»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»







»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»


 

BAREN , VERLOSSEN EN KRAMEN (NED)



 

OVER BAREN , VERLOSSEN

EN KRAMEN IN VROEGER TIJDEN

 

'In smart zult gij kinderen baren'.

 

# Dit gezegde was zeer zeker van toepassing in de tijden die achter ons liggen , ook al is de geboorte van een kind natuurlijk nog steeds een ingrijpende en emotionele gebeurtenis .

Maar zwangerschap en bevalling kunnen door de hedendaagse medische kennis toch wel met veel meer vertrouwen worden doorstaan en tegemoetgezien dan vroeger .

De mogelijkheid om in het verleden een voorspoedige bevalling te garanderen was slechts minimaal en de kans op blijvend fysiek letsel van de kraamvrouw was bepaald niet gering .

Barende vrouwen werden lang niet altijd , en zeker niet op het platteland , bijgestaan door een vroedvrouw .

Ze moesten zich soms , als de ween zich aandienden , tevreden stellen met de hulp van buurvrouwen en familieleden .

Maar in de grote steden was de verloskundige zorg vaak al beter geregeld dan op het platteland .

Wanneer de bevalling zich aankondigde , werd door een buurvrouw of echtgenoot de vroedvrouw gehaald , die dan verplicht was direct te komen .

In het huis van de barende vrouw was voor haar komst reeds het nodige klaargezet , zoals een zit- of ligplaats , twee stoven , doeken , vet , sluitband en een schaar .

Daarnaast bracht de vroedvrouw zelf nog materiaal mee om de navelstreng af te binden , verzachtende olin , steunen voor de uitgezakte baarmoeder , een katheter en een klisteerspuit .

Voor de nodige hulp waren buiten de vroedvrouw nog een aantal andere vrouwen aanwezig , zoals de baker , moeder , schoonmoeder en buurvrouwen .

DE BEVALLING

De bevalling kon op verschillende manieren plaatsvinden .

Dit kon zijn op een baarstoel , een houten stoel met hoge leuning en een kleine zitting , of op een 'kort-bed' : een kort-bed werd gemaakt door een aantal stoelen voorover te klappen met de leuningen op de grond en dan daarop een matras te leggen .

De barende vrouw kon ook op de schoot zitten van een van de aanwezige vrouwen , schootster genoemd , die het lichaam van de zwangere vrouw goed vasthield .

De vroedvrouw zat tegenover hen op een krukje .

Zij maakte met olie haar handen en het geboortekanaal van de aanstaande moeder zacht om het baren te versoepelen .

Daarna spoot zij olie naar binnen zodat ook de baarmoeder en het kind glad werden .

Verder gebruikte zij de klisteerspuit , het enige instrument dat de vroedvrouw gebruiken mocht , om warme olie vermengd met tarwezemelen , venkel of anijs in de darmen van de barende vrouw te spuiten en deze te ontlasten .

Vanaf het begin van de achttiende eeuw bevielen - onder invloed van de komst van de vroedmeesters in de kraamkamer - steeds meer vrouwen liggend op bed .

DE PLACENTA

Wanneer de baby ter wereld was gekomen , was het van belang dat de moederkoek heelhuids te voorschijn kwam .

In handboeken van rond 1700 werd vroedvrouwen nog aangeraden de nageboorte met de hand te verwijderen , maar daar kwam men later op terug ; de ervaring had namelijk geleerd dat de moederkoek vanzelf losliet en dat met het handmatig verwijderen regelmatig ongelukken gebeurden .

Nadat de placenta te voorschijn was gekomen , werd die aan de omstanders getoond .

Het was van belang dat die compleet was , want anders moest er alsnog een vroedmeester of arts bij de kraamvrouw geroepen worden .

Indien namelijk iets van de moederkoek in de baarmoeder achterbleef , was de kans groot dat de vrouw aan complicaties zou overlijden .

NA DE BEVALLING

Na de bevalling droeg de vroedvrouw de zorg voor de moeder en haar kind over aan een baker .

Vaak waren dat oudere vrouwen , die zelf kinderen hadden gebaard en wisten hoe ze zuigelingen moesten verzorgen - in arme gezinnen kon men zich die hulp meestal niet permitteren en waren het familieleden en buren die hielpen .

De baker droeg de kraamvrouw , als zij niet in haar eigen bed bevallen was , naar haar voorverwarmde bed en deed haar een sluitlaken om .

In de zeventiende eeuw was men nog van mening dat de baarmoeder door het lichaam zweefde en dat de kneldoek dit zou beletten .

In de achttiende eeuw geloofde man daar niet meer in , maar werd het sluitlaken nog wel omgedaan om verslapte buikspieren te ontzien .

De baker controleerde het kind op gebreken en bekeek of de navelstreng goed was afgebonden .

Vervolgens werd het kind met olie ingesmeerd en kreeg het een luier om , waarna het vanaf de voeten tot de oksels werd ingezwachteld ; dit werd gedaan om eventuele kneuzingen te genezen , een navelbreuk te voorkomen en te zorgen dat het kind een rechte rug en benen zou krijgen ; babies konden zodoende gedurende de eerste dagen van hun prille bestaan geen vin verroeren , omdat ze dan veelal met (te) warme doeken waren ingebakerd - vandaar nog onze uitdrukking : "Hij/zij is nogal heetgebakerd".

Pas in de loop van de negentiende eeuw verdween het inzwachtelen in de meeste Nederlandse steden , maar op het platteland bleef dit gebruik in sommige streken nog wel iets langer bestaan .

 

 

 

*