VOLKSGEZONDHEID



De zwarte dood

De pestepidemie die Europa in 1347 trof, plaatste de bevolking voor een raadsel. Van de ene dag op de andere kregen de slachtoffers zwarte builen, eerst in liezen en oksels en vervolgens over het gehele lichaam.

 

 

 

Na drie of vier dagen hoge koorts en het ophoesten van bloed volgde meestal de dood. Over de oorzaken van de pest, die Europa een groot aantal keren heeft getroffen, deden de wildste geruchten de ronde.

 Sommigen meenden dat de lucht verpest was door giftige deeltjes; anderen beweerden dat de joden het water hadden vergiftigd. Voor de geestelijkheid was er geen twijfel: de pest was een straf voor het zondige gedrag van de mensheid. Naar schatting is tussen 1347 en 1350 in sommige delen van Europa ongeveer een derde van de bevolking door de pest weggevaagd.

De Lage Landen kwamen er verhoudingsgewijs goed van af. De laatste keer dat de Nederlanden door een pestepidemie werden getroffen, was in het laatste kwart van de 17de eeuw. Te zien: een pestslachtoffer, in 1682 geschilderd door Th. G. van der Schuer.

 

 

Ziektes in de Gouden Eeuw

In de 17e eeuw kon je de nodige aangetaste gezichten tegenkomen op straat. Ziektes als scheurbuik, pokken, syfilis en lepra lieten hun sporen na, als je ze al overleefde.

Scheurbuik werd veroorzaakt door vitaminetekort en kwam vaak voor onder zeelieden, maar ook Ďaan walí leden mensen hieraan. De symptomen waren: een bleke huid, vermoeidheid en kortademigheid, zwellingen en bloedingen van het tandvlees en onderhuidse bloedingen aan de benen.    

Pokken was een van de grote killers in de 19e eeuw, maar bestond ook ver daarvoor al. Vooral kinderen waren vatbaar voor de pokken. De eerste verschijnselen waren hoge koorts, misselijkheid, hoofdpijn en rugpijn, daarna verschenen rode vlekjes op het lichaam, die blaasjes werden. Deze ontwikkelen zich tot zwerende zwarte puisten. Pas in 1796 werd de vaccinatie ontdekt en toegepast, door Edward Jenner. Hierdoor werd de sterfte door pokken aanzienlijk teruggedrongen.    

Syfilis is een geslachtsziekte en was een veelbesproken ziekte in de 16e, 17e en 18e eeuw. Waarschijnlijk overgekomen uit de nieuwe wereld, verspreidde syfilis zich vanuit ItaliŽ langzaam over heel Europa. De link met seksualiteit werd al snel gelegd, maar de parasiet die de veroorzaker is, was nog onontdekt. Syfilis kon met kwik(preparaten) worden behandeld, al verschilde de methode door de eeuwen heen zeer, en waren er vele bijwerkingen.

De ziekte kent vier stadia. Eerst kwam er een zweer, met een harde omgeving; dan rode knobbels of vlekken; dan grote vijgwratten rond de anus of geslachtsdelen. Daarna kon de ziekte maanden of zelfs jaren rusten. Wanneer het derde stadium aanbrak, konden interne organen aangetast worden. Dit stadium was al vaak dodelijk of in ieder geval invaliderend. Voor wie dit overleefde, was er nog het vierde stadium: hierbij werden de hersenen aangetast en kon krankzinnigheid optreden. De psychiatrische inrichtingen zaten er vol mee aan het eind van de 19e eeuw! Pas in 1909 kwam er een doorbraak in de behandeling van syfilis: salvarsan. Tegenwoordig wordt antibiotica gegeven bij syfilis.    

Lepra is een trage, maar slopende ziekte, die zelfs in de Bijbel genoemd wordt wegens zijn afschrikwekkende verminkingen. Het wordt veroorzaakt door de Mycobacterium leprae. De symptomen zijn: verlammingen waardoor de gewrichten in allerlei vreemde houdingen komen te staan. Zenuwuiteinden worden aangetast en huid wordt ongevoelig. Wonden die niet genezen, kunnen er voor zorgen dat tenen en vingers afsterven. Het aangezicht is verlamd, waardoor het er uitdrukkingsloos uitziet en de ogen soms niet gesloten kunnen worden. De huid is knobbelig en het gezichtshaar valt uit.

Een patiŽnt hoeft niet al deze symptomen te vertonen. Lepra is besmettelijk, maar alleen Ďnatte lepraí en alleen na langdurig en intensief contact met leprozen. Niet iedereen die besmet is wordt ook werkelijk ziek. Lepra komt nog steeds voor, maar zelden in Nederland.     

Dit waren bij lange na niet de enige ziektes die het straatbeeld bepaalden; er waren er nog veel meer. Skeletvergroeiingen zorgden voor een grote verscheidenheid aan bochels, stompjes en kreupelen. Infecties die niet behandeld werden en uit de hand liepen, zorgden voor open wonden en koudvuur. Een infectie aan het oog kon gemakkelijk leiden tot blindheid.

Ook het krijgen van kinderen liet zijn sporen na op vrouwen. Vrouwen konden kreupel worden en ook kraamkoorts zorgde voor veel sterfgevallen. Wat je ook veel zag in het straatbeeld was struma, in de volksmond krop genoemd, dat werd veroorzaakt door een tekort aan iodium. Onbehandeld kon het tot grote gezwellen in de hals leiden. Pest kwam ook nog voor in de 17e eeuw, maar had zijn meeste slachtoffers gemaakt in enorme epidemieŽn van de late middeleeuwen.

EpidemieŽn in de 19e eeuw

Armoede, eenzijdige voeding, ongezonde lucht, slechte hygiŽne en lichamelijke verwaarlozing plus een schrijnend gebrek aan kennis van de geneeskunde en de effecten van geneesmiddelen hadden tot gevolg dat in de 19de eeuw cholera, pokken, difterie, influenza, tuberculose, kinkhoest, stuipen, mazelen en tyfus elk jaar slachtoffers eisten, vooral in de dichtbevolkte steden.

 

Omdat de veroorzakers van deze epidemische ziekten, bacillen en virussen, nog onbekend waren, greep men terug op traditionele theorieŽn. De lucht was bedorven; de lichaamssappenbalans was verstoord door een onregelmatige levenswijze, ongecontroleerde gemoedsaandoeningen, uitspattingen of een teveel aan onrijp fruit, groenten, zure drankjes en uiteraard alcohol.

Beste remedie: frisse lucht en een sober en ingetogen leven.

Op de foto: Ontsmetting van de woning van een tyfuslijder in 1919. Toen was al ontdekt dat de tyfusbacil werd verspreid door de kledingluis.

 

Waterleiding, riolering en vuilnisdienst

Toen Nederland in 1866 voor de zoveelste keer werd getroffen door een cholera-epidemie, bleef het aantal doden in Amsterdam verrassend laag. Achteraf weten we waarom.

 

Op de foto de aanleg van riolering in een Bredase wijk in 1926.

 

In 1854 had de stad een waterleidingnet laten aanleggen waarmee vers drinkwater uit de Noord-Hollandse duinen werd aangevoerd. Het was een initiatief geweest van de gegoede burgerij die het gebrek aan voldoende en kwalitatief goed drinkwater beu was.

Deze bevolkingsgroep was ook verantwoordelijk geweest voor de aanleg van een riolering en het organiseren van een ophaaldienst voor vuilnis in dezelfde periode. Van bacteriŽn hadden ook de rijkere Amsterdammers geen weet; ze hadden alleen genoeg van stinkend afval op straat.

Pas later in de eeuw maakten de ontdekkingen van bacteriologen duidelijk dat de burgerij de bevolking van Amsterdam, zonder het te weten, een goede dienst had bewezen.

 

 

EpidemieŽn op de terugtocht

Na 1890 begon het sterftecijfer langzaam te dalen. EpidemieŽn kregen minder kans.

 

 

De cholera-epidemie van 1866 en de pokkenepidemie van 1870 waren de laatste grote uitschieters, met uitzondering dan van de Spaanse griep. Deze wereldwijde ramp eiste in 1918 alleen al in Nederland zo'n 17.000 slachtoffers.

Ook ziekten als tuberculose, roodvonk, malaria, difterie en mazelen bleken op de terugtocht. Tussen 1880 en 1939 daalde het jaarlijkse aantal sterfgevallen van 25 tot slechts 4 per 10.000 inwoners.

De Woningwet van 1901 en de Warenwet van 1919 (die hoge eisen stelden aan nieuwbouwwoningen en het bereiden van voedingsmiddelen) waren van invloed, evenals andere maatregelen van de overheid.

Op de foto: inenting tegen polio

 

Dan liever thuis dood

Omstreeks het midden van de 19de eeuw was het met de ziekenhuisverpleging in Nederland droevig gesteld. De arts J. Korteweg schreef over het Amsterdamse Binnengasthuis dat hij persoonlijk kende.

 

 

Schering en inslag waren volgens hem Ďhet mishandelen van zieken die geen fooi gaven, het niet toedienen van voorgeschreven geneesmiddelen, het verstrekken van morphine tegen betaling, het laten werken van patiŽnten, ook al liet hun toestand dit niet toe, en het, staande op een stoel, verkopen van de beste stukken vlees, geprikt aan een vork en omhooggehouden, aan de meest biedendení.

Even negatief was een Tilburgse arts uit die tijd. ĎNeen, dan liever thuis stervení was de reactie die hij vaak kreeg als hij iemand aanraadde naar het ziekenhuis te gaan.

Op de foto de als ziekenzaal ingerichte zolder van het Amsterdamse Binnengasthuis omstreeks 1880.

 

Zusters en diaconessen

 

De emancipatie van de rooms-katholieken in de 19de eeuw, en de dadendrang die daarvan het gevolg was, hadden voor de gezondheidszorg in Nederland onverwacht gunstige gevolgen.

 

De Zusters van het Sint-Jozefziekenhuis te Heerlen aan het einde van de 19de eeuw.

 

Alleen al tussen 1820 en 1840 werden door katholieke geestelijken en leken tien zustercongregaties opgericht die zich toelegden op de verzorging en verpleging van zieken. Vanuit moederhuizen in Maastricht, Heythuizen en Tilburg bijvoorbeeld zwermden de Zusters van de Heilige Carolus Borromeus, de Franciscanessen en de Zusters van Liefde over geheel Nederland uit om overal ziekenhuizen te stichten.

Uiteraard kon dit katholieke offensief niet onbeantwoord blijven. De protestanten reageerden met de oprichting van diaconessenhuizen, waarin liefdezusters met evenveel toewijding en inzet de protestantse zieken begonnen te verplegen.

 

Op de foto diaconessen  van het Nijmeegse Wilhelminagasthuis, begin 20ste eeuw.

 

 

De leer van de praktijk

Omstreeks 1860 was ontdekt dat het steriliseren van instrumenten, en het gebruik van desinfecterende middelen bij operaties en wondbehandeling, infectie konden voorkomen.

 

 

Baanbrekend voor het terugbrengen van sterfgevallen onder vrouwen in het kraambed was het werk van de Hongaarse verloskundige Ignaz Philipp Semmelweis (1818-1855). Hij werkte in een kraamkliniek van een ziekenhuis in Wenen. Hij eiste in 1847 dat elke verloskundige, zijn handen en nagels grondig zou schoonmaken en zou ontsmetten met gechloreerd water. Na deze maatregel daalde in zijn kliniek de sterfte van ruim 12% naar iets meer dan 1%.

Het ontsmetten vonden sommigen onzin. Door het wondvocht kwamen juist de ziektekiemen naar buiten. Ook professor Lehmann, de eerste Nederlansde hoogleraar verloskunde die van 1848 tot 1870 hoofd was van de kraamafdeling van het Amsterdamse Binnengasthuis, vond het onnodig vůůr inwendig onderzoek de handen met carbol te wassen. Dat kon je beter na afloop doen.

Gevraagd naar de hoge sterftecijfers, wees de man naar de giftige deeltjes in de bodem waarop het ziekenhuis was gebouwd.

Op de foto rechtsboven: In de 19de eeuw bezochten artsen hun patiŽnten het liefst in een koets.

Op de foto onder: Toen in 1929 in Den Haag polio uitbrak, moesten de GG&GD de straat op om de Hagenaars te overtuigen dat vaccinatie geen risicoís opleverden. Het gerucht ging dat inenting tegen polio tot hersenvliesontsteking kon leiden.

 

 

Aanpak van de kindersterfte

Omstreeks 1890 was de zuigelingensterfte nog steeds erg hoog. Zo stierf van alle babyís binnen ťťn jaar in Maastricht 20 procent, in Utrecht 21 procent en in Den Bosch zelfs 25 procent.

 

. Op de foto het consultatiebureau voor zuigelingen te Rotterdam in 1914.

 

Belangrijkste oorzaken waren vervuilde lucht, verwaarlozing, onjuiste voeding en Ďengeltjesmakerijí: het opzettelijk laten sterven van zuigelingen om de kleine verzekeringssom te innen. Vooral gezinnen van Ďmingegoedení werden getroffen. Kinderen werden zelden gewassen, kwamen nauwelijks buiten en werden te dik ingepakt.

Borstvoeding was een zeldzaamheid; de babyís kregen ongesteriliseerde en met water aangelengde koemelk van vaak dubieuze kwaliteit. Om huilende kinderen in slaap te krijgen, gebruikte men onder meer brandewijn. Voor kruisverenigingen, wijkverpleegsters en anderen reden in actie te komen.

In 1901 richtten enkele burgers in Den Haag het eerste consultatiebureau voor zuigelingen op.

 

Het begin van het kruiswerk

Hoewel de overheid in 1865 duidelijke regels had gesteld, bleek aan de uitvoering ervan nogal wat te schorten.

 

 

In 1875 richtte J. Penn daarom het Witte Kruis op. Doel van deze eerste kruisvereniging was de bevolking van Noord-Holland deskundige en verantwoorde verpleegkundige hulp te bieden, verpleegartikelen uit te lenen, voorlichting te geven en plaatselijke overheden aan te zetten tot actie.

Penns werk vond navolging. In 1900 werd in Zuid-Holland het Groene Kruis opgericht, gevolgd door het Wit-Gele en het Oranje-Groene Kruis in de jaren daarna, respectievelijk op katholieke en protestantse grondslag.

Op de afbeelding een pagina uit een brochure uit 1919 met uitleg hoe met petroleum de hoofdluis kon worden bestreden.

 

 Bron: 20 Eeuwen Nederland.