MOLEN DE HOOGMOED TE DORDRECHT



De eigenaren van de molen de Hoogmoed in Dordrecht.

De molen De Hoogmoed, een standerdwindkorenmolen, is ontstaan in de vijftiende eeuw. Volgens de historicus Matthijs Balen stond hij er al in 1421: "den Ouden Molen (genoemd Hoogmoed) achter 't Begijnhof, (nu buyten de Stad staande)". (M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht [Dordrecht 1677], geciteerd in W. van Wijk e.a., Dordt in de kaart gekeken (Zwolle 1995), p. 85)

18 juli 1543: Cornelis Jacopsz. molenaar is schuldig aan Jan Joestensz. in "de Swaen" op de Riedijk 20 ponden 10 schellingen groten Vlaams (van 6 karolusguldens het pond en 20 stuivers de gulden) wegens koop van een windmolen, genaamd "Hoegemoet", staande achter aan de stadsvest. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 34)

1580 (50e penning Dordrecht, f. 96): de windmolen genaamd Hogemoet, toebehorende Jan Joosten molenaar - 12 gl. 16 st.

14 jan. 1591: compareert voor schepenen van Dordrecht Lucas Meeusz. molenaar en verklaart verkocht te hebben aan Laurens Jansz. Vrient de gerechte helft van een windmolen genaamd "Hoghemoet", staande op "zijnen vrijen gront aen der stede vesten achter het Bagijnhoff binnen dezer stede",  met alle toebehoren "soo de selve molen rijdt ende seijlt ende allen anderen vrijdommen ende servituijten tot den voorsz. halve molen behoirende". Verkoper verklaart betaald te zijn. De halve molen is niet meer belast dan met 8 gl. jaarlijkse rente, te lossen met 19 ponden 10 schellingen Vlaams hoofdsom, die koper te zijnen laste zal nemen. Waarborgen: Joost Jansz. smid en Aerent Jansz. molenaar. De koper neemt tevens over twee schepenenschuldbrieven van elk 620 gl., die door Lucas Meeusz. molenaar verleden zijn ten behoeve van Adriaen Cornelisz., Jan Lenaertsz. en Grietgen Adriaensdr., speciaal verzekerd op voornoemde halve windmolen, elke brief te betalen met 75 gl. jaarlijks op meidag , beginnende met meidag 1591, hiervoor verbindende voornoemde halve windmolen met alle toebehoren. Borg: Aeltgen Woutersdr., weduwe van Lenard Herbertsz., met haar gekoren voogd. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 183, koop- en hypotheekakte)

10 jan. 1606: Jan Pietersz. molenaar, burger van Dordrecht, verkoopt aan Jacob Corstiaensz. molenaar, burger van Dordrecht, de gerechte helft van de korenwindmolen "de Hoogmoed", staande achter het Bagijnhof aan "'s heren veste". Waarborgen: Pieter Aertsz. en Sanders Hermansz., elk voor de helft. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 1100 gl. Borgen: Pieter Aertsz. en Reijer Cornelisz. (ORA Dordrecht inv. 1584 (nieuw), f. 108v)

1606: Jacob Corssen betaalt in de verponding 12 gl. voor de molen [de Hoogmoed] (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3966, f. 230)

19 juni 1608: Jacob Corssen, burger van Dordrecht, verkoopt aan Michiel [Jacobsz.] Cotermans brouwer een hele korenwindmolen met het gereedschap daartoe behorende, staande aan binnen de stad "de stede vesten voor het Bagijnhoff", genaamd "Hoogenmoet", mitsgaders paard, kar en gereedschap, belast met een rente van 8 gl. jaarlijks en een rente van 6 gl. jaarlijks, die koper belooft over te nemen. Waarborg: Jan Adriaensz. "oude cleerkoper". Koper bekent schuldig te zijn aan verkoper wegens voornoemde koop een somma van 3600 gl., te betalen met 300 gl. alle jaren op meidag, daarvoor verbindende de molen "de Hoogenmoet" met de genoemde toebehoren. Voorts is overeengekomen dat verkoper voor de jaarlijkse termijnen ten huize van koper zal halen "dubbelden pharo" [bepaald soort Vlaams bier] of bieren voor 6 gl. de ton tot de volledige aflossing van de schuld. Borg voor de schuldenaar is Nijs Willemsz. brouwer. In deze marge van deze hypotheekakte staat: op 30 juni 1609 compareert Michiel Cotermans brouwer en verklaart, dat hij ermee tevreden is, dat Jacob Corssen maar voor de helft van de schuldbrief bieren van 6 gl. de ton bij hem zal halen en dat hij, Cotermans, de resterende 1800 gl. zal betalen in geld, namelijk met jaarlijkse termijnen van 150 gl. (ORA Dordrecht inv. 749, f. 136v en f. 137)

11 sept. 1640: Jan Michielsz. Deijlman, als executeur van het testament van wijlen Michiel Jacobsz. Cotermans, verkoopt aan Henrick Gerritsz. van Bosch ["ende Gerrit Rutten de Ridder" is doorgehaald], molenaars en burgers van Dordrecht, de helft in een korenwindmolen, staande achter aan het Bagijnhof binnen Dordrecht. Waarborg: de comparant zelf. Koper kent schuldig aan verkoper in zijn voornoemde hoedanigheid een somma van 2200 gl., te betalen met 150 gl. alle jaren op 1 augustus. Als de koper de jaarlijkse termijnen niet precies op de verschijndag voldoet, moet hij over de te laat betaalde termijn 6,25 % interest betalen. Hij verbindt voor de nakoming hiervan de voornoemde molen. Borg: Cornelis Jansz. Vonck, hoefsmid en burger van Dordrecht (ORA Dordrecht inv. 772, f. 120v e.v.)

In het midden van de zeventiende eeuw, tussen 1642 en 1649, werd de molen verplaatst van een plaats binnen de stadsmuur naar een plek buiten de Vriesepoort, niet ver van het gebouw aan het Vrieseplein, waar nu de gevelsteen uit 1762 is ingemetseld. (W. van Wijk e.a., o.c., p. 85)

23 okt. 1642: Henrick Gerritsz. Bosch, molenaar en burger van Dordrecht, verkoopt aan Hillebrant Gerritsz. Schagen, eveneens molenaar en burger van Dordrecht, de helft in een korenwindmolen, staande "op deser stede Walle achter het Bagijnhof". Aangezien de helft van de molen nog belast is met een kustingbrief van 1900 gl., te betalen met jaarlijkse termijnen van 150 gl., is daarvoor waarborg gebleven Leendert Cornelisz. Schaep, mede burger van Dordrecht. Compareert tevens voornoemde koper en Gerrit Rutte, eigenaar van de wederhelft van voornoemde molen "ende belooffden den voorsz. vercooper jaerlijcx zijn leven lanck gedurende te doen ende laten volgen alle de missie [mest] vant peert twelck bij hen comparanten ten diensten vande selven molen sal werden gehouden ofte naermaele bij de possesseurs vande voorsz. molen gehouden sal werden mitsgaders omme de selve missie wech te voeren in sijnen thuijn ofte daer hij de selve sal begeeren te hebben".  Verkoper zal ook de wagen en het paard mogen lenen, wanneer kopers, die niet gebruiken of nodig hebben. (ORA Dordrecht inv. 773, f. 103)

3 april 1649: Hillebrant Gerritsz. Schagen, molenaar en burger van Dordrecht, verkoopt aan Casper Jorisz., bleker en burger van Dordrecht, een jaarlijkse losrente van 25 gl., verzekerd op de gerecht helft van een korenwindmolen, staande omtrent de Vriesepoort en genaamd "Hoochmoet". In margine: compareert Casper Jorisz., die verklaart hiervoor te zijn betaald met het verlijden van een nieuwe brief door Aelbert Jansz. molenaar op 23 sept. 1649. Schuldbrief derhalve geroyeerd op 12 febr. 1650. (ORA Dordrecht inv. 777, f. 14)

28 aug. 1649: koopvoorwaarden, waarop Geerit Rutten de Ridder [de helft van] een molen met gereedschappen, staande buiten de Vriesepoort, genaamd "de Hoogmoed", wil verkopen. (De wederhelft van de molen behoort toe aan Hillebrant Geeritsz. Schagen.) Verkocht aan Aelbert Jansz. [van Hooren], molenaar op "de Stier", voor 4600 gl. (ONA Dordrecht inv. 486, notaris A. Muijs van Holij)

23 mei 1651: Gerrit Rutten de Ridder, burger van Dordrecht, verkoopt aan Sijmon van der Sloot, molenaar en burger van Dordrecht, de gerechte helft van een korenwindmolen, gestaand hebbende achter aan het Bagijnhof en nu staande buiten de Vriesepoort, genaamd "de Hoochmoet". Waarborgen:  Henrick Gerritsz. van den Bosch en Jan Bockoij, burgers van Dordrecht. De koper is schuldig 3100gl. Borgen: Theunis Sijmonsz., molenaar van Mijnsheerenland en Aelbert Jansz. molenaar. (ORA Dordrecht inv. 778, f. 33)

6 mrt. 1651: Jan Arijensz. Gijp en Pieter Arijensz. Hart, als ooms en voogden over de onmondige kinderen van Jan Willemsz. van Hoorn en Duijfgen Arijensdr., beiden overleden en Willem Jansz. van Hooren, Aelbrecht Jansz. van Hooren, Arijen Jansz. van Hooren, Benedictus Jansz. van Hooren en Geertruijt Jansdr. van Hooren, allen kinderen en erfgenamen van Jan Willemsz. van Hooren en Duijfgen Arijensdr., zijn bijeengekomen ten overstaan van Jacob Jacobsz. Berm en Johan Schoormans, notaris te Dordrecht. Zij zijn overeengekomen, dat Arijen Jansz. van Hooren en Benedictus Jansz. van Hooren, bij de scheiding van de door hun ouders nagelaten goederen, zullen aannemen voor een bedrag van 10.000 gl. de windmolen, genaamd "de Stier", met rosmolen, huis, tuin, erf en werf, staande en gelegen op stadsgrond buiten de Spuipoort op de hoek van de kruisweg, incl. paard, wagen, gereedschappen etc. Bedongen is eveneens, dat de broers aan de echtgenotes van Willem en Aelbrecht Jansz. van Hooren en aan hun zuster Geertruijt Jansz. van Horen een rosenobel zullen geven "tot vereeringe voor spellegelt". Akte door Aelbrecht Jansz. van Hooren ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 90, f. 73 e.v.)

15 nov. 1665: compareert voor notaris G. Waltherij te Dordrecht Annetie Gijsbertsdr., weduwe van Aelbert Jansz. van Hooren, in zijn leven molenaar op "de Hoogmoed". Zij verkoopt aan Jacobus Benjamijns en Elijsabeth Pietersdr., jongman en jonge dochter, toekomstige bruidegom en bruid, die mede compareren, de helft van "de Hoogmoed" en de "beteringe van het erf", staande en gelegen buiten de Vriesepoort op grond van de stad Dordrecht, mitsgaders "zekere nieuwe huijsinge ende beterschap van erve bij ende aen den werff aan de westsijde van de voorsz. molen staende ende gelegen." Kopers betalen 4200 gl. contant en een gouden rosenobel "tot een vereeringe voor de vercoopsters soon". Comparanten tekenen met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 296, f. 36 e.v.)

7 nov. 1666: Anneken Gijsberts, weduwe van Aelbert Jansz. van Hooren, thans ondertrouwd met Daniėl Jansz. Dees, die in Leiden woont, verklaart verhuurd te hebben aan Dirck Martinusz. van de Vijver molenaar een standaardwindkorenmolen met toebehoren en huis, genaamd "de Hoogmoed", staande op stadsgrond buiten de Vriesepoort  (ONA Dordrecht inv. 181, f. 478 e.v.)

[NG trouwboek Leiden 29 okt. 1666: (ondertrouwd) Daniėl Jansz. Dees weduwnaar van Annetge Pieters van der Poth en Annetge Gijsberts weduwe van Aelbert Jansz. wonende te Dordrecht]

29 sept. 1674: Marijcken Arijens, weduwe van Arijen Jansz. van Hoorn, verhuurt de helft van molen "de Hoogmoed", en "tot een wooning" de kamer van het nieuwe huis met de zoldering daarboven, aan Gerrit Fransz. van Heeckeren, molenaar te Rumpt (ONA Dordrecht inv. 185, f. 109 e.v.)

22 dec. 1674: compareren Casper Jorisz., Johannes Melanen en Hendrik Velt, burgers van Dordrecht, als last en procuratie hebbende van de erfgenamen van Gijsbert Aelbertsz. van Hoorn en verklaren in die hoedanigheid verkocht te hebben aan Samuel Gerritsz. van Lier en Jan Dirksz. Ganseman, beiden molenaars te Dordrecht, ieder voor de gerechte helft, de molen genaamd "de Hoogmoed" met de daarbij behorende "huijsinge", "melioratie van erven", en verdere toebehoren, staande en gelegen buiten de Vriesepoort op stadsgrond, met stenen, zeilen, 12 "billen", paard en wagen en verdere gereedschappen, voor 5200 gl., te betalen met 1000 gl. contant op 1 mei 1675, of zoveel eerder als het kopers gelegen komt, en het resterende bedrag met het overnemen van een schuldbrief, die verkopers op de molen te pretenderen hebben met een jaarlijkse interest van 5 %. Akte ondertekend door Ganseman. Van Lier zet een merk. (ONA Dordrecht inv. 255, f. 155 e.v.)

[NG trouwboek Dordrecht 17 mei 1676: Jan Dirksz. Ganseman jongman van Dordrecht met Maaike Cornelisdr. Coomen (Coomens, Coomans) jonge dochter van Mijnsheerenland, getrouwd in Mijnsheerenland op 14 juni 1676

NG trouwboek Dordrecht 19 okt. 1681: Floris Jansz. molenaar jongman van Rumpt met Maaike Cornelisdr. Coomans, beiden wonende buiten de Vriesepoort

19 mei 1683: compareren voor notaris F. Beudt Floris Jansz., molenaar wonende buiten de Vriesepoort en Maaijken Cornelisdr. Coomans, echtelieden, hij door een val van zijn molen "swaerlijck gequetst" te bed liggende, zij gezond. Hij benoemt zijn vrouw tot erfgenaam van al zijn na te laten goederen, op voorwaarde, dat zij hun kinderen bij mondigheid of eerder huwelijk een somma van 6 gl. zal uitkeren. Zij benoemt tot erfgenamen haar twee voorkinderen en het kind of kinderen bij haar verwekt of nog te verwekken door haar voornoemde man, alsmede haar man voor een kindsgedeelte. Testateur kan door zijn ongeval niet schrijven. (ONA Dordrecht inv. 545).

NG trouwboek Dordrecht 2 dec. 1685: Lijven Hendricksz. [Bax, Bacx, Baks] molenaar jongman van ['s-Grevelduin-] Capelle met Maeijcke Cornelis weduwe van Floris Jansz., beiden wonende buiten de Vriesepoort, getrouwd 19 dec. 1685

Burgerboek Dordrecht (archief 3 inv. 1975): "Actum den 11 December 1685. Ontfangen als borger en inheems poorter der stadt Dordrecht Lieven Hendrickx geboortig van Cappel in de Langstraet ende heeft betaelt ten behoeve deser stadt vijff ponden ten XL grooten 't pont".

ONA Dordrecht inv. 192, f. 295 e.v.: op 27 jan. 1690 verkoopt Johannes Gheenen, korenmolenaar en burger van Dordrecht, als man van Laurensken Arijensdr., die eerder weduwe was van Samuel Geeritsz. van Lier, voor 2600 gl. contant, aan Lieven Hendricxsz., korenmolenaar en burger van Dordrecht, de helft van de standerdwindkorenmolen "de Hoochmoet", met de helft in een wagen, paard, stenen, zeilen, touwen, billen en overige gereedschappen en het huis aan de noordzijde van de molen, staande buiten de Vriesepoort op stadsgrond. Verkoper en koper tekenen met een kruisje. (Lieven Hendricxsz. Back, korenmolenaar op "de Hoogmoed", leent op 29 april 1690 voor de betaling van de kooppenningen van de helft in de molen etc. van Pieter van de Werff, bakker en burger van Dordrecht, 400 gl. en van Jan Thomasz. Beijs, bakker en burger van Dordrecht, eveneens 400 gl. [ONA Dordrecht inv. 192, f. 330 en 332])

- 29 mrt. 1695: Arijen Jansz. Cop, houtwerker en burger van Dordrecht, verklaart op verzoek van Lieven Hendricxsz. korenmolenaar, man van Maeijcken Cornelisdr., laatst weduwe van Floris Jansz. molenaar, dat hij aan Maeijcken heeft verstrekt en op interest gedaan voor de aankoop van een paard en voor het onderhoud van de twee kinderen, die door Floris Jansz. zijn verwekt, een verdrag van 100 gl. volgens obligatie, gepasseerd voor notaris J. Melanen te Dordrecht en dat zij "hoochnodich van doene" heeft de opbrengsten van "vierd'halff" hont land, liggende aan de Lingedijk onder Rumpt in Gelderland, welk land Floris Jansz. als moederlijk goed is toegekomen. (ONA Dordrecht inv. 192, f. 312)

19 okt. 1695: compareert voor notaris P. A. Melanen Quirinus Hartman, als getrouwd hebbende Anna Frankot, eerder weduwe en erfgename van wijlen Sent Jorisz. van Neurenberch, die mede erfgenaam was van Casper Jorisz. bleker, zijn grootvader van vaderszijde zaliger. Hij verleent procuratie aan notaris J. Melanen te Dordrecht om te innen en te vorderen van Lieven Hendriksz. korenmolenaar de jaarlijkse interest van zekere schepenenschuldbrief, ingehouden hebbende 500 gl. en nog inhoudende 400 gl. kapitaal, verleden door Aelbrecht Jansz. van Hoorn molenaar en verzekerd op de helft van een korenwindmolen, genaamd de Hoogmoed, staande buiten de Vriesepoort. (ONA  Dordrecht inv. 511, f. 190)

4 juli 1712: compareert voor notaris E. Venlo Lieven Bacx, molenaar op "de Hoogmoed", verklarende, dat hij zijn zoon Cornelis Bacx, onlangs getrouwd met Berber Jansdr. [van der Schaar], mede ten huwelijk heeft gegeven de gerechte helft van alle winsten en inkomsten, die met de molen in de toekomst verdiend zullen worden, "ende dat sijn leven lanck geduijrende", welke hij zijn zoon als gift onder de levenden en "onwederroepelijck" schenkt. Compareert mede Cornelis Bacx, die verklaart de gift te aanvaarden en zijn vader daarvoor te bedanken. "Consenterende hiermede de comparant aen sijnen voorsz. soone Cornelis Bacx, omme naert overlijden van den eerste comparant, te mogen naderen den eijgendom van de voorgemelte molen, met alle ap- ende dependentiėn van dien voor den gerechte helfte, mits dat de selven sijne soone daer vooren in sijn eerste comparants boedel sal moeten inbrengen ende f[o]urneeren" een somma van 5500 gl. (ONA Dordrecht inv. 505, akte 44)

14 aug. 1721: bij de gaarder in Dordrecht wordt het overlijden aangegeven van Lieven Hendriksz. Bax (impost 3 gl.), hij wordt te Dordrecht begraven op 14 aug. 1721 (begraafboek Nieuwkerk: Lieven Bax molenaar buiten de Vriesepoort)

1 juni 1736: overlijden van Maria Koomans, weduwe van Lieve Bax, aangegeven bij de gaarder te Dordrecht (impost 3 gl.). "Zij wordt begraven te Dordrecht op dezelfde dag (begraafboek Nieuwkerk Dordrecht: Maaijken Coomens laatst weduwe van Lieve Bax, buiten de Vriesepoort bij de molen "de Hoogmoed", laat kinderen na, "met ordinare koetsen")

Kinderen van Lieven Bax en Maaijken Cornelisdr. Coomans:

Uit het huwelijk van Lieven Bax en Maaike Comans:

a. Hendrik Bax, gedoopt NG Dordrecht 1 april 1686

b. Cornelis Bax, gedoopt NG Dordrecht 6 april 1689, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 1 mei 1712 (ondertrouw) Berbera Jansdr. van der Schaar

Uit dit huwelijk (o.a.):

b-1. Johannes Bacx, gedoopt NG Dordrecht 19 okt. 1717

7 nov. 1743: ondertrouwd Cornelis Bax weduwnaar wonende buiten de Vriesepoort met Pieternella Waldijk weduwe van Arij Bouman wonende in de Vriesestraat beiden van Dordrecht, getrouwd 24 nov. 1743 (Trouwboek Gerecht/NG Dordrecht)

Gevelsteen van de molen De Dortse Maagd, vanouds genaamd de Hoogmoed (foto: B. den Hartog, Dordrecht, publicatie alleen toegestaan met toestemming van de maker)

5 jan. 1745: comp. voor notaris P. van Well Cornelis Bax, korenmolenaar wonende onder de jurisdictie van de stad Dordrecht, die verklaart verhuurd te hebben aan zijn zoon Jan Bax, korenmolenaar in de Klundert, zijn comparants korenmolen genaamd "de Hoogmoed", met alle gereedschappen, paard en wagen en verdere toebehoren, idem een woonhuis en stalling daarnaast staande, staande en gelegen buiten de stad, voor een periode van 12 jaar, ingaande op 1 mei 1745, voor 760 gl. per jaar, te betalen ieder jaar op de verschijndag of uiterlijk 14 dagen daarna. Dit alles op voorwaarde, dat de verhuurder de huurder in zijn werk en op de molen zal helpen met malen en dat als verhuurder komt te overlijden gedurende de huurperiode de huurder vervolgens slechts 610 gl. per jaar zal betalen. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 968, akte 4, f. 9 e.v.)

18 mrt. 1750: overeenkomst tussen Jan Bax, eigenaar van de korenmolen "de Hoogmoed" en een aantal andere Dordtse korenmolenaars. Zij zijn door "interecessie" van de Burgemeesters van Dordrecht overeengekomen, dat Jan Bax en bij overlijdens diens opvolgers als eigenaren van "de Hoogmoed", gedurende drie opeenvolgende jaren, ingang genomen hebbende op 1 jan. 1750, met zijn voornoemde molen alleen zal malen mout en "mesting" [mestvoer]. "sonder onder wat pretext t'oock soude mogen wesen eenig koorn voor bakkers of bakgoet voor bakkers of anderen te mogen malen", op voorwaarde, dat tweede comparanten gezamenlijk aan Jan Bax jaarlijks zullen betalen de somma van 150 gl., "ende als wanneer deselve [nl. de andere korenmolenaars] van't gemeeneland [de provincie Holland] geld werd toegelegt ofte aan haar gegeven" een bedrag van 300 gl. jaarlijks. Akte door Bax ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 976, akte 39, f. 151 e.v., notaris P. van Well)

10 sept. 1767: Jan Bax, korenmolenaar op de molen "de Maagd van Dordrecht", verklaart te volmachtigen notaris A. Bax om publiekelijk te verkopen zijn helft in de korenmolen, vanouds genaamd "den Hoogmoet" en nu "de Maagd van Dordrecht", staande buiten de Vriesepoort aan de Beeltgensbrug, belend ten oosten de erven Dirk Luyten, ten westen de Spuihaven en ten zuiden het Blekersdijkje, met alle toebehoren, zoals huis, stalling, paard en wagen en gereedschappen. (ONA Dordrecht inv. 1131, akte 116)