DE NAAM BOOM IN NEDERLAND, OVERIJSSEL EN ALMELO



De naam Boom in Nederland, Overijssel en Almelo

Verklaring

 

 

Het Meertensinstituut geeft een drietal verklaringen voor de familienaam Boom.

 

1.     Geeft aan waar de naamdrager woonde: bij een bepaalde boom, waarmee mogelijk ook een slagboom kan zijn bedoeld.

2.     Bijnaam bij vergelijking met het zelfstandig naamwoord ‘boom’ voor een groot, fors persoon.

3.     Beroepsbijnaam van de slagbomwachter of van de man die de kettingboom windt

 

De laatste volkstelling die heeft geleid tot informatie over de spreiding van familienamen in Nederland, was die van 1947.

In dat jaar kwamen de, aan deze familie Boom, in bepaalde gevallen identieke familienamen Hambrugge, Gendshuis/Gentshuis en Koningshuis niet meer voor.

De naam Kollenveld was 33 maal te vinden, waarvan 20 keer in Overijssel en acht keer in Zuid Holland.

De naam Boom kwam 2989 keer voor, waarbij de spreiding over de provincies als volgt was:

Groningen 9

Friesland 37

Drente 7

Overijssel 291

Gelderland 320

Utrecht 150

Noord Holland 725, waarvan 310 in Amsterdam

Zuid Holland 1070, waarvan 117 in Den Haag en 283 in Rotterdam

Zeeland 8

Noord Brabant 241

Limburg 131

De spreiding binnen Overijssel bij de volkstelling van 1947

Enschede 24

Almelo 104

Borne 3

Stad Delden 2

Deventer 5

Goor 1

Den Ham 3

Hardenberg 1

Hasselt 1

Hellendoorn 4

Hengelo 30

Kampen 28

Markelo 7

Ootmarsum 1

Staphorst 2

Tubbergen 1

Vriezenveen 12

Wierden 21

IJsselmuiden 21

Zwolle 17

Zwollerkerspel

Een Almeloos adresboek van rond 1915 laat zien dat er toen ook al heel wat Booms in Almelo woonden. Er waren 44 vermeldingen, waarvan 43 van gezinshoofden en 1 van de Firma Wed. Boom.

Van de 43 gezinshoofden waren er

16 werkzaam in de textielindustrie of een aanverwante sector ( 8 wevers, 3 (stoffen)ververs, 1 spinner, 1 sterker, 1 smeerbaas, 1 détacheur en 1 naaister)

8  landbouwers

5  bouwlieden ( 3 metselaars, 1 timmerman, 1 steenhouwer)

5  zonder beroep (waarvan 2 weduwes en 1 mejuffrouw)

2  tabakskervers

7  met een ander beroep ( pakhuisknecht, piano-onderwijzeres, melkventer, photograaf, daglooner, machinefabrikant en ijzerdraaier)

ALMELO IN VROEGER TIJDEN: EEN STUKJE GESCHIEDENIS

 

Voor het verkrijgen van een beeld van het vroegere Almelo volgt hieronder, met toestemming van de auteur, een gedeelte van hoofdstuk 2 uit het boek De Almelose patriottenbeweging, door Dr. J.K. Abbes uit 1997.

 

De graaf van Almelo was een echte grootgrondbezitter. Zijn gebied,  “de Heerlijkheid Almelo, werd ongeveer begrensd door de westelijke dorpen Daarle en Wierden, het zuidelijke dorp Borne, het oostelijke dorp Albergen en vervolgens door de dorpen Sibculo en Bruinehaar in het noorden.

Ook het schoutambt Vriezeveen behoorde tot de heerlijkheid. Het totale gebied was ongeveer zo groot als het eiland Texel. Er bestond dus een groot verschil tussen de stad Almelo en de heerlijkheid Almelo. De heerlijkheid omklemde als het ware de stad.

Sinds 1627 bezat de Heer van Almelo de hoge rechtspraak. Almelo vormde daardoor een zelfstandig rechtsgebied en viel dus buiten de rechtsgebieden van de drosten. Op grond hiervan kon de graaf zelfs de doodstraf uitspreken. Almelo had zijn eigen galg.

 

In de twaalfde eeuw werden de heren van Almelo als ministerialen van de bisschop van Utrecht beschouwd. Omdat zij dus al vroeg onder het gezag van de bisschop stonden, vielen zij later onder dat van de Staten van Overijssel, maar de heren van Almelo, die zich sinds het begin van de achtiende eeuw ‘graaf mochten noemen, hebben steeds hun best gedaan dat gezag zoveel mogelijk te betwisten.

 

Het staat vast dat aanvankelijk alleen de bisschop zeggenschap had over het dorp Almelo, want in 1346 al had hij de heer van Almelo toestemming gegeven om twee jaarmarkten in Almelo te houden.

Vanaf 1394 bleek Almelo schepenen te hebben die recht spraken en oorkonden met een stadszegel uitvaardigden.

De heer van Almelo had reeds vroeg grote invloed op de samenstelling van het stadsbestuur; in 1462 benoemde hij al de helft van de schepenen (later: burgemeesters) den dit bleef zo tot in de Patriottentijd. Toch is er van deze vroege bestuurstoestanden nog zeer weinig bekend.

 

Meer dan de helft van de grond van de heerlijkheid Almelo ligt onbebouwd en is open veld of broekland zegt G. Dumbar. Dr. Heppe voegt eraan toe dat de grond voornamelijk uit “zwart en wit”zand bestaat en in het algemeen onvruchtbaar is. Het is bekend dat de grote ontginningen (niet de ontbossing) in Overijssel pas begonnen zijn met de uitvinding van de kunstmest. Toch zal de genoemde situatie niet alleen daarmee te maken hebben gehad. Het is ook heel goed mogelijk dat de heren van Almelo belang hadden bij veel woeste gronden in verband met hun jachtrecht.

De bouwlanden liggen wat hoger dan de rest en hebben hun afwatering op kleine sloten. De lage broeklanden bestaan voor een groot deel uit moerassige grond, zodat ze alleen geschikt zijn voor de veehouderij.

De boeren gebruiken hun bouwland voor de teelt van graan en een fijn soort vlas. Toch is de grond te arm om de mensen een goed bestaan te kunnen vinden. Naast de handel, leefde het gewone volk vooral van de linnenweverij, welke zowel in de stad als in de rest van de heerlijkheid werd beoefend. Reeds in 1754 waren er meer dan 1000 weefgetouwen in gebruik. De linnenweverij bestond uit twee sectoren. In de eerste plaats waren er de zelfstandige wevers, die het garen gebruikten dat met Almeloos vlas gesponnen werd. De stoffen die zij vervaaardigden, werden dagelijks aan de deur van hun huis opgekocht door kooplieden en vervolgens in opdracht van deze op de bleken rondom de stad gebleekt. In de tweede plaats waren een aantal weefgetouwen in het bezit van Almelose fabrikeurs (textielondernemers), die de wevers daarvan in dienst hadden.

 

De stad Almelo bestond uit ‘ene, lange, brede en zeere slingerende straat’’, de Grotestraat, met verscheidene smalle zijstraatjes waarin kleine, ongezonde wevershuizen stonden. De wevers woonden en werkten in deze huisjes, het ging dus om huisnijverheid vertelt Heppe. Dwars door de stad liepen drie beken, waarvan de broeklanden als blekerijen werden gebruikt. Deze beken kwamen buiten de stad samen tot de Almelose Aa, die op zijn beurt weer in verbinding stond met de Schipbeek, via welk riviertje men naar Deventer kon varen. De bevaarbaarheid van deze waterwegen hield echter onmiddellijk ten oosten van Almelo op, zodat de stad in een tijd waarin waterwegen zo belangrijk wren, met recht ‘De Poort van Twente’kon worden genoemd.

 

De Heerlijkheid Almelo bestond uit drie gedeelten: de stad, het landgericht Almelo en het schoutambt Vriezeveen. Het landgericht bestond uit ongeveer 400 en het schoutambt uit 370 gezinnen en de stad zelf telde er ongeveer 350. Volgens Heppe moeten er in 1785 ongeveer 3000 mensen in de stad hebben gewoond, maar Hattink zegt dat er bij de volkstelling van 1796 sprake was van ongeveer 2000 mensen.

 

De laagste sociale klasse, de ‘gemene man’ verdiende de kost met weven, in loondienst. Ze hadden vaak nog wat bouwland buiten de stad gehuurd of in bezit, wat wijst op het agrarische karakter van de stad. Almelo was hierin overigens zeker geen uitzondering. De laagste klasse maakte veruit de grootste groep uit. Over het algemeen leefde deze groep in  bittere armoede. Heppe vermeldt als arts dat hun gezondheidstoestand over het algemeen zeer slecht was. Ze leden vaak honger, hoewel het hele gezin meewerkte in de weverijtjes. Vaak hadden ze niets te doen. ‘Ongelovelijk groot is het getal er armen’zegt Heppe, die de armoede aan de luiheid van de mensen toeschrijft.

 

Volgens Heppe waren er van de 139 in 1785 geboren kindere 108 afkomstig uit gereformeerde gezinnen. Daarnaast was er nog een katholieke  en een doopsgezinde minderheid, terwijl er ook nog een aantal joodse families woonachtig was.

Ten tijde van de tachtig jarige oorlog had de heer van Almelo nog aan de kant van Spanje gestaan. In 1618 heeft Johan van Rechteren, de heer van Almelo, echter de eed afgelegd op de gereformeerde religie, zoald die geëist werd van de leden van de Obverijsselse Landdag. In die tijd was het meestal zo dat de onderdanen de godsdienst aannamen van hun vorst en dat zal ook in Almelo wel zijn gebeurd. Toen de pastoor door een predikant werd vervangen, zullen veel mensen tegen wil en dank protestant zijn geworden. Vaal was dat ook een gevolg van de kerkelijke armenzorg: men kreeg alleen geld, als men lid van de kerk was en de diensten bezocht. Belangrijk is ook dat in Almelo de predikanten slechts met toestemming van de heer konden worden aangesteld.

 

Eind 18e eeuw wordt het onrustig in Almelo. In de geest van de tijd staan de patriotten op. Deze komen in conflict met de Gravin van Almelo. De gegoede burgerij wil meer invloed, de gravin, wil dat niet. Er komt een groot dispuut over de keuze van de burgemeesters. De burgers richten een vijkorps op, de zoon van de gravin een tegenkorps, met zelfs drie kanonnen. Na wat schermutselingen wordt de zaak juridisch uitgevochten.

 

De staatsvorm verandert nu snel en vaak:

 

Een overzicht van de indeling van de Nederlanden:

 

1543 – 1579      De Zeventien Verenigde Nederlanden

1579 – 1798      Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

1798 – 1806      Bataafse Republiek

1806 – 1810     Koninkrijk Holland

1810 – 1813      Keizerrijk Frankrijk

1815 – 1830      Koninkrijk der Nederlanden met België en Luxembur

1830                                Koninkrijk der Nederlanden

 

 

 

 

Almelo in 1839: een beschrijving in het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden

 

Hoe zag Almelo er in 1839 uit. De beschrijving die wordt gegeven in het beroemde Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden van A. J. van der Aa, uitgegeven door Jacobus Noorduijn in Gorinchem in 1840 geeft het volgende beeld:

 

Almelo

Gemeente in de heerlijkheid Almelo-en Vriesenveen, in Twenthe, provincie Overijssel, arrondissement en kanton Almelo, van rondsom door het Ambt Almelo omgeven. Zij bevat niets meer dan de stad Almelo, die genoegzaam het middelpunt van het ambt uitmaakt, beslaat eene oppervlakte van 57 bunders grond, en telt 590 huizen en nagenoeg 5000 inwoners, onder welke ongeveer 2400 Hervormden, 550 Rooms Katholieken, 100 Mennonieten, 15 Luthersen en 125 Israeliten. De stad Almelo ligt aan onderscheidene beken, die zich buiten de stad met elkander vereenigen en de Almelosche Aa vormen, langs welke rivier de schuitvaart op Zwolle heeft. Zij is een arrondissements en kantonale hoofdplaats, en alzoo de zetel van regtbanken van eersten aanleg en koophandel, en van een vredegeregt.

De opkomst en aanleg van dit stadje kunnen wij met geen zekerheid melden. Het moet echter eene der oudsten plaatsen van Overijssel zijn.

 

Almelo is thans eene stad van den tweeden rang, wier inwoners voorheen sterken handel dreven in fijn linnen, dat er geweven en gebleekt werd; deze tak van bestaan is echter, door het algemeen gebruik van katoen, genoegzaam geheel te niet gedaan; thans is het voornaamste middel van bestaan der Almeloërs het vervaardigen van garen, doch meestal van katoenen goederen; voorts handel, bijzonder ook in koren en de stad is algemeen neringrijk, vooral doordien zij de omliggende plaatsen van vele noodwendigheden voorziet. Men heeft er 1 stoomkatoen-spinnerij, 1 jeneverstokerij, 1 zeepziederij, 2 kalanderijen, 1 tabak- en snuifmolen, 1 rietmakerij (weverskammenfabrijk), 5 korenmolens, van welke 1 tevens een pelmolen is, 1 grutterij, 7 grofsmederijen en 1 bierbouwerij. De fabrijkanten van linnen en katoenen goederen laten die aan de huizen van hunne wevers, hier en elders gevestigd, vervaardigen, maar hebben die niet in hunne fabrijkhuizen vereenigd. De stad is welvarende, en hare inwoners, vooral vele der doopsgezinden, mogen onder de gegoede gerekend worden, waarvan de grond hoofd zakelijk in de vroeger bestaand hebbende handel in linnen moet worden gezocht. Kunsten en wetenschappen worden met ijver, en niet zonder een gunstig gevolg, beoefend, en staan in hoge achting.

De hervormde kerk die hier vroeger gevonden werd, was vóór de reformatie aan den H. Georgius toegewijd.  Ten jare 1758 is deze kerk in eene nieuwe ruime kruiskerk herschapen. De hervormde gemeente, waartoe ook die van het Ambt-Almelo gerekend wordt

, behoort tot de class. Van Deventer, ring van Almelo. Zij telt ruim 4200 zielen en wordt door twee Predikanten bediend, wier beroep eene collatie van den Heer van Almelo en Vrieseveen is.

De Doopsgezinden hebben hier mede eene kerk. De R.K. statie behoort tot het aartspr. Van Twenthe.

De Israëliten hebben te Almelo een synagoge. Voorts heeft men hier nog een fraai stadhuis, een gasthuis, eene Latijnse school, waaraan tevens het onderwijs der levende talen en eene bloeiende kostschool verbonden is, twee Nederduitse scholen, met ruim 500 leerlingen, en een departement der Maatschappij Tot Nut van ’t  Algemeen, dat den 12 Augustus 1801 opgerigt is, en ruim 60 leden telt.

 

 

Almelo Ambt

 

Gemeente in de heerlijkheid Almelo-enVriesenveen, in Twente, provincie Overijssel, arrondissement en kanton Almelo, palende Noord aan Vriesenveen, Oost aan Weerselo, Zuid aan Delden en West aan Wierden. Zij heeft noch dorp noch gehucht, maar bestaat uit eenige, rondsom de stad Almelo verstrooid liggende huizen, beslaat 5845 bunder grond, telt 441 huizen en ruim 2500 inwoners, onder welke 1850 hervormden, 560 Rooms Katholieken en 15 Israëlieten, die allen kerkelijk onder de stad Almelo behooren.

Het hoofdbestaan der inwoners van deze gemeente is landbouw en fabrijken. Men vindt er 1 stoomkatoenspinnerij, 2 stoomkunstbleekerijen, 2 gewone linnen- en katoenblekerijen, 2 leerlooijerijen, 2 windkorenmolens, waarvan een tevens tot pelmolen dient. De weeffabrijk, die hier vroeger bestond is afgebroken. Voorts is hier eene Nederlandse school met 320 leerlingen, en het huis van den Heer van Almelo en Vriesenveen, het Huis Almelo geheeten.

 

Familiewapen

 

Het komt nogal eens voor dat men zich rijk rekent. Er blijkt ergens een afbeelding van een wapen voor te komen dat correspondeert met de eigen familienaam. Dat wapen beschouwt men dan snel als het zijne of hare.

Helaas is het lang niet altijd zo dat er dan een correcte aanname is gedaan.,

In het fameuze Amoréal van Rietstap uit de negentiende eeuw is een enorme collecties wapens te vinden. Ook komen er maar liefst zes wapens van families Boom voor. Helaas geen van allen behorend aan onze familie Boom uit Almelo.