»

»

»

»

»

»

»
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»


BERCK



Gedeeltelijk overgenomen uit Mathijs Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677), deel II, p. 939 e.v.

Zie ook de pagina over het huis "De Berckepoort" op deze website.

Literatuur:

W. Blok, Het Huys te Goidschalxoord. Contentes Praesentibus, Speramus Meliora. (Zutphen 1980)


I. Jan Berck, geboren naar schatting ca. 1495, overleden na 6 aug. 1544, trouwde Agneta van Duysseldorp, woonden te Emmerich

Jan Berck en Agneta van Duysseldorp (foto: Erfgoedcentrum DiEP)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Matthijs Jansz. Berck, volgt II

b. Henrick Berck, geboren naar schatting ca. 1525, trouwde Lucretia van Jeuckeren Dircksdr.

Uit dit huwelijk:

b-1. Jan Berck, overleden vr 13 aug. 1586, vermoedelijk te Emmerich, trouwde Anna van Huijs

b-2. Dirck Berck Henricksz., geboren ca. 1551, trouwde Erkenraad van Berkenroede

- 16 jan. 1577: ontvangen als gildebroeder van het Houtkopersgilde Dirck Berck Hendriksz., betaalt 1 gulden. (Gildenarchieven Dordrecht, inv. 8, f. 44)

- 23 jan. 1587: verklaring op verzoek van Wendelke [Spijckers], weduwe van Jacob van Castro, door Dirck Berck, ongeveer 36 jaar oud, wijnkoper en burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 40v)

Kinderen (o.a.):

b-2-1. Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, griffier van de Munt van Holland (1613), trouwde 15 mei 1607 Johanna van Diemen, dochter van Jacob van Diemen en Margareta van Beaumont Jansdr.

ORA Dordrecht inv. 1601, f. 31 e.v.: op 12 mrt. 1624 pacht Oth Cornelisz., wonende buiten de Spuipoort, van Johan Berck Dirksz., lid van de Oudraad te Dordrecht, voor 7 jaar, ingaande in mrt. 1623, alle weilanden, die Johan Berck voor zichzelf bedijkt heeft, zowel op grond van de Merwede, als op Dubbeldam, liggende aan de noordzijde van Dubbeldam. De pachtsom bedraagt 340 gl. per jaar. De pachter verbindt hiervoor zijn huis, waar tegenwoordig uit hangt "Ierlandt", met een schuur, berging en een werf aan het genoemde huis, samen staande en liggende buiten de Spuipoort, alsmede zijn paarden [en andere beesten?]. Oth Cornelisz. belooft de weilanden gedurende de pachtperiode behoorlijk te "weijden" en met beesten "beslagen" te houden, en zal het land noch in het geheel, noch gedeeltelijk, mogen "hoeijen".

Kinderen (o.a.):

b-2-1-1. Margareta Berck(s) Johansdr., jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1640), trouwde NG Dordrecht 16 sept./2 okt. 1640 Johan Hallincg Hermansz., jongman van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk (1640), achtraad van Dordrecht

II. Mathijs Berck, geboren naar schatting ca. 1520, wijnkoper te Dordrecht, overleden tussen 1 juni 1582 en 4 okt. 1583, trouwde naar schatting ca. 1560 Wilhelmina Tack, geboren ca. 1536, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht okt. 1604 (A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerck te Dordrecht [Sliedrecht 1998], p. 85), dochter van Huybert Tack en Anna van Alblas Willemsdr.

- 5 dec. 1535: Hubert Tack wordt lid van het Houtkopersgilde te Dordrecht. Hij heeft drie kinderen en betaalt 7 Rijnse gl. 10 st. (Gildenarchieven Dordrecht inv. 8, f. 24)

- 9 jan. 1543: Huijbrecht Tack verkoopt Pieter Gheritsz. op Scarlaken een jaarlijkse losrente van 50 gl., verzekerd op een huis genaamd "de Drie Coningen", staande aan de Poortzijde [Wijnstraat] bij de Nieuwbrug tussen het huis genaamd "die Clock" en het huis genaamd "Cleijn Spaengien". "Tot meerder zekerheijt" draagt Tack aan Pieter Gheritsz. over een rentebrief van 200 gl. jaarlijks ten laste van de Prins van Oranje. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 87)

- 6 aug. 1544: Mathijs Jansz. Berck, koopman van wijnen te Dordrecht, als gemachtigde van zijn vader Jan Berck, verleent procuratie ad recipienda debita aan Zijmon Cloppenborch. (ORA Dordrecht inv. 694, akte 96)

- 13 sept. 1544: Anna Willemsdr., echtgenote van Huijbert Tack, verleent procuratie aan Willem Heerman, poorter van Brielle. (ORA Dordrecht inv. 694, akte 121)

Huijbert Tack had uit een buitenechtelijke relatie met een onbekende vrouw een natuurlijke dochter, Anna, aan wie in 1550 drie Vlaamse ponden lijfrente betaald werd door de stad Dordrecht. (Stadsarchief Dordrecht nr. 11, inv. 447, f. 61)

- ca. 1560: Matthijs Berck wordt door zijn huwelijk met Wilhelmina Tack eigenaar van een gebouwencomplex, dat zich uitstrekt van de Voorstraat (bij de Nieuwstraat) tot aan de Hofstraat. Het gebouw wordt later naar de familie Berck "de Berckepoort" genoemd. (Zie 50e penning van Dordrecht anno 1580.)

 

De Berckepoort in de Nieuwstraat

["[D]e Berckepoort [dateert] van het midden van de zestiende eeuw. Al is er veel aan het gebouw [of beter: het complex van gebouwen] verknoeid en werden de topgevels, onbekend wanneer, alle afgebroken, toch maakt het nog steeds een imposante indruk ... Het is een van die grote zestiende-eeuwse huizen welke door de handelaars in Rijnwijn gesticht werden. Hoewel de naam sedert het eind van de zestiende eeuw Berckepoort is, was de stichter toch een ander, namelijk Huijbert Tack, een wijnhandelaar die zich in 1544, uit Emmerik komend, in Dordrecht vestigde. Later kwam het huis door het huwelijk van een dochter, Wilhelmina Tack, aan Matthijs Berck. Het kwam met een poort uit aan de Voorstraat, zoals ook nu nog [in 1974]. Toen in 1616 een huis er naast verkocht werd, noemde men als belendend pand, de Poort van de heer Berck, later kortweg Berckepoort. Het ondergedeelte, uitkomende in de Nieuwstraat, diende voor wijnkelders. Oorspronkelijk behoorden de huizen aan de Voorstraat naast de Poort er toe en reikte het pand tot de Hofstraat, waar het eindigde in een huis dat in 1911 afgebroken werd. Het huis aan de Voorstraat werd reeds in 1587 verkocht aan boekdrukker Pieter Verhaghen. (Lips, o.c., deel II, p. 315)]

- 8 mei 1561: Mathijs Berck verkoopt aan Jan Jansz. vaatspoelder een huis in de Nieuwstraat, staande tussen zijn, Mathijs Bercks, huis en dat van de weduwe van Jacob Corstensz. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 18 ponden Vlaams. (ORA Dordrecht inv. 723, f. 22)

- 4 mei 1566: Mathijs Berck, koopman van Rijnse wijnen, burger van Leenrdam, verleent procuratie aan zijn broer Henrick Berck, om namens hem te innen en in ontvangst nemen, al hetgeen hem te Keulen of daaromtrent, of in het Land van Gulik, Berg of Kleef, aanbestorven zal mogen zijn. (ORA Dordrecht inv. 705, akte 366)

- 1575: Matthijs Berck heeft een huis en plaats met nog andere huizen "daaraan responderende" tot in de Nieuwstraat, in welk huis hij woont, "wesende thoff van Z. Extie. van mijn heere den Prinche van Oraenguen", is in het geheel getaxeerd op 2500 gl. (100e penning Dordrecht, f. 193):

- 20 mei 1578: Matthijs Berck, koopman van wijnen te Dordrecht, verleent procuratie aan Pieter Tack, "zijnen neve", wonende te Oosterhout, om voor hem te innen al hetgeen men hem schuldig is in Breda, het land van Breda, Zevenbergen, de Langstraat en elders. (ORA Dordrecht inv. 734, f. 25v)

- 1 juni 1582: Mathijs Berck, koopman van wijnen te Dordrecht, is borg voor Jan Ghijsbrechtsz., Willem Ghijsbrechtsz. en Ewout Jansz. van Rotterdam, man en voogd van Maria Ghijsbrechtsdr. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 343v)

- 4 okt. 1583: Wilhelmina Tackx, weduwe van Matijs Berck, als aangenomen hebbende het proces, dat Matijs Berck is aangegaan tegen Henrick Michielsz. of diens weduwe en erfgenamen, verleent volmacht aan Cornelis Beuckelair, procureur in Den Haag, om tegen voornoemde weduwe en erfgenamen te procederen. (ORA Dordrecht inv. 715, f. 108v e.v.)

- 1 febr. 1584: jonkvrouwe Wilhelmina Tacx, weduwe van Mathijs Berck, ongeveer 47 jaar oud, legt een verklaring af . (ORA Dordrecht inv. 737, f. 363)

- 14 okt. 1585: Guillelmina Tacx, weduwe van Mathijs Berck, verbindt in plaats van waarborg een huis aan de Landzijde [Voorstraat], staande tussen het grote huis, waarin zij woont en het huis van Pieter Gijsbrechtsz. schoenmaker en wel "tot verseeckertheijt ende bevrijdinge van Adriaen Antonisz. aende welcke sij comparante vercoft ... heeft seecker huijs ende hoffstadt ... staende tot Leerdam in de Kerckstraet." (ORA Dordrecht inv. 738, f. 258v)

ORA Dordrecht inv. 717, f. 71v e.v.: op 15 april 1587 verkoopt Guilhelmina Tacx, weduwe van Mathijs Berck, koopman van Rijnse wijnen, aan Pijeter Verhagen boekdrukker een huis aan de Landzijde omtrent de Wijnbrug, staande tussen de poort van het huis van verkoopster en het huis van Pieter Gijsbertsz. schoenmaker, met alzulke gerechtigdheid van muren aan de zijde van Pieter  Gijsbertsz. als de verkoopster het in eigendom gehad en gerfd heeft, en met zijn vrije waterloop door het huis, dat toebehoord heeft aan wijlen Jan Jansz. vaatspoelder en nu eigendom is van de weduwe van Helias Tack. Koper is schuldig een somma van 1000 gl.

- 15 jan. 1588: verklaring t.b.v. Willem Otten, bode van de stad Emmerich, door Wilhelma Bercks, weduwe van Mathijs Berck, circa 51 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 39)

- 14 mrt. 1588: Wilhelmina Tack, weduwe van Mathijs Berck, 51 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 75v)

- 1588: door de stad Dordrecht betaald aan Wilhelmina Tack, weduwe van Mathijs Berck, 54 ponden 17 schellingen 4 deniers van 40 groten het pond, "ende dat over volle betalinge vant gundt de selve weduwe van deesen Steede competeert bij sloote van zeeckere afreeckening mette selve weduwe opten [18 sept. 1588] gemaect vande Tractemente bij de voorn. Berck deur laste vande Regeerders deeser Steede gedaen zoo aen zijne Excellentie den Prince van Orangien hooge Memorien, de Grave van der Marck ende de heere van Batenborch mitsgaders vande [500 ponden] haer toegeleijt voor haer gepretendeerde achterweesen van schade moeijte verlies ande anders bij haer geleden ende gehadt van dat in haeren huijse van den aenbeginne der Troublen [de Nederlandse Opstand] tot den voorsz. daege de heeren ende oversten gelogeert zijn geweest". (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2910, f. 51v e.v.)

Kinderen:

a. Johan Berck, volgt III

b. Agnes Berck, trouwde Willem Edmont, Ridder, kolonel van een Regiment Schotten, overleden in 1606

c. Anna Berck, trouwde Henrik Roosboom, schepen en secretaris te Middelburg

d. Huybert Berck

e. Willem Berck

III. Johan Berck, ridder, geboren ca. 1565, schepen van Dordrecht, eerste raadpensionaris van Dordrecht (1621), Nederlands ambassadeur in Veneti, overleden te Dordrecht in aug. 1627, begraven in de Augustijnenkerk ald. aug. 1627, trouwde 1e ca. 1590 Erkenraad van Berkenroede, weduwe van Dirk Berck Henriksz. (zie I-b-b-2), 2e  NG Dordrecht 4/20 april 1621 Maria Buysen, trouwde 1e Johan van de Corput, rentmeester van de prinselijke domeinen van de Hoge en Lage Zwaluwe, dochter van dr. Kornelis Buysen en Maria Hanekops

ORA Dordrecht inv. 765, f. 41: op 7 mei 1624 verkoopt mr. Mathijs Berck, licentiaat in de rechten, secretaris van Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn vader Johan Berck, ridder, ambassadeur van de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden bij de Republiek Veneti, schepen in wette van Dordrecht, als man en voogd van Maria Buijsen, voor 10.000 gl. aan mr. Gerardt Schaep, licentiaat in de rechten, een huis omtrent de Grote Kerk, staande tussen het huis van Johan Govertsz. van Beaumont en dat van de weduwe van Dierick Jansz. Constabel, met een mouterij, het huisje, waarin de moutmaker woont, de tuin en het erf daarachter en alle bijbehorende gerechtigdheden, zoals uitgangen ter weerszijden van het huis van mr. Herman Halling en achter door de houttuin van Dierick Pietersz. van de Honaert, en "gotieren, waterloopen" etc.

ORA Dordrecht inv. 766, f. 18: op 7 mei 1626 compareren Herman Halling, oudraad van Dordrecht, voor de ene helft en Jacob van de Corput, oudraad van Dordrecht, als procuratie hebbende van Johan Berck, ridder, ambassadeur van de Hoogmogende Heren Staten Generaal der Verenigde Nederlanden bij de Serenissime Republiek van Veneti, als getrouwd hebbende Maria Buijsen, voor de andere helft, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Pieter Willemsz. Schepens op 25 sept. 1622. Zij verkopen aan Jan Jorisz. korenkoper een huis in de Grotekerksbuurt aan de havenzijde, staande tussen het huis van Willem Sieren en dat van Liedewij Diters Cornelisdr. Kennen betaald. Promittit quitare. 

Giovanni I Cornaro was doge van Veneti (1625-1629) toen Johan Berck daar Nederlands ambassadeur was.

- 20 aug. 1627: bericht wordt aan Den Haag, dat ambassadeur Berck te Dordrecht is overleden. Diens erfgenamen willen graag weten in welke hoedanigheid zij hem dienen te begraven.
Vanaf het moment dat ambassadeurs hier voet aan wal zetten, zijn zij geen vertegenwoordigers meer van [de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden]. Zij kunnen Bercks begrafenis dan ook regelen zoals zij willen, echter zonder diens rang van ambassadeur. (www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BesluitenStaten-generaal1626-1651/silva/sg/resoluties?advanced=1&persoon_ids:int=88922)

ORA Dordrecht inv. 767, f. 66v e.v.: op 21 april 1629 verkoopt mr. Gerrit Schaep, licentiaat in de rechten, aan Maria Buijsen, weduwe van Johan Berck, ridder, in zijn leven ambassadeur van de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden bij de Republiek Veneti, een huis omtrent de Grote Kerk, staande tussen het huis van Jan Lambertsz. schoolmeester en de weduwe van Dirck Jansz. Constapel. Koopster is schuldig aan verkoper een bedrag van 10.000 gl.

Hij werd in 1626 aangeslagen voor een vermogen van 200.000 gl. (zie 1000e penning Dordrecht anno 1626, f. 91)

Johan Berck werd begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht. "Later werd aan een der zuilen boven zijn graf een marmeren tafel opgehangen met zijn beeltenis uit wit Italiaans marmer gehouwen erboven. Voorts stond er in gouden letters een latijnse tekst op." (A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerk te Dordrecht [Sliedrecht 1998], p. 115)

Kinderen (ex 1):

a. Matthijs Berck, geboren 1591, volgt  IV

b. Dorothea Berck Jansdr., geboren 1593, "van Dordrecht" (1616), trouwde NG Dordrecht 23 okt./22 nov. 1616 (proclam. te Amsterdam) Joseph(us) Balthasarsz. Coeijmans, geboren Hamburg 1 aug. 1591," van Amsterdam" (1616), zoon van Balthasar Coymans en Isabella (Elisabeth) de Pickere [Wikipedia]

Josephs vader, Balthasar Coymans, was in 1631, met een vermogen van 400.000 gl., de op twee na rijkste inwoner van Amsterdam. (J.I. Israel, De Republiek 1477-1806 [Franeker 2001], p. 383) 

Dorothea Berck, geschilderd door Frans Hals in 1644

- 29 dec. 1683: Dorothea Berck, vrouwe van Alblasserdam, weduwe van Joseph Coijmans, tegenwoordig wonende te Dordrecht, "eenichsints indispoost naer den lichaeme", testeert voor notaris J. van der Hoop te Dordrecht. Zij bevestigt de akte van donatie, gepasseerd voor dezelfde notaris op 16 jan. 1682, en herroept al haar eerdere testamenten, codicillen e.d., in het bijzonder de akte van approbatie, die zij, "op seecker contract tusschen haere gesamentlijcke kinderen in de maent Januarij 1677 over de verdelinge ende genietinge van haere goederen opgerecht", verleden heeft. Zij herroept tevens het codicil, dat zij op 21 nov. 1677 gepasseerd heeft voor notaris Pieter Baes te Haarlem, "alsoo de selve acte van appobratie ende codicille haer dochteren, vrouwen Wilhelma, ende Isabella Coijmans, haeren mannen, ende haer Edelheits neeff, d'heer Aernout Druijvesteijn, haer voornoemde comparante genoegsaem met gewelt ende tegens haeren wille hebben doen passeren". Hoewel zij "suffisante en pregnante" redenen heeft om haar dochter Isabella Coijmans en de kinderen van haar dochter Wilhelma Koijmans te onterven, is het haar wil, dat Isabella, de kinderen van Wilhelma en Erckenraed Bernardts, de dochter van haar dochter [Erkenraad Coijmans], of bij vooroverlijden hun kinderen, uit haar nalatenschap de "naeckte ende simpele" legitieme portie zullen krijgen. In al haar overige goederen benoemt zij tot erfgenamen de kinderen en kleinkinderen van haar zoon Balthasar Coijmans. De leengoederen, die zij zal nalaten, "employerende voor soo veel [die] leengoederen aengaet de Octroijen, daervan bij Haer Ed. Groot Mog. de Heeren Staeten van Hollandt ende Westvriesland ende het Marie-capittel tot Utrecht tot haer Edelheits vrije dispositie van de selve verleent", zullen moeten worden gesteld op naam van het oudste kind of kleinkind van haar zoon Balthasar, zolang haar goederen niet verkocht of verdeeld zijn, met dien verstande, dat Balthasar en zijn vrouw Maria Herwijn [van Herrewijne] of de langstlevende van beiden het vruchtgebruik daarvan zullen hebben, evenals van de goederen, die zij aan de kinderen heeft gelegateerd in voornoemde akte van donatie. Als Balthasar en zijn familie daarvan echter niet "naer behoren" kunnen bestaan of als zij om een andere reden geld nodig hebben, mogen zij zoveel van testatrice's vaste goederen verkopen, als hun zal goeddunken, mits dat gebeurt na overleg en met toestemming van de na te noemen administrateur. Na het overlijden van Balthasar en zijn vrouw zullen genoemde goederen aan hun kinderen of verdere nakomelingen komen, maar zullen Isabella Coijmans en de kinderen van Wilhelma Coijmans, of bij vooroverlijden hun kinderen, van dat erfdeel voorgoed uitgesloten blijven. Als Joan en Samuel Coijmans na het overlijden van hun ouders nog niet hun opleiding of studie voltooid hebben en niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, staat testatrice haar administrateur toe om hen uit de opbrengsten van haar goederen te alimenteren tot zij 25 jaar zijn geworden. Testratrice heeft totnogtoe haar kleine huizen of kamers, staande achter haar grote huis, gelegen tussen de Grote Houtstraat en het Klein Heiligland te Haarlem, laten bewonen door oude, behoeftige mensen. Zij wil niet, dat zulks na haar overlijden gecontinueerd wordt, maar wenst dat die huizen dan verkocht of verhuurd worden en dat haar zoon en zijn vrouw of hun nakomelingen de inkomsten daarvan zullen genieten. Zij legateert aan Joseph, Dorethea en Constantia Coijmans, kinderen van haar zoon, elk 2000 gl., aan Jan en Samuel Diderick Coijmans elk 3000 gl., aan Erkenraad Bernhard, getrouwd met Jan Coijmans een somma van 15.000 gl., welke haar, testatrice, toekomen uit de goederen van de heer en vrouwe van Nieuwael en aan haar dienstmaagd Ariaentjen van Westerbrugge, indien zij bij testatrice's overlijden nog in haar dienst is, 100 gl. Tot voogden over de minderjarige kinderen en nakomelingen van haar zoon en executeurs van haar testament benoemt zij Anthony Repelaer, schepen in wette van Dordrecht, getrouwd met haar zoons dochter [Hester Coijmans], mr. Hermen Hallincq en mr. Hermen van den Honert, oudraden en secretarissen van Dordrecht, haar neven. Ter "assistentie ende ontlastinge van haer gemelte executeurs" stelt zij aan als administrateur van haar boedel de Haarlemse notaris Leonard van Asperen. (ONA Dordrecht inv. 374)

- 30 okt. 1684: inventaris van de goederen, nagelaten door Dorethea Berck, vrouwe van Alblasserdam, weduwe van Joseph Coijmans, gemaakt op 26 okt. 1684 door J. van der Hoop, notaris te Dordrecht, op verzoek van Balthasar Coijmans, heer van Streefkerk, Anthonij Repelaer, lid van de Oudraad te Dordrecht, mr. Hermen Hallincq en mr. Hermen van den Honert, oudraden en secretarissen van Dordrecht, als executeurs-testamentair, in aanwezigheid van Samuel Grutterus, als echtgenoot van Isabella Coijmans, de heer Geldrop van Fladderack, als voogd over zijn minderjarige kinderen, verwekt bij Anna Druijvesteijn en Johan Coijmans, als echtgenoot van Erckenraed Bernardts.

Tot de nalatenschap behoren o.a.:

- in het huis te Alblasserdam: vier venetiaensche contrefeijtsels, een Marienbeeltjen, een fruitjen wesende een schilderije, in het salet: 't goutleerbehangsel, twee portretten vanden heere ende vrouw van Alleblasserdam, een portret van Mevrouw Berck, noch een portret vande vrouwe van Alleblasserdam,

- in het huis te Dordrecht: een schilderije van Bronckhorst voor de schoorsteen met bee[l]den en vergulde leijst, drie schilderijen van Jan Blom, sijnde lantschappen met vergulde leijsten, een schilderije met een vergulde leijst waarinne diversche beeldekens, een schilderije sonder leijst met diversche naeckte beelden, een grote schilderije met een swarte lijst, twee schilderijen met vergulde leijsten, een schilderije sijnde d'offerande Jacobs, een Italiaens stuckjen met een swarte lijst, een dito met een vergulde lijst, twee blompotjens met swarte lijsten, een schilderije met een swarte lijst daerinne een oud man, een dito met een silvere kelck, twee portretten vanden heere ende vrouw van Streeffkerck, een dito van den ouden heer van Herwijnen, item noch een vande jongen heer van Herwijnen, een portret van de kinderen van de heer van Streeffkerck, een schilderijtje met een swarte lijst, een dito lantschapjen, noch tien schilderijtjes met swarte lijsten, noch een schilderije sijnde Cleopatra". (ONA Dordrecht inv. 375)

          

Jozef Coymans, geschilderd door Frans Hals in 1644

Detail van de grafzerk van Jozef Coymans en Dorothea Berck in de Grote Kerk van Haarlem (foto: Barbara Luedecke)

Detail van de grafzerk van Jozef Coymans en Dorothea Berck in de Grote Kerk van Haarlem (foto: Barbara Luedecke)

Kinderen (o.a):

b-1. Balthasar Coymans, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1618, heer van Streefkerk en Nieuw-Lekkerland, ridder van St. Michel, raad en schepen van Haarlem, koopman te Haarlem, overleden ald. 19 nov. 1690 [Wikipedia], begraven in de Grote Kerk van Haarlem (Brouwerskapel) ca. 25 nov. 1690, trouwde 1e Anna Prins, 2e Maria van Herrewijne (Harwijns)

- 18 mei 1644: Jaecques Verelst, burger van Dordrecht, verklaart, dat hij met zijn crediteuren, t.w. Joachum van Horenburch, voor zichzelf, N. van Norenburch, namens Johan en Baltesar Koeijmans, Koenraet Damisz., namens Lucas Arentsz., Jan Hulsthout, en Aert Schut, beiden voor zichzelf, en Arendt van Rijedbeeck, bode van Amsterdam, namens Glaude de Farmond, is overeengekomen dat hij een zeker gedeelte van hetgeen hij aan hen schuldig is zal afbetalen. (ONA Dordrecht inv. 41, f. 240 e.v.)

- 25 nov. 1690: "een openninck in Groote Kerck voor Heer Balthasar Coijman in Brouwerkaeppelt [Brouwerskapel] in kelter [sic] no. 42 - 8 gl.; voor waepen aen kerck - 50 gl.; voor 14 lantares - 14 gl.; voor roef aen kerck - 3 gl.; [totaal:] 75 gl." (Rekeningen van de grafmakers Haarlem)

Kinderen (ex 2, o.a.):

b-1-1. Hester Coijmans, geboren naar schatting ca. 1650, jonge dochter te Haarlem (1674), overleden 's-Gravenhage 21 okt. 1733 (impost Den Haag 24 okt. 1733: vrouwe Hester Coijmans, vervoerd naar Dordrecht), trouwde NG Dordrecht/Haarlem 2/17 sept. 1674 (ondertrouw, per schrijven van Haarlem) Anthoni Repelaer,  gedoopt NG Dordrecht 31 jan. 1649, jongman van Dordrecht wonende bij de Visbrug (1674), burgemeester van Dordrecht 1688, ontvanger van de grafelijkheidstollen te Gorinchem 1689, overleden Dordrecht 27 mrt. 1725, zoon van Hugo Repelaer, brouwer in "de Sleutel" aan de Groenmarkt te Dordrecht, en Margaretha Cools

(D.G. van Epen, Het geslacht Repelaer ['s-Gravenhage 1911], p. 8)

b-2. Wilhelmina Coijmans, trouwde Jacob van Druijvesteijn 

b-3. Erkenraad Coijmans, trouwde Jean Bernard

b-4. Isabella Coymans, gedoopt NG Haarlem 6 mrt. 1626, begraven Grote Kerk Haarlem (Brouwerskapel) 14 okt. 1689 [Wikipedia], trouwde 1e Amsterdam 3 sept. 1644 Stephanus Geraerdts, schepen van Haarlem, 2e naar schatting ca. 1680 Samuel Grutterus

Isabella Coymans, geschilderd door Frans Hals ca. 1650

Ondertrouwregister Amsterdam, 3 sept. 1644: syn op de acte van Henricus Swalmius predt. tot Haerlem ingeteeckent Steven Geraerts van A[msterdam] woonende opde Keijsergracht en Isabell Coeijman tot Haerlem [in margine: extraordinaris]

Stephanus Geraerts, door Frans Hals (ca. 1650)

c. Huybert Berck, Ridder, werd als zoon van Johan Berck, ridder, die gezant was van de Staten Generaal der Nederlanden bij de belegering van Gulik/Jlich (juli-sept. 1610), op 7 nov. 1610, "zur Belohnung fr dessen Dienste", beleend met Klein Spillekenswaard bij Emmerich

(Landesarchiv Dsseldorf, Bestand Kleve Lehen Generalia VII, Seite 192:

Hupert Berck mit dem Kleinen Spellekenswardt by Embrich

Anno 1610 den 7 Novembris haben beide die durchlauchtigst hochgeborene Unsere Gnedigste Fursten und gnedigste Her Ernst Marckgrave zu Brandenburg In Preuen, Hertzog und Her Wolfgang-Wilhelm Pfaltzgrave beim Thron In Beyeren zu Cleve Gulich und Berg Hertzogs, Hern Johan Berck Rietern, der Hern Staeten generall In Der belagerung vor Gulig abgesandten, Zur recompen[sation] seiner diensten den Kleinen Spellekens wardt In lehen gegeven und seinen Sohn Hupertus Berck bevohlen damit zu belehnen, wie beschehen In einem unverstirblichen Erblehen und zuthauschen rechten zweier hergeweiden mit ein roden Sperrer und anderen Conditjen davon die brief infra fol. 195 folgen)

Het leen gaat na zijn overlijden over op:

12 juli 1648: Matthias Berck, raad en pensionaris van Dordrecht, als opvolger van zijn overleden broer Hubert Berck

1 sept. 1655: Johan Berck, pensionaris en secretaris van Dordrecht, zoon van wijlen Matthijs Berck, middels zijn gemachtigde Johann Jordan, pastor te Warbeyen

28 febr. 1666: Pompeius Berck, broer van wijlen Johan Berck

3 jan. 1693: Matthijs Berck, zoon van wijlen Pompeius Berck

(Hauptstaatsarchiv Dsseldorf, Bestand "Kleve Lehnregister", nr. 760, Kleine Spillekensward bei Emmerich, zutphensches Erblehen)

d. Agneta Berck, trouwde Pieter Johansz. van den Burch

Kind (ex 2):

e. Erckenraet Berck, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1622

IV. mr. Matthijs Berck Johansz., vrijheer van Godschalksoord, raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, geboren Dordrecht 1591, licentiaat in de rechten, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 1 juli 1655, trouwde Alidt de Rovere, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 29 okt. 1678

20 juni 1635: Johan Verboom te Dordrecht koopt voor 11.320 gl. van de ingelanden van Goidschalxoord, met toestemming van Rekenkamer en de Fiscaal van Holland, de Vrijheerlijkheid Goidschalxoord met de daartoe behorende rechten en inkomsten (o.a. het recht om baljuw, schout, schepenen, secretaris en boden aan te stellen, de inkomsten bestaan uit o.a. de bier- en wijnaccijns, die de tappers gehouden zijn te betalen, nl. 3 stuivers per ton, het windrecht van de korenmolen en de erfpacht van de grond, waarop die molen staat). De schout en secretaris verzetten zich tegen deze verkoop, maar worden door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld. (Blok, o.c., p. 11-12)

27 april 1650: Johan Verboom vermaakt bij codicil de Vrijheerlijkheid Goidschalxoord aan Matthijs Berck, welk codicil door Verbooms overlijden in dat zelfde jaar wordt bekrachtigd. (Blok, o.c., p. 12)

1 juli 1655: Matthijs Berck overlijdt. Krachtens hun testament van 2 juni 1655, waarbij de eerststervende de langstlevende tot erfgenaam heeft benoemd, wordt zijn weduwe, Alijd de Rovere, de nieuwe Vrijvrouwe van Goidschalxoord. (Blok, o.c., p. 12)

De Vrijheerlijkheid blijft tot 1786 in bezit van de familie Berck, de opeenvolgende Vrijheren c.q. Vrijvrouwen uit het geslacht Berck zijn:

1655-1678: Alijd Rovere, weduwe van Matthijs Berck

1678-1691: mr. Pompejus Berck, hun zoon

1691-1736: Matthijs Berck, zijn oudste zoon

1736-1758: mr. Pompejus Berck, zijn enige zoon

1758-1786: Margareta Berck, zijn enige kind, trouwt in 1758 met Barthout van Slingeland. Het huwelijk blijft  kinderloos. Barthout voert de titel Heer van Goidschalxoord al tijdens het leven van zijn vrouw en erft de Vrijheerlijkheid na haar overlijden. (Blok, o.c., p. 12-13) 

1638: mr. Mathijs Berck pensionaris in de 200e penning van Dordrecht aangeslagen voor een vermogen van 15.000 gl. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3978)

21 juli 1651: Abraham Andriesz., voor zichzelf en als procuratie hebbende van Adriaen van Bonckelwaert, Clara van Bonckelwaert, weduwe van Abraham Schut, Cornelis van Bavel, als man van Maeijken Andries, Isaac Andriesz., Hendrick Cornelisz, als man van Lijsbeth Isaecx, Andries Andriesz., Anthonij Vogelsanck, Michiel Vogelsanck en Margreta Vogelsanck, allen erfgenamen van Pieter Verhagen en Maeijken Baerthoutsdr. Mesian, Dirck Tegelberch, als man van Petronella Baerthoutsdr. Mesian, voor zichzelf en vervangende Ridchard Farington, als echtgenoot van Anneken Baerthoutsdr. Mesian, allen erfgenamen van wijlen Mariken Claesdr., weduwe van Pieter Verhagen, verkopen aan Roelant Isaacxsz. van Stabroeck, burger van Dordrecht, een huis omtrent de Wijnbrug, staande tussen het huis of de poort [de Berckepoort] van mr. Matthijs Berck, heer van Godschalksoord, raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, en het huis van Laurens Michielsz. van Leen. Waarborgen: Abraham Andriesz., Michiel Vogelsanck en Dirck Tegelberch. Koper is schuldig aan Elisabeth van Deuren, weduwe van Gijsbert Harincx, 2100 gl. Borg: Johannes Isaacxsz. van Staebroeck, bode van Dordrecht op Zeeland. (ORA Dordrecht inv. 778, f. 57 e.v.)

2 juni 1655: testeren t.o.v. notaris J Schoormans, notaris te Dordrecht, Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord en raadpensionaris van Dordrecht en Alith de Rovere, echtelieden, hij "aen een accident van't vallen met een wagen te bedde leggende ende de voorn. vrouwe Alith de Rovre oock eenichsints beseert sijnde doch gaende ende staende". Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden in alle door de eerststervende na te laten goederen, zowel roerende als onroerende en de allodiale leengoederen, volgens octrooi "van de Heren Staten van den lande" aan hen daartoe verleend. Zij institueren hun getrouwde kinderen in hetgeen zij van testateuren als huwelijksgoed reeds hebben gekregen en hun nog ongehuwde zoon Pompeus Berck, als hij gaat trouwen, in hetgeen hij dan van hen zal krijgen. Zij vermeerderen hetgeen zij hun dochter Margareta Berck, echtgenote van mr. Johan van den Burch, als huwelijksgoed hebben gegeven met de helft van een hofstede en het bijbehorende land, gelegen aan de Donck, welke zij met hun schoonzoon Van den Burch in gemeenschappelijk bezit hebben. Johan Berck, hun oudste zoon, zal "niet vermogen ijets te pretenderen of eenich voordeel vooruijt trecken ter saecke dat gesustineert soude mogen werden [dat] hem bij sijnen oom d'heer Ridder Hubrecht Berck zaliger soude gelegateert sijn Cleijn Spillekensweert leggende onder de Stadt Emmerick sijnde leen vande Vorsten van Cleeff". (ONA Dordrecht inv. 93, f. 136v e.v.)

2 juli 1674: Alijd de Rovere benoemt bij codicil haar kinderen tot erfgenamen van haar na te laten goederen. (Blok, o.c., p. 12)

6 aug. 1677: Alidt de Roovere, vrouwe van Godschalksoord, weduwe van Matthijs Berck, eerste raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, heer van Goidschalxoord, legateert aan Johan van den Burch, oud-burgemeester van Dordrecht, weduwnaar van haar dochter Margareta Berck, tot aan zijn overlijden het vruchtgebruik van de goederen, die zijn kinderen van haar zullen erven. Tot voogden en administrateurs van die goederen benoemt zij haar zoon Pompeus Berck, presiderend burgemeester van Dordrecht, en voornoemde Johan van der Burch. (ONA Dordrecht inv. 238, f. 280 e.v.)

3 dec. 1678: verklaring door Adriaen Dronckert, schout van de vrijheerlijkheid Goidschalxsoord, en Adriaen Hoppel, secretaris aldaar, op verzoek van Pompeius Berck, burgemeester van Dordrecht. Dronckert getuigt, dat hij acht of tien maanden geleden bij de rekwirant thuis ter maaltijd is geweest in aanwezigheid van diens moeder, de vrouwe van Godschalksoord, die inmiddels is overleden, en van mevrouw Arckel, en toen heeft gehoord dat burgemeester Berck tegen zijn moeder zei, "dat sij soude willen bedencken den armen van Godtschalxoort ... want daer sijn vele armen ingesetenen ende het is evenveel waer ghij den armen bedenct". Volgens Dronckert zou mevrouw Arckel toen tegen haar gezegd hebben: "Dat is wel, moeder, doet dat", waarop de vrouwe van Godschalksoord geantwoord heeft: "Ick sal het doen". Adriaen Hoppel verklaart, dat hij ongeveer een jaar geleden te Dordrecht in het "comptoir" van de vrouwe Godschalksoord geweest is, en haar toen gezegd heeft: "Mevrouw, wat leijt u aen al de moeijten, ghij sout u goet aen u kinderen geven, ende maer ontrent hondert duijsent gul. behouden, dan soude na u doot geen questie onder haer vallen", waarop zij toen gezegd heeft: "Neen Hoppel, dat sal ick niet doen, daer sal evenwel na mijn doot geen questie onder haer vallen. Ick hebbe veel met mijn eijgen hant geschreven, dat wil ick na ghecomen hebbe, ende dat ick wiste dat sij dat niet naer comen soude, ick soude haer onterven". Beide attestanten verklaren, dat zij ongeveer een maand vr het overlijden van de vrouwe van Godschalksoord bij de heer Berck in Dordrecht ter maaltijd zijn geweest en toen gehoord hebben, dat hij tegen zijn moeder zei: "Hebt ghij den armen van Godtschalxoort wel bedacht dat ick u soo dickmaels gerecommandeert hebbe", en dat zij daarop ten antwoord zei: "Ja soon, ick hebbe het gedaen ende hebbe tselve aengeteijckent". (ONA Dordrecht inv. 257, f. 144 e.v.)

Kinderen (o.a., allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Margaretha Berck, sept. 1623, trouwde Johan Francoisz. van den Burch, burgemeester van Dordrecht, gecommitteerde raad van de Staten van Holland

Kind:

a-1. Jannette (Johanetta) van der Burch Johansdr., gedoopt NG Dordrecht 4 juli 1663, jonge dochter van Dordrecht (1680), trouwde NG Dordrecht 12 mei 1680 mr. Mattheus van den Broucke, jongman van Dordrecht (1680)

b. Johan Berck, juli 1625, jongman van Dordrecht (1651), raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, OSP, overleden 18 dec. 1667, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 24 dec. 1667, trouwde NG Dordrecht 6 april 1651 (ondertrouw) Lucretia Ruijsch(en), gedoopt NG Dordrecht febr. 1625, jonge dochter van Dordrecht (1651), dochter van Coenraed Ruijsch en Maria van Beveren Willemsdr. (Balen, o.c., deel II, p. 961)

- 28 juli 1659: verklaring door Maria van Beveren, weduwe van Coenraet Ruijsch, Ridder en burgemeester van Dordrecht, op verzoek van Johan Berck, raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, haar schoonzoon. Zij verklaart, dat, toen Matthijs Berck, heer van Godschalksoord, raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, die inmiddels is overleden, "voorden heere requirant ten huwelijcke versochte haer Comparantes dochter joffr. Lucretia Ruijsch", hij, Matthijs Berck, met zijn zoon, Johan Berck, ten huwelijk beloofd heeft een somma van 25.000 gl., "voort' equivalent van welcke capitaele somme" hij aanbood een waard, genaamd Klein Spillekensweert, gelegen buiten de stadspoorten van Emmerik, met nog 12 morgen land in de Klaverpolder aan de Zwaluwe. De comparante en haar man hebben daarop gezegd, dat volgens hen die twee percelen land minder dan 25.000 gl. waard waren. Berck heeft dat echter tegengesproken en verklaard, dat de jaarlijkse opbrengst van het land aan de Zwaluwe, dat hij zelf in gebruik had, 600 gl. bedroeg. Hij was bereid als pacht voor dat land ieder jaar 600 gl. te betalen. De man van de comparante heeft toen gezegd, dat hij daarmee tevreden was, "alsoo [Berck] ... een suffisanten boer waere". Daarna hebben zij nog gesproken over de heerlijkheid Godschalksoord. De comparante en haar man zeiden, dat men in de huwelijkse voorwaarden tussen Bercks zoon en hun dochter behoorde te zetten, dat de heerlijkheid na het overlijden van Johan Bercks ouders op hem zou overgaan voor een nog nader te bepalen prijs. Matthijs Berck heeft toen gezegd, dat zulks niet in de huwelijkse voorwaarden zou komen, omdat hij de heerlijkheid "onbesproocken" in bezit wilde hebben. Hij was echter wel bereid te verklaren, dat zijn zoon de heerlijkheid Godschalksoord zou krijgen na het overlijden van zijn ouders, voor dezelfde prijs "daerse Sijn Edelheid voorstondt". (ONA Dordrecht inv. 179, f. 126 e.v.)

c. Pompejus Berck, gedoopt NG Dordrecht juli 1626, volgt V

d. Erkenraad Berck, jan. 1628, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Augustijnenkerk (1654) trouwde 1e NG Dordrecht 8 mrt. 1654 (ondertrouw) mr. Adriaen Snouck, jongman van Rotterdam wonende in 's-Gravenhage (1654), 2e Hugo van Arkel, heer van Craijestein, burgemeester van Schoonhoven

- 8 juli 1679: testament van Erckenraet Berck, echtgenote van Hugo van Arckel. Zij legateert aan haar echtgenoot zijn leven lang een jaarlijkse uitkering van 600 gl., benevens de juwelen, die hij haar bij het sluiten van hun huwelijk heeft geschonken, nl. twee strikken met diamanten, die men aan het hoofd draagt, twee diamanten pendanten, een diamanten ring, zijnde een "tafelsteen", een ringetje met zes steentjes, een kerkboek met goudbeslag en gouden sloten en een horloge. Dat alles op voorwaarde, dat hij geen aanspraken zal doen gelden op haar overige na te laten goederen. Zij legateert aan haar zoon, mr. Matthijs Snouck, haar parelsnoer, bestaande uit 43 parels, met de overige parels, die zij daar eventueel later nog aan zal toevoegen, en voorts de bibliotheek, "alle het geweer" van zijn vader zaliger, van haar, testatrice, en van haar zoon zelf, en al hetgeen zij nog bij haar leven aan hem zal geven. Aan haar dochter Catharina Snouck, echtgenote van mr. Johan van der Mast, legateert zij een diamanten ring, zijnde een "tafelsteen", die is gekomen uit de nalatenschap van wijlen de vrouwe van Godschalksoord, de moeder van de testatrice. Zij legateert aan haar gewezen min, Neeltjen Meermoes, wonende te Sprang of daaromtrent, haar leven lang een jaarlijkse uitkering van 12 gl., en "tot een rouw" een zwart manteltje en schortekleed. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar drie kinderen, bij haar verwekt door mr. Adriaen Snouck, haar eerste man zaliger, t.w. Matthijs Snouck, Catharina Snouck, de vrouw van Johan van der Mast en Dorothea Snouck, die is getrouwd met Godewaert Casembroot, kapitein van een compagnie infanterie in Nederlandse dienst. Tot executeur-testamentair en voogd benoemt zij haar zoon Matthijs Snouck. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 205 e.v.)

Kinderen (ex 1):

d-1. Mathijs Snoeck, gedoopt NG Dordrecht 3 mrt. 1655, lid van de Oudraad te Dordrecht, overleden 26 nov. 1704, trouwde 30 nov. 1680 (huw. voorwaarden) Elisabeth Taillarde (Taljarde), geboren 19 nov. 1654, dochter van mr. Johan Taillarde Johnsz. (volgens Balen een telg van een zeer oud ridderlijk geslacht uit Engeland) en Elisabeth de With (Balen o.c., p. 1309)

Matthijs Snoeck (schilderij, dat waarschijnlijk ten onrechte is toegeschreven aan Godfried Schalcken)

Elisabeth Taillarde, door Godfried Schalcken (1679)

- 30 nov. 1680: huwelijkse voorwaarden tussen mr. Matthijs Snouck, geassisteerd met zijn moeder Erkenraet Berck, de vrouw van Hugo van Arckel, heer van Craijesteijn en oud-burgemeester van Schoonhoven, zijn stiefvader Hugo van Arckel, zijn zwager Johan van der Mast, rentmeester van de Beijerlanden, en zijn ooms, Pompejus Berck, heer van Godschalckoort, oud-burgemeester van Dordrecht, Johan van Duijnen, oud-burgemeester van Den Haag, en Johan van der Burg, heer van Niemandsvriend, oud-burgemeester van Dordrecht, enerzijds, en Elisabeth Telliarde, geassisteerd met haar moeder Elisabeth de With, weduwe van mr. Johan Telliarde, haar oom Willem de With, lid van de Oudraad en schepen van Dordrecht, haar tante Catarina van Beaumont, weduwe van mr. Johan de With, vroedschap van Dordrecht, en haar ooms, Arendt Muijs van Holij, burgemeester van Dordrecht, en mr. Willem Brantwijck van Blocklant, heer van Blocklant, oud-burgemeester van Dordrecht. Bruid en bruidegom zullen inbrengen alle goederen, die in twee staten staan gespecificeerd, beide opgesteld en ondertekend op 28 okt. 1680. Wanneer de bruidegom vr de bruid komt te overlijden, hetzij met of zonder kinderen na te laten, zal de bruid boven de door haar ingebrachte en nadien gerfde goederen en de helft van de winsten, staande het huwelijk verkregen, ontvangen alle juwelen, die zij bij het aangaan van hun huwelijk heeft gekregen, alsmede een douairie van 10.000 gl.. De overige goederen van de bruidegom zullen dan toekomen aan zijn erfgenamen. Als de bruid eerder komt te overlijden dan haar man, krijgt hij de door hem ingebrachte en gerfde goederen en de helft van de winsten, alsmede een somma van 15.000 gl. Alle overige door haar na te laten goederen zullen dan toekomen aan haar erfgenamen. (ONA Dordrecht)

- 10 dec. 1689: testament van Elisabeth Taljarde, echtgenote van mr. Matthijs Snouck, schepen van Dordrecht, ziek van lichaam, maar gezond van geest, gepasseerd voor notaris F. Beudt te Dordrecht. Zij legateert aan Catarina Snouck, de vrouw van Johan van der Mast, een somma van 1000 gl., om daarvan iets te kopen "tot een gedagtenisse", en aan Gerrit van Noorwegen de twee nieuwe paarden en de oude caleche, "tot een gedagtenisse voor sijn getrouwe dienste". De testatrice wenst dat haar tegenwoordige "minne" bij haar kinderen zal blijven, maar in geval die "minne" zal vertrekken dan is haar man gehouden voor haar een huis te kopen of te verzorgen op het Bagijnhof. In al haar overige na te laten goederen benoemt zij tot haar erfgenamen haar twee kinderen Elisabeth Erkenraat Snouck en Adriaan Snouck, op voorwaarde, dat haar man van die goederen het vruchtgebruik zal hebben tot aan zijn overlijden of het moment, waarop hij gaat hertrouwen. Als de kinderen mondig worden of gaan trouwen zal Matthijs gehouden zijn hun kinderen elk een somma van 30.000 gl. uit te reiken, te versterven van het ene kind op het andere. Als de kinderen echter beiden komen te overlijden voor hun mondigheid of huwelijk zal dat geld vererven op de erfgenamen ab intestato van de testatrice. Haar man zal boven hetgeen hem is toegezegd in de huwelijkse voorwaarden en het voornoemde vruchtgebruik nog ontvangen de parels en "boot op de Borst" en een gouden ring, die met diamanten is bezet. Tot oppervoogd benoemt zij haar man en tot toeziende voogden Johan van der Mast, Willem Brantwijck van Blocklant en Jan de With, haar zwager, oom en neef, resp. regerend en oud-burgemeester van Dordrecht. Zij verzoekt de heren Van der Mast en Blocklant haar man te assisteren bij het beheer van de boedels van wijlen Willem de With en Maria de With, haar oom en tante. (ONA Dordrecht) 

ORA Dordrecht inv. 795, f. 1v: op 9 jan. 1687 transporteert Johan van Ulft, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Willem Jansz. van Holt, Rijnschipper, aan mr. Matthijs Snouck, oudraad van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat bij de Mattensteiger, staande tussen die steiger en het huis van de koper, "ende off hier iets wes aen gebreecke soo is tvoorsz. huijs ende erve in plaetse van waerborge gelevert bij willich decreet deser stede".

ORA Dordrecht inv. 1636, f. 173: op 31 okt. 1698 verkopen mr. Mattheus Snouck, lid van de Oudraad te Dordrecht, als vader en voogd van zijn minderjarige zoon, Adriaan Snouck, en tevens vervangende mr. Gijsbert Henrick Casembroot, als man van Elisabeth Erkenraet Snouck, voor 7000 gl. aan ds. Francois Valentijn, een huis op het Bagijnhof, staande tussen het huis van de verkoper en de gang genaamd [naam niet vermeld]

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 57v: op 2 juli 1701 verkopen mr. Johan de Witt, schepen in wette, mr. Matthijs Snouck, lid van de Oudraad, en mr. Pieter Brantwijck van Blocklant, als erfgenamen van Maria de Witt, weduwe van Arent Muijs van Holij, voor 950 gl. aan Cristina Pompe, weduwe van burgemeester Belaerts, die door Willem Jansz. Cop als koopster is aangewezen, een kaatsbaan met achterwoning en een huisje daarnaast, staande in de Tolbrugstraat Landzijde. 

ONA Dordrecht, akte dd 3 dec. 1704: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Matthijs Snouck, lid van de Oudraad van Dordrecht, overleden op 26 nov. 1704, waarbij zijn inbegrepen de goederen, waarvan hij krachtens het testament van zijn overleden vrouw, Elisabeth Taljarde, het vruchtgebruik heeft gehad, beschreven op verzoek van Elisabeth Erkenraad Snouck, weduwe van mr. Gijsbert Hendrik Kasembrood en dochter van de overledene, en Simon Muijs van Holij, achtraad van Dordrecht en ontvanger-generaal van de Grafelijkheidstol van Geervliet, welke laatstgenoemde bij testament van de erflater is aangesteld tot executeur-testament en voogd over Adriaen Snouck, zoon van de overledene, De inventaris is opgemaakt door G. Beudt, notaris te Dordrecht, op 3 dec. 1704 en enkele daaraan volgende dagen. Tot de nalatenschap behoren o.a.: 

- een huis, waarin Matthijs Snouck en zijn vrouw hebben gewoond, staande omtrent het Groothoofd aan de havenzijde,

- een huis, staande naast het voorgaande, dat wordt bewoond door juffr. De Vries, weduwe Melesdijk (huursom: 148 gl. per jaar),

- een huis naast het vorige, staande op de hoek van de Mattensteiger, bewoond door Frans Moolemans (huursom: 85 gl. per jaar),

- twee pakhuizen in de Schrijversstraat, verhuurd aan [naam niet vermeld],

- een tuin met stenen huis, staande en gelegen aan de Noordendijk buiten Dordrecht,

- landerijen in Groot Zuid-Beijerland, de Eendrachtspolder, Klein Zuid-Beijerland en een woning met schuren, boomgaard etc. in de Elisabethspolder op grond van Hoge Heijningen

- schilderijen, w.o. een schilderij van Savrij, een schilderijtje met zeeschepen van Willaars, een schilderij, "sijnde een hooftstuck" van Ruijsdael, en een schilderij van Guilliam Vermoud, (ONA Dordrecht)

Kinderen:

d-1-1. Elisabeth Erkenraad Snouck, geboren naar schatting ca. 1680, trouwde 's-Gravenhage 18 mei 1698 (ondertrouw) mr. Gijsbert Hendrik Casembroot, geboren in 1674, advocaat voor het Hof van Holland, zoon van Godewaert (de) Casembroot, kapitein van een compagnie voetknechten in Nederlandse dienst, en Machtelina Sas

d-1-2. Adriaen Snouck, geboren naar schatting ca. 1685, jongeman van Dordrecht (1708), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 27 mei/10 mei 1708 (de bruidegom geassisteerd met Erkenraad Berck, vrouwe van Craijesteijn, en Catharina Snouck, weduwe van Johan van der Mast, burgemeester van Dordrecht, en mr. Sijmon Muijs van Holij, lid van de Oudraad te Dordrecht, resp. zijn grootmoeder, tante en voogd van vaderszijde, de bruid geassisteerd met haar moeder Maria van der Linge, weduwe van Willem Zuidland, kolonel in Nederlandse dienst en commandeur van Sluis in Vlaanderen en de forten van dien, en Cornelis de Boot, vrijheer van Giessenburg en Giessen-Nieuwkerk, haar oom) Cornelia Maria  Zuijdland, jonge dochter van Sluis in Vlaanderen (1708)

Kind:

d-1-2-1. Erkenraad Snouck, gedoopt NG Dordrecht 19 juni 1709, overleden Vlissingen 16 jan. 1770, trouwde 12 mei 1734 Jacob Hurgronje, burgmeester van Vlissingen

Erkenraad Snouck en Jacob Hurgronje, door Jean Appelius

d-2. Catharina Snoeck, gedoopt NG Dordrecht 13 sept. 1656, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Wijnbrug (1676), trouwde NG Dordrecht 8/21 nov. 1676 Johan van der Mast, jongman wonende in de Houttuin (1676), burgemeester van Dordrecht

d-3. Dorothea Snoeck, gedoopt NG Dordrecht 4 jan. 1658, van Dordrecht wonende te Schoonhoven (1677), trouwde NG Den Haag/Rijswijk 14/28 nov. 1677 Godewaert Casembroot, kapitein van een compagnie voetknechten in Nederlandse dienst, trouwde 1e 's-Gravenhage 17 dec. 1673 (ondetrrouw) Machtelina Zas, wonende te 's-Gravenhage (1673)

V. Pompeus Berck, gedoopt NG Dordrecht juli 1626, burgemeester van Dordrecht 1676, overleden 25 aug. 1691, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 29 aug. 1691, trouwde NG Dordrecht 14 mei 1656 Margarita de Rovere, gedoopt NG Dordrecht 8 juli 1637, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 16 juni 1688 (begraafboek Grote Kerk Dordrecht 12 juni 1688: dertien mael luiens over mevrou Margrieta de Roover [sic], huisvrou van de Heer Pompeus Berck Heeren Mattijsz. heer van Goodtschalckoort Regerende Borgemr. en in die qualiteit vant kercke recht vrij, is in de Augustine [kerk] begraven, dus in plaetse van gelt memorie)

- 15 juni 1671: testament van mr. Pompeus Berck, oudraad van Dordrecht, en zijn vrouw, Margareta de Roovre, beiden gezond. Zij benoemen de langstlevende van het beiden tot erfgenaam van de goederen, die zij op dat moment bezitten. Van de goederen, die de eerststervende nog zal verwerven of erven na dato van deze akte, zal de langstlevende alleen het vruchtgebruik hebben en zal de eigendom ervan toekomen aan de kinderen, die de eerststervende zal nalaten. Laatstgenoemde bepaling zal ook gelden voor zekere uiterwaard, die ligt omtrent de stad Emmerich, genaamd "Bercx ofte Cleijn Spillekenswaert", door hem, testateur, te leen gehouden van de keurvorst van Brandenburg. Tot voogd stellen zij aan de langstlevende van hen beiden en tot toeziende voogden Johan van der Burch en Pompeus de Roovre, oudraad en schepen van Dordrecht, resp. hun zwager en broer, of bij vooroverlijden van n van deze personen, Samuel Everwijn, oudraad van Dordrecht, hun zwager. (ONA Dordrecht inv. 232, f. 184 e.v.) 

- 2 jan. 1679: comp. voor notaris G. de With te Dordrecht Pompejus Berck heer Matthijsz., oud-burgemeester van Dordrecht, "sijnde eeniger maten sieckelijck naerden lichame". Hij overhandigt aan de notaris "het tegenwoordige toegesloten met sijn Edelheijts en [notaris Govert de Withs] cachet ten vijff plaetsen versegelt papier", dat, zoals hij verklaart, zijn testament en laatste wil bevat. Hij wenst dat dit besloten testament na zijn overlijden geopend zal worden door en ten overstaan van diegenen, die zijn vrouw, Margareta de Roovre, daartoe zal aanstellen. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 1 e.v.)

- 29 sept. 1679: Margareta de Roovere, echtgenote van Pompejus Berck, als procuratie hebbende van haar man, Johan van den Burgh, als vader en voogd van zijn kinderen, verwekt bij Margareta Berck, en Erckenraet Berck, samen kinderen en erfgenamen van Alidt de Rovre, vrouwe van Godschalksoord, verlenen procuratie aan Samuel van der Heijden, notaris te Dordrecht, om voor schepenen van Dordrecht aan Jan Jansz. van der Schaer, burger van Dordrecht, te transporteren een huis, staande op de Nieuwendijk omtrent de Riedijkspoort tussen het huis van Adriaen Hendriksz. Back en de ingang van Maijcken Claes. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 319 e.v.)

Kinderen uit dit huwelijk (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Alida Berck, 6 apr. 1657, jong overleden

b. Pieter Berck, 25 mei 1660, jong overleden

c. Mattijs Berck, 20 juli 1661, jong overleden

d. Petronella Sophia Berck, 15 apr. 1664, jong overleden

e. Alit Berck, 2 okt. 1665

- 18 mrt. 1715: Alida Berck testeert voor notaris A. van Nievelt. Zij verklaart, dat zij, "om redenen dat haar ... broeder de Heer Pompejus Berck, onlankx geleden is comen te overleijden, en voorts ter occasie dat haar ... gemaackt silverwerck, en andere saecken van hare goederen, tussen den 5. en 6. Jannuarij ... 1712, door een grote huijsbraeck uijt derselver huijs sijn gestolen", haar eerdere testamenten, codicillen etc. wil herroepen. Zij legateert aan haar broer Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord en oudraad van Dordrecht, of bij vooroverlijden zijn wettige nakomelingen, al haar meubels, inboedel, huisraad, kleren, ongemunt goud en zilver en "juweelen van diamanten." Haar broer zal gehouden zijn om zijn kinderen de tot het legaat behorende juwelen en "goud tuijgh" te laten dragen en het zilver te laten gebruiken. Zij legateert aan Abraham Stoop, zoon van haar overleden zuster Petronella Sophia Berck, een stuk weiland, gelegen onder Mijnsheerenland en twee stukken land in het Oost-Zomerland van Heinenoord, op voorwaarde, dat de eigendom van die landerijen na zijn overlijden zullen toekomen aan zijn wettige kinderen. Tot erfgenaam van al haar overige goederen en tot voogd over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar broer Matthijs Berck. Indien hij vr haar komt te overlijden, zonder voogden te hebben aangesteld, geeft zij Pompejus de Rovere, baljuw van Zuid-Holland en Alida de Rovere, haar oom en tante, de bevoegdheid om nieuwe voogden aan te stellen. (ONA Dordrecht inv. 611, akte 35, f. 114 e.v.)

f.  Matthijs Berck, 21 dec. 1666, jongman van Dordrecht (1695), vrijheer van Goidschalxsoord, oudraad van Dordrecht, begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht 21 jan. 1736 (begraafboek Augustijnenkerk 21 jan. 1736: Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord, oudraad van Dordrecht, met 19 koetsen boven het getal, met een wapenbord, de hoogste boete, laat kinderen na), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 5 juni 1695 (ondertrouw; de bruidegom geassisteerd met Pompejus de Roovre, baljuw van Zuid-Holland, en Cornelis de Roovre, oud-burgemeester van Dordrecht, zijn ooms van moederskant, en de bruid met mr. Hendrik Onderwater, heer van Puttershoek, en Johanna Hallingh, haar vader en moeder) Margarieta Onderwater, geboren naar schatting ca. 1670, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 7 okt. 1719 (Nelemans, o.c., p. 85; begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht 4 okt. 1719: Margarita Onderwater, vrouw van Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord, met tien koetsen boven "'t ordinaris getal", wapenbord)

- 12 april 1731: Matthijs Berck, vrijheer van Goischalxoord, testeert voor notaris Cornelis Knoll in Den Haag. Hij benoemt tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen Pompejus Berck en Cornelis van der Dussen. (Weeskamer Dordrecht inv. 34, f. 238)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

f-1. Margareta Berck, 3 nov. 1696, jonge dochter van Dordrecht (1723),  begraven Dordrecht 29 april 1771, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 26 febr./15 mrt. 1723 (de bruidegom geassisteerd met Jacob van der Dussen, heer van Oost-Barendrecht en oud-burgemeester van Dordrecht, zijn broer, en de bruid met Matthijs Berk, heer van Godschalksoord, oudraad van Dordrecht, haar vader) mr. Cornelis Nicolaasz. van der Dussen, gedoopt NG Dordrecht 24 sept. 1684, jongman van Dordrecht (1723), burgemeester van Dordrecht (1747), overleden 25 april 1754, begraven Dordrecht 2 mei 1754 (begraafboek Grote Kerk: mr. Cornelis van der Dussen, oud-burgemeester van Dordrecht, met tien koetsen boven het getal, met wapenbord, de hoogste boete, laat geen kinderen na), zoon van mr. Nicolaas Euwoutsz. van der Dussen en Lydia van Beveren (Ons Voorgeslacht 2005, p. 311)

ONA Dordrecht inv. 1028, akte 25: op 27 febr. 1751 testeren voor notaris P. van Gelsdorp mr. Cornelis van der Dussen, oud-burgemeester en raad van Dordrecht en zijn vrouw Margareta Berk. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam. Als de testateur de eerststervende is, is de testatrice gehouden aan de kinderen en verdere nakomelingen van wijlen zijn broer Pieter van der Dussen "onder hen allen " een somma van 100.000 gl. uit te keren. Dit bedrag moet dan voldaan worden binnen drie maanden na het overlijden van de testateur, de ene helft met "vaste Effecten ten keure vande vrouwe testatrice" en de andere helft met obligaties ten laste van het "gemeneland" van Holland en West-Friesland, eveneens "ten keure" van de testatrice. De impost op de collaterale successie dient door de na te noemen legatarissen voldaan te worden uit genoemde effecten en obligaties. Nicolaas legateert aan de Gereformeerde Diaconie-armen van Dordrecht een bedrag van 5000 gl. Als Margareta de eerstoverlijdende is, moet haar man aan Pompejus Berk, heer van Godschalksoord en regerend burgemeester van Dordrecht, haar broer, en aan Johanna Berk, de echtgenote van mr. Jeronimius [sic] Karsseboom, haar zuster (of bij vooroverlijden hun kinderen en verdere descendenten), "onder hen allen" een somma van 50.000 gl. uitreiken, waarbij mutatis mutandis dezelfde voorwaarden gelden als voor de legaten, die zijn vermaakt door de testateur. Voorts legateert zij aan haar zuster een parelsnoer, dat zij heeft gerfd van haar moeder en aan haar nicht Margareta Berk al haar overige juwelen, goud en zilver, inclusief een gouden beugel en gouden horloge met ketting en haak. Aan de Gereformeerde Diaconie-armen van Dordrecht vermaakt zij een bedrag van 5000 gl. Als de testateur de langstlevende is, benoemt hij tot zijn erfgenamen Lidia Maria van der Dussen, weduwe van Willem Paats, mr. Nicolaas van der Dussen Pietersz., Margareta Berk, dochter van wijlen Maria van der Dussen, bij haar verwekt door mr. Pompejus Berk, Pieter Teding van Berkhout, zoon van wijlen Johanna van der Dussen, bij haar verwekt door Coenraadt Teding van Berkhout, en Pompejus Berk, en dat alles in gelijke porties. Maar, indien Pompejus Berk komt te overlijden vr zijn dochter of haar nakomelingen, zullen die een dubbele portie erven. De testatrice benoemt, indien zij de langstlevende  is, haar broer en zuster tot erfgenamen van al haar na te laten goederen, verminderd met de eerder genoemde legaten. Tot voogden benoemen zij de vader of  moeder van hun minderjarige erfgenamen, ieder over diens eigen kinderen, of bij vooroverlijden twee ooms van die kinderen, n van vaderszijde en n van moederszijde.

ONA Dordrecht inv. 1029, akte 149: condities, waarop mr. Cornelis van der Dussen, raad en oud-burgemeester van Dordrecht, voornemens is op 1 dec. 1752 door de Dordtse notaris P. van Gelsdorp te doen veilen een aantal erfpachten op gronden in de Hoeksche Waard, gelegen in het Land van Esch en aan de bermsloot van de Schenkeldijk.

ONA Dordrecht inv. 935, f. 487-519v: op 21 okt. 1754 comp. voor notaris G. Verveer Lidia Maria van der Dussen, weduwe van Willem Gerard Paats, wonende in 's-Gravenhage, mr. Nicolaas van der Dussen Pietersz., mede daar wonende, Margarita Berk, wonende in Dordrecht, meerderjarige en enig nagelaten dochter van Maria Lidia van der Dussen, bij haar verwekt door Pompejus Berk, vrijheer van Godschalxoord, en de in Leiden wonende mr. Coenraad Teding van Berkhout, die door wijlen mr. Cornelis van der Dussen is aangesteld tot voogd over zijn zoon Pieter Teding van Berkhout, door hem verwekt bij wijlen Johanna Elisabeth van der Dussen, samen kinderen en kleinkinderen van wijlen Pieter van der Dussen. Hun oom resp. oudoom, Cornelis van der Dussen, die op 25 april 1754 is overleden, heeft in zijn testament zijn vrouw Margarita Berk tot universele erfgenaam benoemd. De legaten in dat testament vermaakt, met een totale waarde van 100.000 gl., zijn in vier kavels verdeeld. Kavel A is te beurt gevallen aan Lidia Maria van der Dussen en bestaat uit land in de Alloysen- of Bovenpolder onder Dubbeldam, in de noordkavel van de Broek onder Strijen, in Oud-Bonaventura (in de Hoeksche Waard) en in Oostkamp onder Haagambacht, en negen obligaties. Kavel B is toegevallen aan Coenraad Teding van Berkhout (voor zijn zoon Pieter) en omvat land in Oud- en Nieuw-Bonaventura, in Paapswoude onder de heerlijkheid Sint-Maartensrecht, land in de jurisdictie van Vrijenban, en acht obligaties. Margarita Berk krijgt kavel C, bestaande uit land in het Oudeland van Strijen, land onder de "poorterij" van Delft aan de Singen buiten de Koeijpoort, alsmede acht obligaties. De vierde kavel komt toe aan Nicolaas van der Dussen Pietersz. en bestaat uit land onder de jurisdictie van het Hof van Delft "in't hoefslagh van Cortenhoeff", land in de Oude Wateringse Polder onder Wateringen, en twaalf obligaties.

ONA Dordrecht inv. 1038, akte 45: op 13 april 1758 comp. voor notaris P. van Gelsdorp Margareta Berk, weduwe van mr. Cornelis van der Dussen. Zij benoemt tot "directeurs over haar ... begraaffenisse" mr. Jeronimus Karsseboom en Hendrik Onderwater of bij vooroverlijden van laatstgenoemde Boudewijn Onderwater, generaal der infanterie in het Staatse leger. Voorts begeert zij, dat niemand voor het openen van haar besloten testament, dat op dezelfde dag is opgemaakt voor notaris P. van Gelsdorp, enige toegang tot of beheer van haar sterfhuis zal hebben. Zij wenst op dezelfde wijze begraven te worden als haar overleden man, met dien verstande, dat de "rouwe", die aan de bedienden moet worden gegeven, eerder meer dan minder zal zijn.

f-2. Hendrik Berck, 5 sept. 1698

f-3. Pompejus Berck, 1 jan. 1700, jongman van Dordrecht, oudraad en schepen in wette van Dordrecht, hoogdijkheemraad van de Alblasserwaard (1729), begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht 25 mrt. 1758, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 23 april 1729 (ondertrouw, attestatie gegeven 8 mei 1729) Maria Lidia van der Dussen, gedoopt NG Dordrecht 11 april 1708, jonge dochter van Dordrecht, wonende te Leiden, doch onlangs gewoond hebbende te Dordrecht (1729), overleden 14 mrt. 1730, begraven Dordrecht 20 mrt. 1730 (begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht: Maria Lidia van der Dussen, huisvrouw van Pompejus Berk, oudraad van Dordrecht, laat n kind na, met wapenbord, twee paar slepen, de hoogste boete, tien koetsen boven het getal), dochter van Pieter Nicolaasz. van der Dussen en Dina Margaretha de Bije (Ons Voorgeslacht 2005, p. 313)

ONA Dordrecht inv. 891, akte 42: op 24 juni 1729 comp. voor notaris J. Beudt Pompejus Berk, oudraad van Dordrecht en Maria Lydia van der Dussen, echtelieden wonende in Dordrecht. Zij herroepen eerdere testamenten e.d., met name hun huwelijkse voorwaarden, opgemaakt ten overstaan van de Leidse notaris Johannes Swaanenburg op 22 apr. 1729. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot voogd en tot erfgenaam van alle juwelen, sieraden, goud, zilverwerk, meubelen, huisraad en inboedel, welke de eerststervende zal nalaten. De langstlevende zal van alle overige goederen het vruchtgebruik genieten en de eigendom daarvan zal toekomen aan hun eventuele kinderen. Als de langstlevende evenwel kinderloos komt te overlijden, zal de eigendom vererven op de erfgenamen ab intestato van de testateuren.

Kind:

f-3-1. Margaretha Berck van Godschalksoord, gedoopt NG Dordrecht 11 mrt. 1730, geboren te Dordrecht, wonende in de Voorstraat bij de Nieuwbrug (1758), OSP, begraven Dordrecht 3 juni 1786 (begraafboek Grote Kerk Dordrecht: Margreta Berk, vrijvrouw van Slingelandt en Goidschalxsoord, echtgenote van mr. Barthout van Slingelandt, raad en generaal meester van de Munt der Verenigde Nederlanden, oudraad van Dordrecht, overleden in Den Haag, met 6 flambouwen "boven de ordinaaren", 's avonds om half tien stil bijgezet, met een wapenbord, laat geen kinderen na), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 7/25 juli 1758 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Hendrik van Slingelandt; de geboden gaan in Den Haag) Barthout van Slingelandt, geboren en wonende te 's-Gravenhage (1758), trouwde 2e Den Haag 29 april 1787 Magdalena Anna Elisabeth van Boetzelaer

Margaretha Berck (foto: Regionaal Archief Dordrecht)

f-4. Johanna Berck, 16 mrt. 1701, trouwde Jeronimus Karsseboom

g. Petronella Sophija Berck, 7 febr. 1670, overleden Dordrecht 29 juli 1699, begraven in de Augustijnenkerk van  Dordrecht 1 aug. 1699 (begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht 31 juli 1699: mevr. Soffija Berck, huisvrouw van mr. Jacob Stoop, "'t huijs met rou, 6 slepen, wapenbort"), trouwde Gerecht Dordrecht/NG Dordrecht 13/29 april 1698 Jacob Stoop, gedoopt NG Dordrecht 24 mei 1669, overleden aldaar 9 febr. 1757, zoon van Abraham Stoop en Jacoba van Mewen, Jacob Stoop trouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 27 jan. 1709 met Maria Anna van de Graeff

Trouwboek Gerecht Dordrecht 13 april 1698: mr. Jacob Stoop jongman secretaris van de burgemeesters en ontvanger "van de penningen gedestineert ten oorloge deser stede", geassisteerd met zijn vader Abraham Stoop presiderende burgemeester met jonkvrouwe Pieternella Sophia Berck, beiden van Dordrecht, [zij] geassisteerd met haar broer Matthijs Berck vrijheer van Godschalksoord oudraad van Dordrecht en Pompejus de Roovere heer van Hardinxveld baljuw van Zuid-Holland oud-burgemeester en Cornelis de Roovere heer van West-Barendrecht regerende burgemeester, haar ooms van moederszijde, op 29 april 1698 getrouwd.

Uit dit huwelijk een zoon Abraham Stoop, gedoopt NG Dordrecht 23 juli 1699, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 mrt. 1724 (met 9 koetsen boven 't ordinaire getal, een wapenbord). Jonkheer Abraham Stoop, wonende te Dordrecht, testeerde op 10 dec. 1714 voor notaris Elias Venlo te Dordrecht en benoemde tot erfgenaam zijn vader mr Jacob Stoop, schepen van Dordrecht (Weeskamer Dordrecht, weesboek nr. 33, f. 7, extract dd 12 jan. 1724).

ONA Dordrecht inv. 646, akte 5: op 23 febr. 1708 compareren Erkenraad Berck, als erfgenaam voor een derde deel van haar moeder Alida de Roovere, weduwe van Matthijs Berck, in zijn leven pensionaris en secretaris van Dordrecht, enerzijds en Alida Berck, Matthijs Berck, schepen van Dordrecht, mr. Pompejus Berck, Jacob Stoop, secretaris van de burgemeesters van Dordrecht, als vader van zijn minderjarige zoon Abraham Stoop, verwekt bij Pieternella Sophia Berck, allen kinderen, kleinkinderen en erfgenamen van mr. Pompejus Berck, oud-burgemeester van Dordrecht, die een zoon en erfgenaam voor een derde part was van voornoemde Alida de Roovere, anderzijds. Tussen comparanten is geschil ontstaan over de nalatenschap van Alida de Roovere. Zij zijn nu tot een overeenkomst gekomen, waarbij is bepaald, dat eerste comparante aan tweede comparanten een somma van 125 gl. zal betalen.

h. Pieter, 30 jan. 1673, jong overleden

i. Pieter, 27 nov. 1676, jong overleden

j. mr. Pompejus Berck, 3 mei 1679, jongman van Dordrecht (1702), begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 15 mrt. 1715, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 6 aug. 1702 (ondertrouw, volgens attestatie van ondertrouw van Rotterdam) Maria Paulina van Berckel, jonge dochter van Rotterdam (1702), begraven Dordrecht (Augustijnenkerk) 11 okt. 1704 (Maria Paulina van Berckel, "ter aarde gebragt door agt carosse boven't getal, vier en twintig flamboun, mede boven 't getal, vier sleepmantels, een wapenbort voor't huijs en [het] selve huijs met rouw behangen")

- 15 juni 1703: Pompejus Berck testeert voor notaris C. van Aansurg te Dordrecht. Hij legateert aan Abram Stoop, nagelaten zoon van zijn overleden zuster Petronella Sophia Berck, gedurende diens leven, een jaarlijkse uitkering van 60 gl. Als de testateur kinderloos komt te overlijden, zal zijn enige [nog levende] zuster Alid Berck zijn universele erfgenaam zijn. Hij stelt aan tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen Pompejus de Roovere, heer van Hardinxveld en Cornelis de Roovere, heer van West-Barendrecht. (ONA Dordrecht inv. 707, akte 79, f. 156 e.v.)

k. Pieter Berck, 16 april 1681, vermoedelijk jong overleden