SILKENS



                                                             Familiekronieken: S i l k e n s

 

De naam 'Silkens' is waarschijnlijk afgeleid van een voornaam.We denken daarbij aan Silvester of Cecilia. We komen de naam veel tegen in de beide Limburgen. Vooral in de omgeving van Kessenich. Maar ook in Duitsland komt de naam in het grensgebied met Limburg voor. Of al die takken met elkaar te maken hebben, zal verder onderzoek moeten uitwijzen.

Enkele interessante links:

Voor een meer uitgebreide stamboom van de familie Silkens en enkele andere takken in de grensstreek:

http://www.silkens-verstappen.com             

Voor de verspreiding van de familienaam Silkens in België:

http://www.familienaam.be/

Voor de verspreiding van de familienaam in Duitsland:

http://christoph.stoepel.net/geogen/v3

Voor de verspreiding van de familienaam Silkens in Nederland:

www.meertens.knaw.nl/nfb/

We kregen ook onderstaande beschrijving van Silkens toegestuurd:

 

Henricus Silkens (rond 1744-1810)

Henricus Silkens is de oudste bekende voorvader van de familie Silkens. Waar hij vandaan komt, weten we niet. Kessenich en enkele plaatsen in de omgeving worden genoemd, maar het echte bewijs daarvan hebben we nog niet kunnen vinden. In 1782 vinden we het eerste spoor van hem. Hij trouwt dan op 8 oktober in Kessenich met Rosa Ferdinanda Kerckx. Ze is maar liefst 19 jaar jonger. Mogelijk hadden zij en Henricus een voorkind. Reiner Peters en Catharina Teijbers  zijn getuigen bij het huwelijk. Een jaar later draagt Lambertus Houben zijn boerderij Kleine Doolen te Kessenich over aan Henricus en Rosa. Lambertus Houben is getrouwd met Elisabeth Segers (waarschijnlijk de moeder van Rosa). Henricus is dagloner en heeft het niet breed. Hij overlijdt op 27 oktober 1810 te Kessenich.
De zonen van Henricus blijven niet in Kessenich wonen. Lambertus trouwt met een meisje uit Wessem en wordt de stamvader van de Nederlandse tak.
Die Nederlandse tak zal zich later splitsen in een Roermondse en een Wessemse tak.
Pieter verhuist naar Maaseik en hij zal de stamvader van de Maaseikse tak worden. Het huwelijk van Jan Mathias blijft kinderloos en Joannes sneuvelt als soldaat van Napoleon in Padua (Italië).
Ook Reinerus heeft onder Napoleon gediend, maar van hem ontbreekt ieder spoor

In de regio Kessenich komt de naam "Silkens" veel voor. Een verbinding met de tak van "onze" Henricus hebben we (nog) niet kunnen leggen.
Persoonlijk heb ik twee theorieën;

a) De vrouw van Henricus was afkomstig van een beruchte bokkenrijdersfamilie, die uit Zuid-Limburg was gevlucht. Onder de rook van de zusters van Thorn was men veilig voor vervolging.
Zijn hadden hun naam -Kersten- in -Kerckx- veranderd.
Kwam Henricus uit hetzelfde milieu en was hij ook afkomstig uit Zuid-Limburg en had hij mogelijk ook zijn naam veranderd?

b) Was hij een zoon van Lambertus Silkens en Anna Verstraeten?
De namen van hun kinderen (Mathias, Joannes, Joanna, Elisabeth, Gertrudis en Renerus) vinden we ook terug bij de namen, die Henricus en Rosa aan hun kinderen geven.
Elisabeth en Gertrudis Silkens zijn getuige bij de doop van enkele kinderen van Henricus en Rosa. Bovendien is Jacobus Jacobs ( gehuwd met Elisabeth Silkens) peter van een van de kinderen van Henricus en Rosa
De oudste zoon van Henricus en Rosa wordt genoemd naar grootvader Lambertus. Er zijn twee Joanna's. Genoemd naar de oma's, die allebei Joanna heten ?  Elisabeth Silkens is gehuwd met Jacobus Jacobs en Henricus Silkens komen we als getuige bij de doop van een van de kinderen tegen. Is zus Gertrudis getuige bij het huwelijk van Jacobus Jacobs en Elisabeth Silkens? De namen van de kinderen van Jacobus Jacobs en Elisabeth Silkens (Anna en Lambertus) duiden eveneens op Lambertus Silkens en Anna Verstraeten als mogelijke grootouders. Dat allemaal maakt deze theorie alleen maar steeds waarschijnlijker.
Het zijn allemaal losse puzzelstukjes, die wel het een en ander doen vermoeden. Maar we kunnen het nog niet hard maken.
Voor elke tip of aanwijzing zullen we dan ook erg dankbaar zijn.

 

 

Lambertus Silkens (1797-1856)

                                                                                        

Lambertus was eveneens dagloner. Hij leerde Anna Maria Stevens uit Wessem kennen. Ze trouwden op 17 augustus 1825 in Kessenich voor de wet en vijf dagen later in Wessem voor de kerk. Ze gingen in bovenstaande woning in Wessem wonen. Er worden 5 kinderen geboren. Peter Hubertus Silkens (1833-1881) zou de stamvader van de Wessemse tak van Silkens worden. Zijn broer Henricus (1828-1909)  verhuist naar Roermond en hij zal de stamvader van de Roermondse tak worden. Het is wel opvallend dat we de naam Lambertus  bij hun nazaten niet meer tegen zullen komen.        

 

Henricus Silkens (1826-1909)

 

                                                                                  

                                                                                 Henricus Silkens (1828-1909)               

 

Henricus Silkens, ook wel Driek genaamd, heeft allerlei beroepen gehad. Zo was hij o.a. dagloner en molenaarsknecht. In Roermond leert hij de dienstmeid Maria Christina Oijen uit Horn kennen. Ze gaan in 1860 trouwen. Zijn twee oudste dochters sterven op jonge leeftijd. Tegen het einde van zijn leven heeft Henricus het toch tot een zekere welstand gebracht. Hij is in staat om twee historische boerderijen in de wijk Kapel in 't Zand te Roermond te kopen. Zo koopt hij in 1904 "De Armenhof" en in 1906 "Het Muggenbroek". Kort voor zijn dood in 1909 draagt hij de twee boerderijen over aan zijn twee dan nog in leven zijnde kinderen: Hubertus en Anna.
Op bovenstaande foto van Driek is hij werkzaam op "De Zjwaore" achter boerderij "Het Muggenbroek". Het is een vruchtbaar stuk rivierklei, dat naast de rivier de Roer is gelegen.

Het restant van "De Armenhof" te Roermond. Het witte, linkergedeelte is wat er nog over is gebleven van de boerderij. Daar waar vroeger het woongedeelte lag, heeft men een nieuwe woning gebouwd. Jarenlang was er de bekende bloemenkwekerij Cox-Hamans gevestigd.
Mia, de dochter van Joseph Hamans (1876-1960) en Anna Silkens (1868-1935) was getrouwd met Joseph Cox. De bakken en kassen zijn inmiddels verdwenen en hebben plaats gemaakt voor nieuwbouw.

                                                                                  

                                                                                        Anna Silkens (1868-1935)

 

Tant Reuske (1864-1897)


Rosa Hubertina Silkens (1864-1897) was de 3e dochter van Henricus en Maria Christina. In de familie wordt zij nog steeds "tant Reuske" genoemd. Al op jonge leeftijd heeft Reuske veel over voor armen en minder bedeelden. Ze vindt werk in de winkel van Felix Lommen.
Op zekere dag wordt de dokter geroepen, omdat Reuske zich niet goed voelt. Als de dokter haar onderzocht heeft, wordt hij kwaad, want Reuske blijkt behoorlijk verzwakt te zijn, omdat ze te weinig eten krijgt. Maar dat blijkt niet het geval te zijn. Reuske heeft haar eten aan arme mensen gegeven, die nooit tevergeefs bij haar aankloppen.
Op 5 mei 1897 treedt Reuske in bij de Congrégation des soeurs de St. Augustin de Bavière. Het is een Augustinessenorde in de stad Luik.
In juli 1888 wordt Reuske geprofest en neemt zij de kloosternaam "zuster Pauline" aan. De orde hield zich bezig met ziekenzorg. De gezondheid van zuster Pauline laat echter te wensen over.

                                             

                                                                  zuster Pauline staat 4e van links op de achterste rij

Tant Reuske overlijdt op 28 september 1897 in het ziekenhuis des Anglais in Luik. Ze wordt begraven in de grafkelder van de Orde der Augustinessen in Bressoux.
Op vrijdag 29 november 1912 wil men, volgens een getuigenverklaring, overgaan tot verplaatsing van graf nr. 958 (het graf van zuster Pauline) om het over te brengen naar een nieuw gebouwde kelder. Het blijkt echter dat het lichaam , 15 jaar na haar overlijden, nog volledig intact is. Van een medezuster blijkt de kist nog volledig intact te zijn. Waarschijnlijk kort na de eerste wereldoorlog overhandigt een medezuster aan Baer Silkens, de broer van zuster Pauline, een botje van de middelvinger van zuster Pauline. Renier Wassenberg maakt een relikwiekastje voor het botje. Jarenlang zal het een plaats hebben in de alkoof van boerderij Het Muggenbroek.

                                                                           

                                                                                                            voorkant van het relekwiekastje

                                                                                  

                  Het versierde botje van de middelvinger.


        Daaro
nder staat de tekst: Relikwie van de eerwaarde
           zuster Pauline, liefdezuster der Augustinessen,
            gestorven in de "geur" van heiligheid in het
                 ziekenhuis des Anglais van luik in 1895

     

Zuster Pauline stierf echter in 1897. Is hier een vergissing met de datum gemaakt, omdat de tekst jaren later is geschreven? Volgens Baer Silkens hing bij het overlijden van zuster Pauline een rozengeur in de gangen van het ziekenhuis. Is het graf later nog eens geopend? Als jaren later een botje van een middelvinger opduikt, wijst dat op een mogelijk latere ontbinding van het lichaam. Wat is er na de eerste opening nu precies gebeurd. De toenmalige moeder-overste van het klooster in Luik vindt het allemaal niet bijzonder. Zuster Pauline heeft, volgens haar, gewoon haar christelijke plicht gedaan. De bisschop van Luik vat de zaak serieus op en laat een officieel proces verbaal opstellen, waarin wordt beschreven wat men heeft geconstateerd. J. Lemmens acht een heiligverklaring mogelijk en roept op de feiten niet langer verborgen te houden en de mensen er toe te bewegen zuster Pauline en de andere zuster aan te roepen. "Men zal vervolgens zien of het God behaagt door hen wonderen te verrichten".
Ook de kinderen van Baer Silkens hebben herhaaldelijk verklaard dat een proces tot zaligverklaring in gang zou zijn gezet, maar dat door het uitbreken van de eerste wereldoorlog is daar een einde aan is gekomen. Ook het klooster geeft aan door het uitbreken van de eerste wereldoorlog niet meer te weten hoe de zaak is afgelopen. Zelfs de bisschop van Luik kan niet meer achterhalen wat zich indertijd nu precies heeft afgespeeld. Toch geloven wij dat ergens in een archief nog documentatie over deze gebeurtenis moet zijn. We blijven hopen ooit een duidelijk antwoord op onze vragen te krijgen.

                                                                        

 De grafkelder van de zusters Augustinessen op het kerkhof in Bressoux
          bij Luik. Het is tevens de laatste rustplaats van zuster Pauline.

 

Hubertus Silkens (1866-1954)

Hubertus Silkens (roepnaam Baer) wordt op 26 juni 1866 op boerderij Het Muggenbroek geboren.Hij zal de enige zoon blijven uit het huwelijk tussen Henricus en Maria Christina.

                                                              

                                                                     Baer Silkens (1866-1954)
                                                                   werkzaam op "De Zjwaore".

Baer leert in Roermond Betje Kuipers uit Weert kennen. 28 november 1905 is er een dubbele bruiloft. Dan trouwt Hubertus Silkens met Marie Elisabeth Kuipers uit Weert, maar trouwt ook zijn zus Hendrina Hubertina Silkens met Peter Joseph Hamans. Vader Driek heeft twee boerderijen gekocht. Zijn dochter Anna krijgt "De Armenhof" en zijn zoon Baer "Het Muggenbroek" Driek Silkens blijft bij zijn zoon Baer op de boerderij wonen.Kort nadat in november van het jaar 1919 een kind dood wordt geboren, slaat het noodlot toe.
Betje krijgt last van buikvliesontsteking en wordt halsoverkop naar het ziekenhuis gebracht (het huidige Louisapension), maar het mag niet meer baten. Betje sterft 10-12-1919 en laat Baer met zes kleine kinderen achter.

                                                        

                                                                Maria Elisabeth Kuipers (1882-1919)

Het worden zware tijden voor Baer. Hij krijgt weliswaar hulp van een huishoudster, Jacoba Roosen, maar zes kleine kinderen zonder moeder groot brengen is beslist geen gemakkelijke opgave geweest. Dan breken de dertiger jaren aan. Het zijn moeilijke tijden. Als Baer borg blijft voor zijn zwager Joseph Hamans gaat het mis. Het Muggenbroek moet noodgedwongen worden verkocht en Baer en zijn kinderen moeten de boerderij verlaten.

                                       

                                            boerderij Het Muggenbroek  

                               

                                     boerderij Het Muggenbroek aan de Roerzijde.

Baer trekt uiteindelijk in bij zijn dochter Maria. In 1947 overlijdt zijn zoon Lei aan een slopende ziekte. Baer Silkens overlijdt in 1954 in het ziekenhuis te Roermond. Hij zal niet meer meemaken dat zijn boerderij, dankzij zijn kleinzoon Har Silkens, weer in familiebezit komt.
Het Muggenbroek is echter behoorlijk vervallen. Op het einde van de 20e eeuw wordt de boerderij gesloopt.
Aan een lange en rijke historie komt een einde. We hopen later meer over de geschiedenis van boerderij Het Muggenbroek te kunnen vertellen.
Baer Silkens zat, evenals zijn zonen, vol streken. Hij noemde zijn zonen "nötte wölf". Baer was een meester in het vertellen. Zijn kleinkinderen hingen aan zijn lippen als hij zijn verhalen vertelde. Ook kon hij allerlei gedichten uit zijn hoofd opzeggen.Hij dronk graag een "kappertje". Dat was een flesje bier. Dat begrip kent men in de streken van Weert en Baer heeft dat waarschijnlijk van zijn vrouw Betje geleerd. Een drukke weg pleegde hij op zijn fiets zonder te stoppen over te steken. Als men hem daarop aansprak en zei dat zoiets gevaarlijk was, antwoordde Baer: "Ich bön aajer. Det ze maar wachte." (Ik ben ouder. Dat ze maar wachten).

                                                                       

                                                                         Baer Silkens en zijn jongste dochter Reus en
                                                                           zijn oudste zoon Henri achter hun boerderij

          

                                            v.l.n.r.: Joep, Reus, Baer senior, Baer junior, Maria, Lei en Henri.

 

Joseph Alphonsus Hubertus Silkens (1911-1991)

Op 8 maart 1911 wordt op boerderij Het Muggenbroek het 2e kindje uit het huwelijk tussen Baer Silkens en Betje Kuipers geboren. In het begin noemt men hem nog Jos(eph), maar uiteindelijk zal zijn roepnaam Joep worden. Als Joep 8 jaar is verliest hij zijn moeder. Baer blijft met 6 kleine kinderen achter.                                       

                                      v.l.n.r. Frans Hendriks, Joep en Baer Silkens jr.

De gebroeders Silkens (Henri, Baer, Joep en Lei) waren de schrik van de Kapel. Ze haalden allerlei streken uit en vader Baer moest soms hardhandig optreden. "Notte wölf, zeet geer weer bezig gewaes." Soms durfden de broers niet naar huis te gaan, omdat ze wisten wat hen dan te wachten stond. Maar de broers hadden dat streken uithalen van geen vreemde. Vader Baer was geen haar beter. Joep kon urenlang over die tijd vertellen en dan rolden hem de tranen over de wangen van het lachen. Evenals zijn vader kon Joep geweldig vertellen. Als hij eenmaal bezig was, kon hij niet meer stoppen.

                                                                

                                                                                          Joep Silkens als huzaar

Joep gaat vervolgens in de dienst en dient bij de huzaren. Hij houdt van paarden en valt dus met zijn neus in de boter. Als paardenverzorger krijgt hij zelfs de kans om mee te gang naar de Olympische Spelen in Los Angeles. Maar Joep ziet daar vanaf, omdat hij dan langer zou moeten dienen. Als hij weer terug is op het Muggenbroek, blijkt dat het boerenleven bepaald geen vetpot is. Het zijn moeilijke tijden en het werk op het land levert nauwelijks iets op. Joep ziet het boerenleven niet meer zitten en treedt in dienst bij de N.A.O. een bekende busonderneming uit Roermond.

              

                                                                                Joep (rechts) met een collega.

Hij is een graaggeziene chauffeur, die naast de gewone lijndienst, toch meestal met de touringcar op stap gaat. Hij blijft vaak van huis en maakt lange werktijden. Gezelschappen laten vaak door hem tochtjes uitstippelen.
In 1939 wordt boerderij Het Muggenbroek verkocht en moet de familie Silkens de boerderij verlaten. Joep en zijn broer Lei vinden samen met hun vader onderdak bij hun zus Maria.
Tijdens de oorlog helpt Joep neergeschoten piloten, zonder daar ophef over te maken. Na de oorlog brengt hij talrijke evacuees terug uit Friesland. Op "De Zjwaore" laat hij talrijke mijnen ontploffen.
Voor de oorlog heeft hij Griet Verstappen leren kennen. Zij zat regelmatig bij hem in de bus en op een dag vroeg hij of hij, na zijn busdienst, een stukje met haar mocht meelopen. Griet werkte immers bij de familie Zuidema op de Kapellerlaan. In 1949 besluiten ze samen in het huwelijksbootje te stappen. "Zolle veer de klommel maar biejein gooje?" zo luidde het originele huwelijksaanzoek.
Joep en Griet gaan op een bovenwoning op de Muggenbroekerlaan wonen. Het huis ligt in de tuin van het ouderlijk huis van Joep.

                                    

De bovenwoning op de Muggenbroekerlaan 54. Op de achtergrond het ouderlijk huis van Joep.

Er worden twee kinderen geboren: John en Liesbeth. In 1968 koopt men na veel wikken en wegen een huis in Herten-Merum.
Joep begint echter steeds meer met zijn gezondheid te sukkelen. Zijn rug speelde hem altijd al parten. Maar hartproblemen en een te laat onderkende zware gordelroos zorgen ervoor dat van zijn toekomstplannen niet veel terecht komt. Als de kinderen het huis uit zijn, besluit men kleiner te gaan wonen. Men betrekt een bejaardenwoning Op de Slaayen. Zijn vrouw Griet verzorgt hem liefdevol, maar als Joep na een val enkele ribben breekt, moet hij naar St. Camillus voor verdere verzorging. Daar sterft hij op 20 april 1991 kort na 16.00 uur. Zijn lichaam had hij al voorheen ter beschikking gesteld van de wetenschap.

             

                                         Joep stoeit met zijn kinderen John en Liesbeth


Joep was vroeger een gezellige kletser. Een harde werker en iemand, die altijd voor anderen klaar stond. Van die hulp aan anderen heeft hij nooit veel ophef gemaakt. Of het nu de kinderen van de Stenen Trappen waren, die hij op een ijsje trakteerde of de neergeschoten piloten, die hij veilig naar de grens bracht of die mensen in Utrecht waar hij een vrachtauto aardappelen naar toe bracht, toen de nood aan de man was.
Zijn vrouw en zijn kinderen betekenden alles voor hem. En hij draaide heel wat overuren om maar te zorgen dat zij niks tekort kwamen. Hij was veel onderweg en zag zijn kinderen niet vaak, omdat hij meestal laat thuis kwam. Maar toch nam hij regelmatig een kleinigheidje voor ze mee. Zo maakte hij eens een weg van chocoladerepen van hun slaapkamer naar de woonkamer. Hij kon uren vertellen over vroeger of zelf verhalen verzinnen, zoals het verhaal van het kindje van de kersenboom. Zijn grootste hobby was echter het tuinieren. Maar hij kon ook goed knutselen. Van niets kon hij iets maken. Hij kon niets weggooien en een kromme spijker werd nog recht geslagen. Als hij van zijn werk kwam, deed hij eerst zijn "apepekske" uit om zijn geliefde oude kleren aan te trekken. Hij liep er soms bij als een stroper,maar dat interesseerde hem niets. Het was voor hem heel moeilijk toen hij van anderen afhankelijk werd en hij al die leuke dingen niet meer kon doen.
Zijn dood was dan ook uiteindelijk een verlossing voor hem.

                                                    

                                                        Joep de buschauffeur, zoals veel mensen hem kenden.