een brand stoffenimporteur, mogelijk Van Bergen en van Sitteren's Kolenhandel, mogelijk de NV Nederlandsche Steenkolenhandel aan de Keizersgracht 237, leveranciers aan de Noordwal. Het was zeker niet bij de in 1896 te Amsterdam begonnen Steenkolen Handels Vereniging (SHV), die vanaf 1904 onder meer het monopolie heeft op kolen uit Westfalen. Het is deze SHV die zelfstandige brandstoffenhandelaren het leven zuur maakt door als importeur en groothandelaar ook eigen winkels te openen. Bestaande Haagse bedrijven werden door Fentener van Vlissingen daartoe opgekocht, Kemps en van Beusichem bijvoorbeeld. Die kregen voordeliger de betere kolensoorten, ten nadele van de kleine zelfstandigen. Ook de NV Staatsmijnen, producent en groothandelaar, ging dit doen. In Den Haag was Lens, Aandewiel en Dijk (LAD) zo'n winkel en bezorger van de Staatsmijnen. Na de schaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog sluiten de twee giganten SHV en Staatsmijnen bovendien onderling een profijtelijke samenwerkingsovereenkomst in het jaar 1919. Middenstanders werken niet zo gemakkelijk samen, zeker niet zo lang dat niet hoeft. Er komen er steeds meer, ook in "de Buurt". Bolij en Pas aan de Pastoorswarande, Breurs aan de nieuwe Waldeck Pyrmontkade, van der Kraan in de Roggeveenstraat, Paalvast in de Twentstraat, van Tol in het Slop van Willem Klein, Arkensteijn aan de Taussaintkade bij de oude brug.

De brug, die de verbinding vormde met de Noordwal en de Prinsestraat, was zeer hoog en smal. Vooral bij sneeuw of ijzel was het voor de paarden een marteling. Meestal werd de voerman van Arkensteijn geholpen door omstanders, die met vereende krachten hielpen om de wagens, beladen met zakken kolen, over de brug te krijgen." W. Broug Jaarboek Die Haghe 1975, p.102, Een hele grote buurman en concurrent wordt de coöperatieve aardappel- en brandstoffenhandel "Eigen Hulp", aan het andere einde van de Noordwal. Daarvan rijden na verloop van tijd 27 kleine aardappelwagens en 5 brandstoffenwagens door Den Haag, Ook de aardappelkoetsiers krijgen provisie wanneer ze kolenklanten aanbrengen.

Jacobus'-agentuur

Na zijn Amsterdamse "leertijd" huwt oudste zoon Jacobus, in 1909, op zijn 41e, met Agnes van der Rest, De 27 jarige bruid heeft liever geen zwarte kolenboer als echtgenoot. Het echtpaar gaat wonen aan het Oranjeplein. In 1911 vindt de bedrijfsopvolging aan de Noordwal plaats. Daartoe dient nu al het familiegoed eerlijk te worden verdeeld. Jacobus begint een eigen agentuur, ofwel handelsvertegenwoordiging, voor Duitse houtskool en bruinkoolbriketten.

Het echtpaar vestigt zich daartoe in 1914, na de dood van Leendert, aan de Weteringkade nummer 19a, precies tussen het Staatsspoor naar Utrecht en Duitsland en het Hollandsche Spoor near Amsterdam en Rotterdam. De agentuur gaat zo goed dat er later niet alleen een pianola, maar ook een fraaie Hudson kan worden aangeschaft. Daarmee worden in de dertiger jaren handels- en vakantie reizen door West Europa gemaakt. In de familie wordt oom Koos "de schone kolenboer" genoemd.

Tussen Koos en Rinus, en later diens zoon en opvolger Leo, is een intensieve zakelijke en familiale verstandhouding. Men koopt van en verkoopt aan elkaar. Zowel bij de bedrijfsopvolging in 1911/14 als in 1933/34 is Koos een centrale figuur.

Met Agnes krijgt hij in 1912 dochter Doortje, en in 1915 zoon Jacobus. Deze vertrekt in 1932 naar Rolduc, overigens een van de oudste Nederlandse vindplaatsen van steenkool, voor het behalen van zijn HBS-diploma. Daarna gaat hij werken bij de Twentsche Bank op het Toernooiveld. In 1936 maakt Sjaak, met aangetrouwd familielid Ben Loof, deel uit van de oprichtersgroep van de Haagse Rooms Katholieke Zwemvereniging Swift. Daar worden heel wat familieleden lid van, voor Fl, 2,40 per jaar en 25 cent per keer, Zij werden daartoe onder meer aangemoedigd door een zwemmende monseigneur vlootaalmoezenier. Deze herinnerde de Haagse katholieken eraan, dat zij zich -mits van onberispelijke levenswandel- "in water herboren weten". Bij hun doop was immers de dodelijke erfschuld, waarmee zij ter wereld kwamen, schoongewassen. Daar konden heidenen, joden en ketters zich niet op beroepen. De geestelijk adviseur moest overigens de strijd aanbinden met de Nederlandse bisschoppen. Die vonden het verdacht dat van Swift vrouwen en mannen tegelijk lid waren, ook al zwommen ze strikt gescheiden.

Swift zal niettemin een van de grootste verenigingen van de KNZB worden.

Johannes en Leen

De tweede broer van Rinus, Johannes ofwel Jantje, in 1871 aan de Pastoorswarande geboren, werkt met Koos en Rinus bij vader Leendert in het bedrijf aan de Noordwal. Aan het begin van de 20e eeuw emigreert hij, niet van Loosduinen naar Den Haag maar naar Australië. Hij verblijft daar als zijn moeder Dorothea in 1911 over lijdt. Voordat de Eerste Wereldoorlog uitbreekt keert hij] terug uit Sydney. Als timmerman-aannemer woont hij aan de 's-Gravenzandelaan 242 waar hij waarschijnlijk ook woningen heeft gebouwd. Hij is gehuwd met Sophia Rollema en aanwezig bij het overlijden van zijn vader Leendert op 6 december 1914. Terwijl zijn broers op zondag een hoop boord op hun overhemd knoopten, droeg hij als eerste overhemden net plat, vast boord. Op den duur is er geen familiecontact meer.

De jongste broer, geboren in 1877, was naar zijn vader Leen genoemd. Hij heeft niet eerst thuis in de kolen en de aardappelen gewerkt. Leen begon als verkoper bij C & A en vestigde zich later, van zijn erfdeel, als winkelier in "heerenkleding" aan het Hoge Westeinde nummer 21. Dat was vrijwel recht tegenover de "Spaanse" Theresiakerk. Maar lichtzinnige Leen hield zich niet aan de strenge wetten daarvan. Zondags huurde hij een rijpaard en kwam, in deftig rijkostuum, wel eens langs de Noordwal, Zijn klanten waren veelal Westlandse warmoeziers en tuinders die zich bij zijn coupeur het veelal bruingekleurde zondagse pak lieten aanmeten.

Hij] werd de "bon vivant" genoemd en ging als eerste Van der Meer naar Parijs. Oudste broer Koos wist Leen, kort voordat deze in 1936 zou overlijden, te bewegen om zijn geheime vriendin niet onverzorgd achter te laten. Oudste zus Elisabeth bad menige "Rozenkrans met Weesgegroetjes" voor zijn eeuwige zielerust.

 

Elisabeth van den Oever van der Meer

We bewaren het verhaal over Rinus nog even en gaan eerst naar zijn zusters. Ook zij hebben zich aan de Noordwal in het zweet gewerkt.

Er was immers altijd en overal gruis, stof, "fijn" en "stuif". Er was dagelijks werkkleding te wassen en te herstellen, het fornuis en de kachels moesten aan de gang worden gehouden, hectoliters aardappelen werden geschild, gepit en gekookt. De oudste, Elisabeth, was in 1865 geboren en jong gehuwd met Groenhuizen. Nog voordat hun zoon Petrus in 1887 wordt geboren, sterft de vader. Beth is op haar 21e weduwe. Vier jaar later huwt zij met Dominicus (Douwe) van den Oever, in 1859 te Bolsward geboren. Aan de Oude Molstraat nummer I2c hebben zij hun befaamde fourniturenhandel. Douwe opent meerdere zaken. In het bevolkingsregister worden de Koningin Emmakade 4, de Veenkade 68 en het Vaillantplein genoemd. In 1916 is sprake van Adelheidstraat 60.

Dat kan ook al hun afzonderlijke woonhuis zijn geweest. Oudste zoon Haye, van 1893, opent een eigen zaak in de Weimarstraat. Beth en Douwe gaan tenslotte rentenieren in de Emmastraat. Douwe overlijdt in 1930 op 71 jarige leeftijd.

Elisabeth maakt in maart 1945, op haar tachtigste, het vreselijke Engelse "vergissingsbombardement" van het Bezuidenhout mee en vindt met zoon Leen tijdelijk onderdak boven de winkel in de Oude Molstraat. Eerder genoemde Petrus, Piet, had de naam Van den Oever gekregen. Hij is dirigent van het kerkkoor Parkstraat en solozanger. Een stedelijk nog bekender zoon van Elisabeth en Douwe was Douwe junior, geboren in 1896. Hij is een van de eersten in de familie die op zijn 12e, naar kostschool gaat, in Oudenbosch. Hij is vervolgens de eerste die in Leiden rechten gaat studeren, nog wel als ‘spoorstudent . Hij huwt in 1922 met een Italiaanse en wordt aan de Plaats een bekend advocaat ook vanwege zijn Haags raadslidmaatschap voor de Rooms Katholieke Staatspartij. Dit alles maakte in het gezin van onze uitgangsfoto uit 1924 diepe indruk, vooral op moeder Anna.

Elisabeth's dochter Door Regina, vernoemd naar oma, vertrekt in 1912 van de Oude Molstraat naar het huishoudschool-internaat in Culemborg. In 1926 vertrekt zij met haar echtgenoot H. Hamer naar Palembang. Hamer sterft er tijdens de oorlog. Ook broer Ferry, van 1902, gaat naar Nederlands Indie en wel in 1929, naar Medan. Zus Trees van den Oever gaat in 1911 naar het nonneninternaat in Monster. Zij vertrekt in 1922 net haar echtgenoot Han Pateer naar Frankrijk. Zoals gezegd, dit alles werd aan de Noordwal druk besproken, de wereld werd groter dan Loosduinen, de Noordwal en Den Haag. Zoon Leen, van 1904, volgt zijn vader Douwe op in de knopenhandel Oude Molstraat. Hij is prominent amateur-acteur bij de RK "Spelewaghe", heeft zijn vaste eettafel in "De Drie Hoekjes", waar hij vaak met zijn jongere neef en mede-acteur Q. L. K. van der Meer, de jongste op de foto, de maaltijd gebruikt. In het Halstraatje, achter de Bonneterie, heeft Leen zijn stamcafé, samen met vriend Smeele uit de Pastoorswarande.

Broer Jaap van den Olever, van 1906, gaat naar het Jezuïeteninternaat in Katwijk en studeert, net als broer Douwe, rechten in Leiden. Hij woont vanaf 1936, gehuwd met Willy van Eechoud, in de Stevinstraat bij de tennisbaan. Zijn zus Marietje huwt in 1934 met de Lirnburgse Paul Pierre van Eechoud, broer van Jan van Eechoud, de latere resident van Nieuw Guinea. Het is de jongste Van der Meer, Q.L. K., die regelmatig contact blijft onderhouden met de "Van den Oevers" en op Scheveningen met hen tennist.


Johanna Bakker - van der Meer

Elisabeth had veel contact met haar jongere zuster Johanna Dorothea, in 1874 aan de Pastoorswarande geboren. Anna huwt op haar twintigste met Antonius Bakker, in 1871 geboren te Rotterdam. Toon is eerst handelaar in bouwmaterialen, later bovendien projectontwikkelaar en makelaar in het snel groeiende Den Haag. Hij durft in de vroege twintiger jaren helemaal bij de Hubertusberg te gaan bouwen. Van de van Dyckstraat en de Hobbemastraat, in de Schilderswijk, komt hij met zijn gezin via de Hooftskade aan de Regentesselaan te wonen, vervolgens de Prinsengracht en de Anna Paulownastraat. Tenslotte de Wassenaarseweg en het Korte Voorhout.

Wie Den Haag een beetje kent ziet de sociaal-economische stijging.

Bouwer Toon Bakker zal zijn successen ongetwijfeld mede toegeschreven hebben aan zijn schutspatroon Antonius, voor wiens beeltenis hij elke dinsdag, Antoniusdag, neerknielde in de Boskantkerk aan de Prinsessegracht. Via zoon Gerard, geboren in 1902, beschikt het familiebedrijf Bakker vanaf de dertiger jaren over een eigen steenfabriek: de "Blauwe Kamer" in de uiterwaarden van de Wageningse Nederrijn, niet ver van de Grebbeberg.

Zoon Toon junior, geboren in 1898, vertrekt in 1922 naar Oudegracht 44 bis in Utrecht om voor tandarts te studeren. Hij vestigt zich in 1929 in de Javastraat en in 1935 aan het Nassauplein.

Vanwege zijn gezindheid wordt er veel over hem gefluisterd, maar hij heeft in de familie menige patiënt zoals hij op zijn beurt steevast van de Noordwal brandstoffen betrekt. Zonder over hen te kunnen verhalen noemen we ook nog de zonen Goof, Leendert, Johan, Alfons en de dochters Allegonda en Dora Bakker. Terug naar de Noordwal en terug naar het begin van de eeuw.

Groszfamilie

Jongste dochter van Leendert en Dorothea was Maria, geboren in 1879, kort voor de verhuizing van de Pastoorswarande naar de Noordwal. Zij werkt in het familiebedrijf tot ze, in 1909, huwt met Johannes van der Leeuw. Hij is in 1877 geboren in Katwijk en van beroep meteropnemer bij het nieuwe Gemeentelijke Electrisch Bedrijf. Ze wonen rechtsboven de winkel met een eigen voordeur, huidige nummering 485a en huren dus bij Leendert. Maria stelt het op prijs dat haar man, wanneer hij aan het eind van de dag thuis keert, reeds aan het begin van de Noordwal zijn uniformpet afzet.

In 1910 krijgen ze dochter Cornelia, in 1919 Dorothea.

Na het overlijden van moeder Dorothea in 1911 gaat vader Leendert links boven de winkel wonen, voordeur 484. Hij wordt de laatste twee jaar van zijn leven verzorgd door Maria. Beneden woont bedrijfsopvolger Rinus, in 1911 gehuwd met Anna. Aan de Noordwal woont dan een "Groszfamilie", met broers en zusters, met ouders kinderen en kleinkinderen, zoals dat look op boerderijen voorkwam.

De kinderen van Rinus en Anna spelen met de kinderen van boven, tot deze in 1922 naar de Koningin Emmakade 78 verhuizen. Ook daarna blijven ze met elkaar optrekken. Als echte Hagenaars laten ze 's zomers de Scheveningse boulevard aan de vreemdelingen en toeristen. Ze hebben hun eigen vaste plek op "het stille strand", met een eigen, gestreepte tent om zich kuis en staande in badkleding te kunnen steken.

Na het overlijden van Johannes van der Leeuw, in 1933 vertrekt Maria naar Rembrandtlaan 24 in Voorburg. Haar dochter Cornelia is dan onderwijzeres in Stompwijk, waar ze een kamer heeft boven Café "het Blesse Paard". In het weekend vertelt ze de familie over "de verloren zoon": Albertus Beijersbergen, broer van Anna, die in Stompwijk woont. Bij de Tilburgse Zusters van Liefde in de Oude Molstraat, daar reeds werkzaam vanaf 1842, was Cornelia op school gegaan, net als haar moeder en tantes. Ze werd er zelfs onderwijzeres, de eerste in de familie. Zij huwt met KLM-medewerker J. Harzing en gaat in Portugal wonen. Haar jongere zus Door van der Leeuw huwt met W. van Eijck. Deze stelt een stamboom op van Leendert van der Meer (1840) en Dorothea van Dijk (1838) waarmee wij ons verhaal begonnen. Alvorens nu over Rinus en Anna van de foto uit 1924 te vertellen eerst nog iets over scholen en scholing in de 19e eeuw.

Swanestein

Op landgoed Swanestein aan het Lage Westeinde werd sinds de winter van 1861 jongensonderwijs gegeven door de Broeders van Maastricht. Zij waren uitgenodigd door de Vincentiusvereniging en kwamen met een vrachtschuit over de Maas. "De reis was niet zeer aangenaam. Het ijs was sterk en de boot kon niet verder varen." Daarom ging het vanaf Rotterdam verder met paard en wagen. De eerste lessen worden gegeven op de hooizolder van de stal naast het herenhuis Westeinde 99. Vijf broeders werken er op de armenschool, met 300 leerlingen. Een broeder heeft de verantwoordelijkheid voor 23 burgerleerlingen. Een broeder heeft een groep van 23 "deftige" leerlingen. Tien jaar later zijn er, alles samen, reeds 848 jongens, onderwezen door 18 broeders. Zelfs Hare Majesteit Sophia, Koningin der Nederlanden, brengt een bezoek, rondgeleid door de toenmalige broeder Hieronymus die vanaf 1861 tot aan zijn dood in 1886 overste was.

Koos, Rinus, Jantje en later Leen hebben vanaf 1874 bij de broeders op de burgerschool gezeten en er lezen, schrijven, rekenen en godsdienst geleerd. Daar hebben ze profijt van gehad en dat lijkt nu allemaal te vanzelfsprekend voor woorden. Maar dat was in die tijd, zonder leergewoonte en zonder leerplicht, niet zo. Ouders zetten hun kinderen van jongs of aan, aan het werk voor de kost.

Zo leerde je een vak of een broodwinning. Alleen in hoge kringen was men gewend aan (huis)onderwijs. Volgens woordvoerders uit die kringen was reken- en taalonderwijs voor de bevolking gevaarlijke, liberale nieuwlichterij uit de tijd van de Franse overheersing.

Stichtelijk onderwijs was geboden, godsdienstige en zedelijke educatie! Daarin schoten de ouders te kort en daardoor was er diefstal, dronkenschap, straatschenderij en bedelarij. Als het grauw uit de donkere schuilhoeken, de sloppen, stegen en gangen achter het Westeinde, de straat op gaat dan wordt het een bezeten bende die tot de ergste dingen in staat is! (R. Wuite, Het Kortenbosch, Den Haag 1990, p,109). Scholing in lezen, schrijven en rekenen zou onvrede en onrust veroorzaken ten aanzien van de door God gewilde standen-indeling, aldus sommige wereldlijke en geestelijke voormannen uit die tijd. Die opvatting had diepe wortels. In de dertiende eeuw bijvoorbeeld wordt de heilige abdis Hildegard von Bingen, een wijze en geleerde vrouw, gevraagd waarom zij in haar klooster alleen adellijken opneemt. Christus had zich toch tot de armen gewend! Haar antwoord:

"God is er bij iedere mens op bedacht, dat de lage stand zich niet boven de hoge verheft, zoals eens Satan en Adam en Eva deden. Het zou tot een gruwelijke zedenverwildering komen en men zou elkaar in haat verscheuren, wanneer de hogere standen vernederd zouden worden tot de lagere en deze tot de hogere zich verheffen. God heeft de mensen op aarde in verschillende standen verdeeld." (J. en A. Romein, De Lage Landen bij de zee, Querido 1976, p.134)

Broeders van Maastricht

Het bijzondere van de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, vanuit de Zuidelijke Nederlanden in het missiegebied boven de grote rivieren werkzaam, was dat zij zowel godsdienstig als wereldlijk onderwijs gaven. Zij waren bekwaam, idealistisch, maar ook praktisch. Hun onderwijs was te betalen of zelfs gratis. Volledige overheidssubsidie kwam pas in 1920! Zij waren geen priester doch hadden de eeuwige geloften van armoede, gehoorzaamheld en kuisheid afgelegd. Zij baden hun grote rozenkrans en hun brevier en droegen een lange zwarte toog. vanaf 1861 begint de schooldag om 8 uur met een Heilige Ms. Daarbij werd door alle leerlingen, op de nuchtere maag, klassikaal het Heilig Lichaam van Christus genuttigd. Voor en na elke les werd gebeden en om twaalf uur klonk het Angelus. Er werden klassikaal "volle aflaten voor de zielen in het vagevuur" verdiend en er werd klassikaal gebiecht.

Schrijver dezes maakte dit, aan het Westeinde, als hospitant onderwijzer, negentig jaar later nog precies zo mee. Toen hadden inmiddels ook Rinus' zonen Leo, Harry en Q. L. K. bij de broeders onderwijs genoten en vervolgens de zonen van Leo. Zij waren ook allemaal misdienaar. Maar Rinus was dit in 1875 zelfs nog in de Hofkapel aan het Binnenhof en later uiteraard aan het Hoge Westeinde, de parochiekerk waar de Pastoorswarande en de Noordwal onder hoorden. Meisjes mochten in die tijd niet als misdienaar op het altaar aan de voeten van geestelijken knielen.

Voor hun godsdienstig-zedelijke vorming was er de Mariacongregatie, een fenomeen van na 1854. Dat was het jaar van het pauselijk dogma van de onbevlekte ontvangenis van de moedermaagd Maria, wonderbaarlijk bekrachtigd met de Mariaverschijningen in Lourdes van 1858. Wanneer ook hun moeders, huismoeders, om eigen Mariacongregaties verzoeken, dan wordt dit door de Haarlemse bisschop afgewezen "daar dit een uithuizigheid zou bevorderen, strijdig met de haar toekomende rol in het huisgezin."


Opvolger Rinus

Na bij de broeders lezen, rekenen en schrijven, en godsdienstigheld te hebben geleerd is Rinus vanaf zijn twaalfde bij vader Leendert aan de Noordwal werkzaam. Schuiten moeten worden gelost, zakken gevuld, gesjouwd en geleegd, de paardewagen moet worden gereden, bij de gasfabriek moet cokes gehaald. De komst van "het spoor" aan de Loosduinseweg en het gereedkomen van de Laakhaven houdt in dat vrachten steenkool voortaan daar gehaald moeten warden, in plaats van dat alles per schip voor de deur wordt gebracht.

Een half jaar na het overlijden van zijn moeder huwt Rinus, in 1911, met de 30 jarige Anna Beijersbergen van de spekslagerij aan de Nieuwe Haven. Oudste broer Koos is al in 1909 gehuwd en heeft zijn agentuur. Broer Johannes is gemigreerd en jongste broer Leen werkt bij C&A. De 41 jarige Rinus wordt de opvolger van de 71 jarige Leendert. Daarbij wordt de aardappelhandel beëindigd. Nu al moet de familieboedel en het familievermogen eerlijk verdeeld worden. Dat waren gelukkig niet alleen de bedrijfspanden en de woningen, maar look de leningen en effecten. Rinus erft de bedrijfspanden inclusief hypotheeklast. Om de aanwezige voorraad te kunnen kopen moet hij bij zijn zwager Toon Bakker, de projectontwikkelaar en bouwer, geld opnemen. Vader Leendert overlijdt in 1914 op 74 jarige leeftijd, vader van zeven kinderen en 26 kleinkinderen.

Rinus en Anna krijgen aan de Noordwal, zoals op de foto te zien, zes kinderen:

Leonardus 15 september 1912

Anna (Annie) 23 oktober 1913

Theodora (Dora) 16 juli 1915
Cornelia (Cock) 18 januari 1917
Henri (Harry) 17 augustus 1918
Quirinus L.K. 23 januari 1923


1911-1931

Ten tijde van de foto in 1924 is het brandstoffenbedrijf in volle bloei. De kinderen hoeven niet mee te werken en leren door. De dochters Annie, Door en Cock bij de zusters in de ouder Molstraat.

Daarna volgen Annie en Cock bij de zusters aan de Hoefkade de driejarige coupeuseopleiding. Dora gaat naar het R.K. Meisjes Lyceum aan het Louis Couperusplein. De zonen Leo, Harry en Rinus leren eerst bij de broeders in het Westeinde. Al en toe mocht mijn vader Leo, als kind, vader Rinus helpen. Hij kreeg de opdracht onopvallend op de voorman van de turfsjouwers te letten, om te zien of er geen fouten bij het tellen werden gemaakt. Regelmatig kwam aan de Noordwal een turfschip aan met 100.000 lange Drentse turven. Het lossen daarvan gebeurde vanouds door een speciaal turfdragersgilde, ook in de twintiger en dertiger jaren nog woonachtig in de buurt van de Turfmarkt. Hun baas had eigen manden waarmee de turven vanuit bet schip naar de turfzolder werden gesjouwd. Elke passerende mand werd door de turfsjouwersbaas met een houtskoolstreepje op een balk "aangeturfd". Zo kon aan het eind van het karwei het aantal gesjouwde manden en het sjouwloon worden bepaald. Mijn vader ontdekte dat de voorman het vierde en het schuine vijfde "turfje" razendsnel tegelijk turfde, daarmee zijn inkomsten met twintig procent corrigerend.

Vooral op aanwijzing van zijn moeder Anna gaat Leo naar de paters Jezuïeten aan de Oostduinlaan. Hij] leert er, in smetteloos wit, tennis spelen. Maar wanneer rond 1930 het HBS-diploma in zicht komt en Leo aan de Economische Hogeschool in Rotterdam denkt, bromt vader Rinus: "Jij hebt Lang genoeg in de boeken gezeten".

Hij is dan de zestig gepasseerd en het kolenwerk valt hem zwaar, ook al heeft hij een vaste knecht en is er 'swinters "los personeel".

Vanwege zijn rug gaat hij tussen de middag onder de trap in de hal plat op de grond liggen en duet zo'n drie kwartier een dutje, in zijn zwarte kolenkleren. Hij is dan al van 's morgens vier uur, het aangaan van de markt, in de weer. Het is een zwijgzaam man die vijftig jaar lang vooral heeft gewerkt. Anna heeft hem niet kunnen bewegen om in de Westeinde-kerk collectant te worden, laat staan koorzanger, of als "Vincentiaan" arme gezinnen te bezoeken en in de gaten te houden. ‘s-Winters luistert hij op zondagmiddag naar de grammofoon en later naar de radio, op accu's. Dat apparaat kostte een kapitaal: Fl 800,-.

's Zomers in de rustige tijd gaat hij wel eens op de hoek van de nabijgelegen Elandstraat-Zoutmanstraat, net buiten de buurt, Café De Kleine Kroon binnen om er een ouwe klare te drinken en "De Lach" in te kijken. Ook al hoort dat eigenlijk helemaal niet.

Voorts waagt hij zich een enkele keer, in de Spuistraat, aan de eerste avondvoorstelling van Bioscoop Apollo, daar waar nu "De Slegte" is. Zondagsmiddags maakt hij met de kinderen wel eens een wandeling naar muziektent "De Bataaf" in het Scheveningse Bos. Bij het mooie nieuwe standbeeld achter het Vredespaleis, voor de vroegere buurtgenoten de gebroeders Maris, staat hij dan langdurig stil. Dat wil zeggen, wanneer Anna er niet bij is. De schrijvende muze, "zij zag wat dartel, maar zij was niet onbeschaamd", is bezig een tekst te formuleren. De eerste en enige regel luidt: "Kunstenaars, het land van Rembrandt waardig". Vader Rinus belooft bij het verder wandelen om de volgende keer te gaan kijken of ze dan misschien al wat meer heeft geschreven". Mijn vader zet later gelukkig die traditie voort.


Personeel

Van voor de geboorte van de jongste zoon van Rinus en Anna woont de 33 jarige huishoudster Alida Borst in. De advertentie van "Juffrouw van der Meer" had haar aangesproken. Geboren in het Zuid-Hollandse Alkemade komt zij uit Amsterdam, waar ze geprobeerd heeft deel uit te maken van een nonnenklooster, als werkzuster.

"Maar ik bracht van huis uit geen bruidsschat mee en daarom ging het niet door", zei ze altijd. Naar de Noordwal bracht ze een schat aan liedjes en spelletjes mee en een zeer opgewekt humeur.

Daarmee werd zij van grote betekenis voor met name de dochters en de Benjamin van de familie. Vanaf 1929 is in het gezin bovendien een vier maanden oude baby opgenomen, moederloze zoon van Anna's broer Herman. Over Anna en de familie Beijersbergen straks meer. Omdat de zonen niet in de zaak werken en er slechts één vaste knecht werkt, worden in de winter los-arbeiders uit de buurt aangetrokken. Wanneer er extra werk is, moet zoon Harry dat in een van de sloppen van het Westeinder bij een van de "vaste" los- werkmannen, gaan melden. Loon: vijf gulden per dag.

De vaste knecht is Karel de Zeeuw, geboren in 1880, uit de Hemsterhuisstraat en later de uets nettere Zorgvlietstraat, overkant Noordwal. Zijn zoon Karel junior, van 1909, volgt hem op. Zij verdienden dertig gulden per week, met brandstof gratis en provisie bij het aanbrengen van nieuwe klanten. De jonge Karel is een opvallend knappe, Rudolf Valentino-achtige verschijning lang en slank, met donker haar. Volgens oom Harry, op de foto in matrozenpak, zou deze vrachtrijder-kolenknecht in de twintiger-dertiger jaren betrokken zijn geweest bij "geruchtmakende zedenschandalen in de hogere Haagse kringen". Miin vader Leo sprak er niet over.

Maar wel ben ik van jongs af aan, wanneer we langs de Kettingstraat liepen, door hem gewaarschuwd om nooit dat straatje in te gaan.

Anna van der Meer-Beijersbergen

Wat was haar familie-voorgeschiedenis? Haar vader Carl Gabriel was in 1849 geboren, in Wassenaar. Rond 1875 begint hij aan de Nieuwe Haven in Den Haag een spekslagerijs. Hij s gehuwd met Anna Reuther,in 1850 in Leiden geboren. Oudste dochter Anna, geboren in 1880, is van jongs af aan de tolk voor haar dove moeder. Oudste broer van Anna is Harry, van 1879, net als Anna werkend in het familiebedrijf. In 1908 huwt hij met Adriana Meershoek uit Wassenaar waarna hij zich als spekslager vestigt in de Weimarstraatnummer 7, later in de Noorderbeekdwarsstraat en de Borneostraat, tot hij naar Leidschendam en vervolgens naar een boerderij bij de Haagse Schouw verhuist. Inmiddels ziin ook Anna's broers Karel, van 1882, en Herman, van 1887, in de zaak gekomen. Er is een slachterij, een zouterij, een rokerij, een grossierderij en een drukke winkel waar oudste dochter Anna de scepter zwaait, tot 's zaterdagsavonds last. Wanneer het gebouw van "Kunsten en Wetenschappen" uitgaat, wordt door bezoekers en artiesten bij Beijersbergen Haagse worst gegeten.

In 1909 maakt Anna mee hoe haar zus Maria op 25 jarige leeftijd overlijdt en een man met twee zonen achterlaat: Gerard en Carel Foppe.

Eerder al was haar zesjarige zusje Catharina overleden. Misschien was dat wel voor de deur in de Nieuwe Haven gebeurd, voor de demping, want Anna hield haar leven lang een zware angst voor water.

In 1911 vertrekt Anna, gehuwd met Rinus van der Meer, naar de Noordwal. Broer Karel huwt met Emelie de Waal die korte tijd later met godsdienstwanen wordt opgenomen in het Loosduinse Rozenburg. Karel keert terug naar het ouderlijk huis, Nieuwe Haven 344-346.

In 1915 geeft oprichter Carl het bedrijf in handen van zijn zonen Albertus, van 1889, Johan, van 1891 en Karel. Met zijn vrouw Anna gaat hij] rentenieren aan de Valkenboskade. Maar het gaat niet goed met het bedrijf. Na een jaar komen Carel en Anna terug. Voor de bedrijfsopvolging wordt geen goede oplossing gevonden. Johan vertrekt in 1922 naar Wassenaar. In 1923 houdt het familiebedrijf waarschijnlijk op te bestaan, want Albertus en Karel gaan bij het Gemeentelijk slachthuis van Den Haag werken. Albertus, in 1923 gehuwd, komt vrijwel onmiddellijk in echtelijke problemen. Na zijn scheiding, in die dagen een schande en een doodzonde, verdwijnt hij naar Zwanenberg in Oss, Noord Brabant. Later in Stompwijk woonachtig, komt hij nog wel eens als "eierboer" bij zus Anna aan de Noordwal. Maar verder bezoek is eigenlijk niet weer gewenst.

Anna's, zoon Harry onttrekt zich aan dit verbod, zoals we in het aparte verhaal over Albertus Beijersbergen zullen zien.

De laatste drie maanden van zijn leven wordt vader Carl aan de Noordwal door zijn oudste dochter Anna verzorgd. Rond de overledene breekt op Nieuwjaarsdag 1928, in de opkamer boven de grote aardappelkelder, een vreselijke ruzie uit tussen de zonen Beijersbergen. Dat ging over het eens zo bloeiende familiebedrijf, over de erfenis en over "het land van Wassenaar" dat vader Carl achter laat. Een jaar later verliest Anna's broer Herman zijn vrouw en moet er voor de zeven kinderen opvang gevonden warden. De oudsten vinden een plek in het rooms-katholieke weeshuis aan de Warmoezierstraat. Onder hen is Adolphus. Het vier maanden oude weeskind Wim wordt door de 49 jarige Anna aan de Noordwal opgenomen.

Weesjongen Adolphus werkt eerst bij Cafetaria Ruteck in de Spuistraat om daarna, in de oorlog, als 21 jarige dienst te nemen bij de Nederlandse SS en aan het Oostfront een ijzeren kruis opgespeld te krijgen. Zijn broer Lau begint na de oorlog een tuinderij in Zuid-Afrika.

Petite Histoire

Ook met Anna's broer Johan is iets aan de hand. Hij waagde het te huwen met een Amsterdamse volksvrouw die niet van schoonmaken hield en veel te hoge hakken droeg. Om die reden, of vanwege de teleurstellende bedrijfsresultaten van de vleeshouwerij, is van hem de volgende adressenlijst bekend, een unicum in de Haagse petite histoire:

1922 Schoolstraat 63 Wassenaar 1925

1925 Begoniastraat 164

1926 Zuiderparklaan 169

1927 Jasmijnstraat 91

1929 Spaarnestraat 47

1933 Guido Gezellestraat 55 Voorburg

1933 Van der Meursstraat 2

1933 Noordweg 6 Wateringen

1933 Zuiderparklaan 143

1934 Loenensestraat 11

1934 Gouverneurlaan 413

1936 Rhenensestraat 94

1936 Amerongenstraat 12

1937 tlaarsbergenstraat 7

1938 Indigostraat 5

1939 Lavendelstraat 88

Crisisjaren voor een kleine Haagse slager, crisisjaren waarin het overigens niet moeilijk was een lege woning te vinden, waarin je dan ook nog de eerste maand gratis mocht wonen. In 1933: vier verhuizingen in een jaar!

Anna's zus Cornelia Eleonora Beijersbergen, van 1890, was in 1913 gehuwd met Lau van der Lans, geboren in 1877. Hij wordt boekhouder bij Bijloos' Haarwaterfabriek in de Ruychaverstraat. In 1915 wordt hun zoon Marcel van der Lans geboren, de latere Haagse kunstschiIder. Vanwege ziin handicap verblijft hij gedurende zijn schooljaren bij de Broeders in Sint Michielsgestel. Oom Lau zal vanaf 1935 voogd zijn van de minderjarige kinderen Van der Meer op onze uitgangsfoto en oom Koos van der Meer Toeziend Voogd.

Het meest gelukkig is Anna met haar jongste zus Toos, van 1894, die vanaf 1918 vlakbij de Noordwal in de Constant van Rebecquestraat in het nieuwe GEB-gebouw werkt. Ze komt elke dag na kantoortijd langsgefietst. Met haar vriendin Paula Schuurmans komt ze elke zondag na de kerk aan de Noordwal koffie drinken om over "het land in Wassenaar" te praten". Vaak gaat men daar zondagsmiddags ook even kijken, vanaf 1923 met de elektrische, Wassenaarse tram.


Noordwal-buurt

In wat voor buurt woonde Anna, sinds 1911. Op grond van mijn jeugdherinneringen en van verhalen waag ik me aan een poging tot "reconstructie". Het rook er vooral naar mout, van de ZHB-bier fabriek, naar paardevijgen ook, groente, fruit, aardappelen, turf.

Bij de hoefsmid in het Kortenbosch de scherpe lucht van schroeiend eelt, verderop de vreemde geuren van lege flessen, lompen en oude metalen. In de Breedstraat kuch van de militaire broodbakkerij. Bij Dopmeier aan het Slijkeinde vislucht en zuur van augurken.

Langs de vele, vele cafés doordringende bier- en jenever-dampen.

De buurt was zeer dicht bebouwd en bewoond. Tussen winkels, woningen en pakhuizen waren smalle gangen, ingangen tot talloze hofjes die geen hofjes waren. Via zo'n poortje, dat geen poortje was, kwam je in sloppen die geen sloppen mochten heten, waar mensen in krotten woonden die geen krotten mochten worden genoemd. Maar het was niet alleen een arrne, het was ook een zeer levendige en boeiende buurt. Alles leek zich op straat of te spelen. Zomers stonden van fabriekjes, pakhuizen, werkplaatsen en winkels de deuren open.

Behalve de grote brouwerij waren er twee broodfabrieken, een koffiebranderij, een rijtuighouderij, smederijen, een mosterdmakerij en grutterij, bakfiets- en handkarverhuurders, houthandelaren, kolenboeren, een koninklijke verhuizer, meubelmakers, bakkers, installatiebedri jven, een grammofoonwinkel, timmerbazen, een stoelenmatter, een wafelbakker, klokkenmakers, kruideniers, schoenmakers, huisschilders, behangers, kappers, schoorsteenvegers, kleermakerijen, winkels voor herenhoeden en herenpetten, een poelier, boekbinders, melkhandelaren, slagerijen, een boterboer, kaasboeren, een eierhandelaar, tabakswinkels, waterstokerijen, een mandenmakerij voor turf- en aardappelmanden, uitdragerijen en ga maar door. Aan het Slijkeinde was een heel oud Gemeentelijk Ziekenhuis.

De winkeliers, ambachtslieden en handelaren woonden achter, boven of naast het bedrijf. Er waren wel eens minder welvarende lieden die in hun pakhuis woonden, als er maar een kraan was. ‘s- Zondags was het stil in de buurt. Dan kwamen ernstige kerkgangers langs, in het zwart, met hoeden op. Op warme avonden zat iedereen voor de deur, omdat het in de kleine en benauwde woningen niet uit te houden was en zeker niet in de bedstee. In het troebele water van de Noordwal werd dan door opgeschoten jongens gezwommen, soms met al hun kleren aan. Zodra de politie kwam, verstopten ze zich op "het demmetje" onder de draaibrug. Er was nog meer spannends. Paarden sloegen onverwacht op hol, honden bleken plotseling aan elkaar vast te zitten en kregen emmers water nagesmeten, dronkaards konden niet meer op hun benen staan, karren bleven in de sneeuw steken en er vielen zakken aardappelen van wagens, per ongeluk of niet per ongeluk. Jongens vielen in "het majum" en kregen daarna, op de kant, een pak slaag.

Langs de weg de hele dag bezorgers op bakfietsen of transportfietsen met rieten mand, los-handelaren met een bij Geerlof in de Snoekstraat gehuurde handkar, incasseerders ofwel geldophalers, steuntrekkers, sjouwers, allemaal mannen, allemaal met pet op.

Ouderen onder hen "pruimden". Priesters in lange zwarte jassen gingen te voet op ziekenbezoek. Voor hen werd soms de pet afgezet.

Er waren veel katholieke familiebedrijven waarvan er heel wat een eeuw lang in de buurt hebben bestaan: Hols, van der Lans, Linnewever, Maessen, van der Meer, Paalvast, van Santen, Smeele, Vierling, van der Weyden en vele anderen.

Buurtgeluiden

Het was ook een buurt met eigen klanken, van scharenslijpers, straatverkopers, muzikanten en een heel enkele keer een orgeldraaier. Over de Noordwal motorgeluiden van Faun-vrachtwagens uit de eerste wereldoorlog, op massieve banden, maximum snelheid 15 kilometer. Overal paardehoeven en het ratelende geluid van wagenwielen, ook van rouw- en trouwrijtuigen. Enkele keren per jaar, wanneer ergens gepotverteerd werd, reden bij van der Lans zelfs de grote "Jan Plezier" en de prachtige postkoets uit. Vier keer per dag hoorde je de stoomfluit, bij het aan- en uitgaan van de bierfabriek. In alle vroegte had water- en vuurbaas Zuidwijk, van de Gedempte Sloot, tevens porder, mensen wakker gemaakt door te roepen, op het raam te kloppen of schone was te bezorgen. Bij het uitgaan van de vele scholen, in de Breedstraat, het Kortenbosch en het Westeinde hoorde je het uitgelaten geschreeuw van kinderen die de hele dag, met veertig leerlingen, in houten banken, stil hadden moeten zitten.

's Zaterdagsavonds waren er de liederen en de vechtpartijen in en om de cafés. Daar kwamen alleen mannen, arbeiders en straathandelaren. Ze zongen onwelvoeglijke teksten over "Willemientje". Er werd niet alleen gezongen van vreugde en dronkenschap, maar ook van verdriet en ellende. In de buurt werd bittere armoe geleden, kou, ziekte, honger, achterstelling en vernedering. Er dreef wel eens, 's-morgens heel vroeg, een lijk in het water van de Noordwal. Maatschappelijk hulpbetoon, steun, diaconie en Vincentius schoten hier en daar, of en toe, een beetje bij, met wat brood, melk, cokes en kleren, Een telefooncel was in de buurt niet te vinden, evenmin een brievenbus van de PTT. Een arts of tandarts woonde er niet, zoiets was in die tijd van "standen en klassen" ondenkbaar. Gelukkig kwam er aan de Gedempte Sloot, tegenover het "keurige hofje", het Kruisgebouw met Dr. Hankes Drielsma. Hij reed in een aristocratische Hispano Suiza, met bruine voorruit.

 

Markt

Tot 1932 was aan de Noordwal, 's morgens van vier tot twaalf, de drukke Haagse groente- en fruitmarkt, tevens markt voor aardappelen, kool en zuidvruchten. Twee agenten moesten er elke dag de orde bewaren en het verkeer regelen. Van Rijnsburg werden 's nachts met paard en wagen uien, wortelen, prei en gekookte bieten aangevoerd. De voerlieden konden dat vrijwel slapend doen, want de paarden wisten de weg. Boten van de Zuid-Hollandse eilanden, van schipper Pot en schipper Taal bijvoorbeeld, meerden aan met aardappelen, uien en kool. Vanuit Gelderland en Utrecht kwamen schepen met appelen en peren. Uit het Westland kielnere boten met groente, druiven, aardbeien en aalbessen. Ook bananen en sinaasappelen werden, van Rotterdam, aangevoerd, verhandeld en opgeslagen in pakhuizen aan de Noordwal, de Gedempte Sloot en de Hemsterhuisstraat.

Bij café Verheyen en koffiehuis Roels troffen, vanaf drie uur 's-nachts, elkaar tuinders, krotenkokers, marktschippers, voerlieden, sjouwers, knechts, grossiers, detaillisten en los-handelaren. Ook de paarden kwamen graag bij Roels. Ze kregen daar voer dat, als restprodukt van de brouwerij, zeer goed in de smaak viel. Tussendoor werden ook wel paarden verkocht. Daarbij hoorde het door iedereen belangstellend gevolgde "voordraven" en onderhandelen.

Mijn grootvader Rinus keek aangeboden paarden altijd nauwkeurig in de bek en gebruikte daarbij ook zijn neus. Het gebeurde dan wel dat hi] mompelde: "Ik mot geeri paard dat drinkt." De verkoper had het dier dan een slok jenever gegeven om het energieker te laten draven. Maar bij het verkopen van zijn paard had Rinus ook zelf wel eens pech. Terwijl hij zijn knol aanprees, meende zijn zesjarige zoon Rinus, Q. L. K, daar nog een schepje boven op te moeten doen. "Hij is ook dampig, he Pa!" Dampig, dat betekende kortademig. Het paard had jarenlang in het kolenstof gewerkt.

Krulvuurmakers

Door de firma Jongenburger uit Aiphen aan de Rijn werden langs de Vliet houtskoolbriketten naar Noordwal 75, nu 485, gevaren. Dat gebeurde, tot 1950, met een houten schip, zonder motor. De schipper duwde de boot met een vaarboom voort, of trok hem in zijn eentje met een touw langs het jaagpad voort. Na het lossen bij Van der Meer maakte hij zijn warme hap klaar, op houtskool. Daarna legde hij zich vroegtijdig in zijn zeer kleine kajuit te rusten en vertrok de volgende morgen in alle vroegte. De briket, voor in de voetenstoof in de kerkbank en in de strijkbout, kon met de hand in vier stukken worden gebroken. Hij bestond uit zeven delen houtskool, een deel ongebluste kalk en een hoogst geheim en patent gloeimiddel.

Om steenkool, cokes, eierkolen of bruinkoolbriketten in paard, fornuis, salamanderkachel of vuurpot aan te steken, werden niet alleen "aanmaakhoutjes" gebruikt, naar oak speciale "vuurmakers".

Dat waren in hars gedrenkte houtkrullen, verpakt in papieren zakken: krulvuurmakers. In 1933 kocht opa Rinus een geheel nieuw soort vuurmaker: geperste turf(resten) in petroleum gedrenkt, met handig strijkvlak. De voordelige partij werd een zware strop. De krengen wilden, wanneer ze een paar dagen hadden "gelegen" , niet branden ook al zei Rinus, om ze aan te bevelen: "Rinus van der Lubbe heeft er de Rijksdag mee aangestoken". Ze bleven onverkocht op de bovenste turfzolder liggen, tot 1944. In die onheilswinter werd letterlijk alles opgestookt.

Wassenaar

Maar rnijn oma Anna was aan de Noordwal helaas niet altijd even gelukkig. Van de verdrinking aan de Nieuwe Haven die ze had meegemaakt, hield ze een levenslange angst voor water en dat was ook nu vlak voor de deur. Wanneer de familie, rond 1920, zondagmiddags naar de Nieuwe Haven wandelde, werd de Vijverberg gemeden en het Lange Voorhout verkozen. Een enkele keer huurde Rinus een rijtuig en spande daar zijn trekpaard voor. Daarmee werd, met de kinderen, een zondagse tocht gemaakt door Wassenaar tot aan "Den Deyl" of zelfs "De Haagse Schouw". Maar ook van paarden wilde Anna liever niet weten.

Vanaf 's morgens drie, vier uur stond de Gedempte Sloot vol groentekarren met blaffende trekhonden. Dan sliep ze niet meer. Vanaf de geboorte van de jongste, in 1923, liet haar gezondheid te wensen over. Ze kreeg nierklachten en suikerziekte. Gelukkig was daar huishoudster Alida.

Anna was een zeer vrome vrouw. Ze bleef zich meer thuisvoelen in haar vroegere, Franciscaanse, Boskantparochie dan in de Theresiakerk van de Jezuleten aan het Hoge Westeinde. Ze was zelfs lid van de Franciscaanse "Derde Orde". Daarmee legde ze zich, naar het voorbeeld van priesters en broeders Franciscanen van de eerste en de tweede orde, speciale "godsdienstplichten" op. Ze zag er dan ook streng op toe, dat haar minder devote echtgenoot Rinus zich dan toch minstens aan zijn jaarlijkse "Paasbiecht" hield.


Roeping

Dat geeft aanleiding tot een korte clericale neven-beschouwing.

Geen van de hier besproken gezinnen heeft, in nederigheid, het voorrecht mogen smaken dat een of meer kinderen tot de reiligieuze staat werd uitverkoren. Dat is heel opmerkelijkl want in het betreffende tijdvak steeg het aantai "roepingen" onder katholieken spectaculair. Nooit eerder was God's Genade zo overvloedig werkzaam, nimmer werd er zo Godsvruchtig naar Zijn uitverkiezingen geluisterd. De omstandigheden waren uiterst gunstig. Grote gezinnen. Kinderdoop, met Peter en Meter. Vanaf drie jaar en negen maanden de Bewaarschool bij de Zusters, gevolgd door de Lagere School bij Zusters of Broeders, daarna voortgezet onderwijs bij Zusters, Broeders of Paters, stuk voor stuk gewijde voorbeelden van vroom, deugdzaam en rein leven.

Er was nog veel meer. Het Pauselijk Decreet tot dagelijks kerkbezoek met dagelijkse Heilige Communie en regelmatige biecht. Vis op vrijdag. Hen bloeiend parochieleven met processies, congregaties, retraites, novenen, avondlof, jeugdpatronaatl, toneel en zang, meimaandvieringen, Vastentijd met het Vastentrommeltje, RK Padvinderij, Katholieke Gymnastiek, Katholiek voetballen of zwemmen onder het toeziend oog van de Geestelijk Adviseur.

Catechismusonderricht: "Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de Hemel te komen." Voor de jongens het misdienaar en later acolyt zijn: "Intiem deelgenootschap in de verheven priesterlijke taak". Dat was thuis voorbereid middels het "Mis-je spelen", in liturgische gewaden, compleet met monstrans, ciborie en wierookvat. Missietentoonstellingen in de Houtrusthallen. Katholieke dag- en weekbladen. KRO. Katholieke beroepsorganisaties.

Terwiji in de 19e eeuw het religieus worden en het "Dienstwerk God's" bijna alleen was weggelegd voor zonen en dochters van gegoede families, trachtten elkaar beconcurrerende orden, congregaties en bisdommen, vanaf de eeuwwisseling ook kinderen uit de kleine burgerij aan te trekken. Tenslotte komen geestelijke colporteurs zelfs bij arbeidersgezinnen aan de deur. Waarom beschikte de Goddelijke Voorzienigheid ten aanzien van de vele hier besproken Haagse families anders? Werd er thuis onvoldoende met de Genade meegewerkt? Ontbrak het aan geloof en Godsvertrouwen? Was men te weinig aanhankelijk ten aanzien van de geestelijkheld? Werd het ochtend-, middag- en avondgebed verwaarloosd? Werd het rozenhoedje vergeten? Kregen de kinderen niet het kruisje op het voorhoofd bij het slapen gaan?

Versterving

Al deze vragen worden hier gesteld in de bewoordingen en volgens de gewoonten die toen gebruikelijk waren, ook al is het nu bijna niet meer te geloven. In "De priesterroepingen in Nederland" van Pater Dr. J.J. Dellepoort, in 1955 uitgegeven bij Pax in Den Haag, in de Jan van Nassaustraat, is het allemaal letterlijk terug te vinden. Vooral de rol van de moeder bij "roepingen" werd hoog ingeschat. Waren zij niet vroom genoeg? Vertelden zij niet over de arme heidenkinderen in de verre missielanden? Was er onvoldoende oog en offerzin voor de noodlijdende medemens? Kon men niet afzien van amusement? Hoe stond het met de christelijke soberheid, met de "kleine versterving", met het gebruik van aardse goederen en het afzien van genot?

Vrouwen als Elisabeth van der Meer en Anna Beijersbergen waren sober en vroom, daar heeft het niet aan gelegen. Mogelijk hebben de mannen niet genoeg meegewerkt, al zongen zij zondags "Roomsen dat zijn wij" en "Aan U Oh Koning der Eeuwen, aan U zij de Zegekroon, onsterfelijk schittert Uw Glorie door alle Haat en Hoon".


Vrij ondernemen

Waarom waren er geen broeders, zusters en paters in de hier besproken families? Mijn vermoeden is dat de Van der Meer's en de Beijersbergen's enerzijds niet arm, anderzjids niet rijk genoeg waren, economisch gezien. Dat ze enerzijds niet ambitieus, anderzijds niet onderdanig genoeg waren, geestelijk gesproken. Men bouwde zich, als migranten en pioniers, in Den Haag een nieuw bestaan op. Iedereen had zijn of haar taak. Er bleef niemand over om het klooster in te gaan.

Als handelaars- en arnbachtsfamilie ontwikkelde men een praktisch economische mentaliteit en leefwijze. Er moest aangepakt worden.

Daar sloot devotie en ge-theologiseer niet naadloos bij aan. Als ondernemer was men ook aan een zekere vrijheid en zelfstandigheid gewend. Men was eigen baas en wilde dat ook zo lang mogelijk blijven. Dat rijmde niet met eeuwige geloften van gehoorzaamheid, onderwerping en zelfopoffering. Men was, weliswaar op kleine schaal maar toch, aangewezen op en gewend geraakt aan het eigen inzicht en de eigen besluitvaardigheid.

Met het wegcijferen van de eigen wil en de eigen verlangens en het eigen leven waren - noodgedwongen - klerken en knechten van huis uit mogelijk meer vertrouwd. Terwiji telgen uit hogere kringen van huis uit beter geoefend raakten in het uitdelen van de morele lakens en het spreken uit God's naam. De uitbundige en tot in alkoven en slaapkamers doorgedrongen Roomse cultuur bood houvast en gaf de uiteindelijke zin aan het leven. Maar in de hier besproken gezinnen bleef men toch vooral met de eigen voeten het liefst op de grond, al raakte een tante in godsdienstwanen verstrikt.

Misschien zou zich toch nog een maagdelijke wijdeling hebben voorgedaan wanneer de kerk klant bij "ons" zou ziin geweest? Er werden in sacrale ruimtes heel wat cokeskachels gestookt. In pastorie en klooster werd menige aardappel en menige bal gehakt gegeten, behalve in de veertigdaagse vastentijd. Wanneer ik mijn vader vroeg waarom wij op school en in de kerk geen kolen leverden, dan zei hij: Ik hou niet zo van diepe kniebuigingen." En de beste HBS-herinneringen had hij aan de gymnastiekleraar die al in de vroege twintiger jaren met een luxe automobiel vakantiereizen maakte en daar boeiend over kon vertellen. Daar hadden de andere leraren van het Aloysiuscollege, allemaal paters, niet tegenop gekund.


Vermogen

Al waren de Franciscanen eeuwenoude pleitbezorgers van de armoede, oma Anna was de bedrijfseconome die , eerst aan de Nieuwe Haven en later aan de Noordwal het bedrijfskasboek bijhield. De opkomst van het kapitalisme is niet voor niets toegeschreven aan de energieke en sobere bedrijfshuishouding van agrarische kloosternederzettingen. Later nagevolgd door de werklustige en zuinige bedrijfs- en gezinshuishouding van met name christelijke ondernemers, fabrikanten en handelaren.

Door een wonderlijk toeval is het kasboek van 1927-1931, met Anna's prachtige handschrift en nauwgezet gecijfer, niet verloren gegaan. Hoe blijven oude kasboeken, in gezinnen zonder bibliotheek- en archieftraditie, zo lang bewaard? Oudste zoon en bedrijfsopvolger Leo was tot aan zijn dood in 1984 een verwoed schaker. Hij bewaarde schaakknipsels en plakte die, zuinig als zijn moeder, in oude kasboeken. In 1992 heeft ondergetekende ze losgeweekt. Zo weten we hoe vermogend, op papier, Rinus en Anna in 1931 zijn.



Leningen

Jaarlijks was er zo'n inkomen van Fl. 12.000 aan brandstoffen en nog eens zo'n Fl. 6.000 aan effecten, rente en huren. Daarvan werd aan lonen, onkosten, onderhoud en afschrijvingen zo'n Fl. 6000 uitgegeven. Er was dus zo'n Fl. 12.000 winst. Daarvan had de familie zo'n Fl. 5000,- nodig om te leven. Daardoor nam het vermogen jaarlijks met zo'n Fl. 7.000 toe. Het was dus voorspoedig gegaan, terwijI Rinus in 1911 geld had moeten lenen om kolen in te kunnen kopen, net als later zijn zoon Leo. Rinus had zichzelf, met Anna, voorgehouden in hun arbeidzame leven zo'n Fl. 100.000 bij elkaar te verdienen, ook als pensioen. Zij waren daar, toen zij op aanwijzing van de huisarts gingen "rentenieren" in geslaagd. Zij hebben er helaas niet lang van mogen genieten.

Anna en Rinus traden, met een rente-percentage van 5 tot 6%, ook als familiebank op, vooral voor de Beijersbergens :

1928

Catharina Eleonora (Toos) 3.600

Carl 525

Albertus Cornelis 150

Johannes A 200

1930

Cornelia 1.000

Carl 2.616,20

Maar ook buiten de familie werden leningen verstrekt. Wekelijks voer schipper Taal uit Dirksland Brielse eigenheimers naar de "fijn-protestantse" aardappel-groothandel Van Staalduinen, overbuur van de Van der Meer's. Zo voer schipper Pot aardappelen van Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden naar "Eigen Hulp". Schipper Taal had vroeger ook nog voor Leendert van der Meer gevaren. Toen de aardappelschipper een nieuw, staler motorschip wilde kopen, leende hij een deel bij Rinus. Dat is voor mij een onvergetelijk en levensbelangrijk feit. Want toen in de hongerwinter 1944/45 aan de Laakhaven het laatste aardappelschip voor Den Haag aanmeerde, stond ik, als negenjarige, met mijn moeder aan de kant. Mijn vader en iedereen was ondergedoken. Na lang wachten kregen we illegaal van de schipper in onze handkar een mud aardappelen. Vanwege de goede verstandhouding van meer dan twintig jaar geleden.

Verbouwing

Door de Gemeente Den Haag worden niet alleen registers, maar ook oude vergunningen bewaard. Tot 1922 woont het gezin van der Meer, krap bemeten, achter en naast de winkel. Maar dan vindt er, vanwege het groter worden van de kinderen en van de welvaart een ingrijpende verandering plants. De verhuurde rechter bovenwoning, met eigen buitendeur nummer 75a, nu 485a, wordt binnendoor bij de benedenwoning getrokken. Rinus krijgt vergunning om de rechter voordeur te vervangen door een raam, waardoor de kleine voorkamer jets groter en lichter wordt. Tussen de opkamer aan de achterkant en de voorkamer wordt, in een halletje, een draaitrap naar boven aangebracht. Ruin vijftig jaar later zou dit bij de stadsvernieuwing weer ongedaan worden gemaakt en de 1881-situatie worden hersteld.

Tussen de winkel en de achterkamer was een kleine tussenruimte met een gangkast alias alkoof. Daar hadden vroeger Koos-Rinus-Jantje geslapen. Daarna sliepen er Leo, Harry en Rinus junior. De laatste twee kregen op de rechter bovenetage een klein achterkamertje, met altaartje am "heilige mis-je" te spelen. Maar Harry luisterde er het liefst naar zijn zelfgemaakte radio-ontvanger. Vanaf 1881 was er achter de beneden-achterkamer het keukentje, met WC, waar vader Leendert en zijn zonen zich dagelijks het kolengruis en turfvuil afboenden. Nu komt er boven voor het eerst een badkamer. De voorkamer boven, met alkoof, was voor de dochters Annie, Door en Cock. Op zolder had huishoudster Alida het voorkamertje met dakkapel, vogels en vissen. Leo kreeg het achterkamertje voor zich alleen, als oudste. Anna en Rinus hielden hun slaapkamer in de opkamer beneden. De nieuwe voorkamer werd alleen zondags gebruikt.

Aan het begin van de dertiger jaren komt er aan de Noordwal een zeer ingrijpende externe verandering. De Haagse groente-, fruit-, en aardappelmarkt gaat naar de Marktweg bij het nieuwe Zuiderpark, met eigen spoorlijn. (Terwijl ik dit schrijf, zestig jaar later, verhuist hij verder en wel naar het Clausplein buiten Den Haag.)

Met die verhuizing verdwijnen van de Noordwal de honderden kleinhandelaren en slijters die dagelijks met hun aardappelen en groente ook hout, turf, kolen, briketten en krulvuurmakers bezorgen en verkopen. Alleen van der Wal, Bol en van Beek, groenteboeren uit de buurt, blijven bij Van der Meer inkopen. Ook de voor de aanvoer oorspronkelijk zo voordelige ligging aan de Noordwal was -allang- voorbij. Aan de Loosduinseweg moesten 20 ton's spoorwagons zak voor zak worden "gelost". Die zakken werden aan de Noordwal geleegd om daarna weer voor elke klant zak voor zak te worden gevuld. De eerdergenoemde LAD en Kemps, aan het spoor gelegen, brachten de vracht rechtstreeks uit de wagon naar de grootverbruikers.

 

Opvolger Leo

Achteraf was alles veel duidelijker dan toen het gebeurde: er moest letterlijk een nieuwe markt worden gevonden, er moest een andere klantenkring worden opgebouwd. De 63 jarige Rinus, brengt dat niet meer op. Anna's gezondheid geeft grate zorgen. Gelukkig zijn er aanzienlijke reserves in de vorm van huizen en effecten.

Want de koleninkomsten dreigen drastisch terug te lopen. Oudste zoon Leo gaat niet naar de Economische Hogeschool in Rotterdam. Hij komt als 18 jarige toekomstige opvolger in het bedrijf, vanaf 1 april 1931, al is het niet helemaal van harte. Hij weet zijn ouders wel zo ver te krijgen dat er een gloednleuwe 2 1/2 tons Dodge vrachtwagen wordt aangeschaft, die door hem wordt bestuurd, Kenteken: H-93448. Het trotse en kostbare bezit wordt elke avond gewassen en naar "de eerste parkeergarage van Europa" gereden, in de Torenstraat tegenover de nieuwe Italaanse ijssalon Florencia.



Maar Leo moet dus net als zijn vader en grootvader, ook al heeft hij een HBS-diploma, "onder de zak", trap op trap af, tot in de diepste en kleinste kolenkelders, 30 of 35 kilo elke zak ofwel "half mud".

Met concurrerende zomerprijzen, met Huis-aan-huis-folders, met kleurboeken en kamerthermometers worden nieuwe klanten geworven, kleine particuliere klanten. Het blijkt onmogelijk grotere afnemers te winnen: kantoren, ministeries, scholen, bedrijven. Grootverbruikers krijgen uiterst voordelig door de eerder genoemde filialen van Staatsmijnen en SHV geleverd. Daar kan de handelaar die bij dezelfde groothandel inkoopt niet tegenop. Er wordt door Van der Meer snel bezorgd en zonder de boel vuil te maken. Je kunt ook op de juiste soort en de goede rnaat rekenen, en de afgesproken hoeveelheid. Dat was in de kolenbranche een kwestie van vertrouwen. Of iets een half mud antraciet is van de afgesproken Engelse, Duitse of Limburgse kwaliteit, hoe zou een klant zoiets kunnen nagaan? En was er uiteindelijk wel 12 mud in het kolenhok terecht gekomen?

Kees van Kooten vertelt hier over in zijn verhaal "Leefwarmte", een woord dat pas later werd uitgevonden toen de steenkolen met de huisbrandolie moesten gaan concurreren. Van zijn vader werd hij op de uitkijk gezet om zakken te tellen, "want daar moest je bij Kolenmannen mee uitkiiken, dat ze je geen zak te kort gaven." In de Haagse Vreeswijkstraat, waar dit gebeurde, hield men de kolensoort goed in de gaten, ook die van de buren overigens. Bij kleine Kees thuis werden Drietjes gestookt, bij de overburen zelfs Viertjes, "terwijl je die overbuurman nooit zag werken." Eierkolen, dat was bijna een vies woord in de Zuiderparkbuurt.

Bezuidenhout

In 1932 leert oudste zoon Leo via de dansles van de Katholieke Jonge Middenstandersvereniging zijn toekomstige echtgenote Louisa, Wies, de Gruijter kennen. Zij is de jongste dochter van de kachelsmid en installateur uit de Obrechtstraat in Duinoord. Om het bedrijf over te kunnen nemen en te kunnen huwen, of andersom, en om de rustige oude dag van Rinus en Anna te kunnen waarborgen, moet de familie-erfenis nu al, in principe, worden geregeld. Dat gebeurt in 1934. Rinus, Anna, dochters, zonen en inwonende huishoudster Alida verhuizen, op advies van huisarts Dr Hankes Drielsma, naar Theresiastraat 10 in het deftige Bezuidenhout. Ook de nu vijfjarige Wimpie Beijersbergen gaat mee. Oudste dochter Annie is 21, Dora 19, Cock 17, Harry 16 en Rinus junior 11 jaar. Alle kinderen zullen, als ik het goed heb begrepen, in de vorm van huizen of effecten zo'n Fl. 20.000 erven. Leo erft voor dat bedrag het bedrijf aan de Noordwal, inclusief de lasten zoals een hypotheek van ruim Fl. 10.000.

Om de voorraad te kunnen kopen leent hij geld bij zijn vader. In het eerste boekjaar, 1935, blijft er Fl. 26,51 over. Mijn vader geeft in zijn kasboek geen halfjes meer aan, zoals zijn moeder Anna dat nog wel deed.

Rentenier Rinus koopt voor Fl. 75 een nieuwe fiets en rijdt elke morgen naar de Noordwal. Daar drinkt hij koffie, zittend in de hoek van de winkels. Hij praat er met broer Koos die er ook graag komt. Ze zien dat er hard gewerkt wordt. Wanneer schoonzus Toos kritisch bemerkt dat er in lelijke lichte kleuren wordt geverfd en dat er een tussendeur op slot gaat "vanwege het stuiven", zegt Rinus tevreden: "Andere meesters, andere wetten." Maar na enkele maanden wordt hij door een auto ondersteboven gereden, al herstelt hij wel.
Kort nadat Rinus en Anna, met Kerstmis, van Leo en Wies hebben gehoord dat het eerste kleinkind op komst is, ondergetekende, overlijdt de 65 jarige Rinus op zondagmorgen 10 februari 1935 volkomen onverwacht aan een hartstilstand. Vier maanden later overlijdt Anna aan de gevolgen van suikerziekte en nierstoornissen, 54 jaar oud. Aan de Binkhorstlaan zijn ze begraven.

Met oudste zus Annie gaan Door, Cock en Harry naar de Oleanderlaan 79. Jongste broer Rinus vertrekt naar het Pensionaat Saint Louis in Amersfoortp. Huishoudster Alida, die eind 1934 haar koperen ambtsjubileum bij de familie van der Meer had gevierd, neemt afscheid.


Nieuwe Verhalen

Dit farnilieverhaal begon, zeg maar, met de geboorte van Leendert van der Meer in 1840. Het krijgt rond 1940 een voorlopige afsluiting. Er begint een nieuw tijdperk.

Door van der Meer huwt in 1937 met Ben Loof. Zij beginnen een drogisterij in de Weimarstraat nummer 4. Cock van der Meer huwt in 1938 met Han van Min uit de speelgoed-branche. Zij gaan in Voorburg wonen. Op 10 mei 1940 raakt oom Han als militair gewond bij de verdediging van vliegveld Ockenburgh. Annie huwt in 1939 met Kees Breumelhof van de Amsterdamse Veerkade. Zij openen er een Verkade-winkel in Rijswijk, Haagweg 177. Ook oom Kees moet tegen de Duitsers vechten: bij de Grebbeberg. Als krijgsgevangene komt hi] in Polen terecht. Harry van der Meer huwt in 1942 met Dolly Verhoeven van Café "Het Pleintjen" , Veerkade, tegenover de blindenbibliotheek. Hij wordt na de oorlog bibliotheekmedewerker bij het Ministerie van Defensie.

Rinus junior, Q. L. K., duikt onder en huwt, later, met Ans Kempen uit de Witte de Withstraat. Zij werken beiden op het Haagse Stadhuis.

Zo beginnen vele nieuwe, boeiende en waardevolle, verhalen. Alle zes kinderen Van der Meer van de foto uit 1924 zullen hun leven lang in Den Haag, Rijswijk en Voorburg woonachtig en werkzaam blijven. Onvrijwillige uitzondering: Harry’s krijgsgevangenschap in Duitsland vanaf 1943 tot half 1945. Maar hun 18 kinderen en 43 kleinkinderen verlaten, op een enkele uitzondering na, Den Haag.

Vanaf de zestiger jaren zwermen ze uit over Nederland en de hele wereld. Leo overlijdt in 1984 en Harry in 1992.


Najaar 1993


Kromme Nieuwegracht 35, 3512 HD Utrecht

Quirien van der Meer (3-7-35)

zoon van Leonardus van der Meer (15-9-1912)

en van Louisa de Gruijter (20-3-1912)