»

»

»

»

»
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -
 -

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»

»


ACTA DORDRECHT 1600-1670



Laatst bijgewerkt op 10 april 2015

Uit de acta van de Nederduits Gereformeerde kerkenraad van Dordrecht (SA Dordrecht, archief 27).

NB: dit zijn vrijwel letterlijke transcripties van een aantal opmerkelijke en interessante inschrijvingen in de Acta. Slechts hier en daar zijn, ten behoeve van de leesbaarheid en begrijpelijkheid, kleine wijzigingen aangebracht. Zo zijn afgekorte woorden meestal voluit geschreven en zijn er enkele leestekens toegevoegd, waar die in de originele tekst ontbraken. Tussen rechte haken staan aanvullende gegevens uit andere bronnen.

Geraadpleegde literatuur.

M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677)

J. L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht (Dordrecht 1931-1936)

C. Esseboom, Minerva Dordracena. 750 jaar klassiek onderwijs in Dordrecht (1253-2003) (Dordrecht 2003)

W. Frijhoff e.a. (red.), Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum 1998)

D. Haks, Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw. Processtukken en moralisten over aspecten van het laat 17de- en 18de-eeuwse gezinsleven. (Utrecht 1985)

Th.W. Jensma en A. Molendijk, De Grote - of Onze Lieve Vrouwekerk van Dordrecht (Zwolle 1987)

F. A. van Lieburg, Repertorium van Nederlandse hervormde predikanten tot 1816, deel I: predikanten (Dordrecht 1996)

L. Noordegraaf en G. Valk, De gave Gods - de pest in Holland vanaf de late Middeleeuwen (Bergen 1988)

L. Panhuysen, De ware vrijheid: de levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam 2007)

H. Roodenburg, Onder censuur. De kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1700 (Hilversum 1990)

G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, eene bijdrage tot de geschiedenis der vaderlandsche Hervormde Kerk, sedert het jaar 1572 (Utrecht 1841)

Glossarium.

Broederen: leden van de kerkenraad (predikanten en ouderlingen: wanneer zij samen met de diakenen vergaderden heette dat de Grote Vergadering)

Comportement: gedrag

Factum: is gedaan

Insolentie: onbeschaamdheid, aanstootgevend gedrag

Officier: de schout

Onecht: overspel, ontucht, buiten- of voorechtelijke seks

Praeses: voorzitter van de kerkenraad

Separatie: scheiding van tafel en bed. "Door de gereformeerde kerk werden twee echtscheidingsgronden aanvaard: overspel en kwaadwillige verlating. Het huwelijk kon in die gevallen definitief ontbonden worden (divortie). Separatie (scheiding van tafel en bed) werd gezien als een tijdelijke oplossing. De kerk verwachtte van de gesepareerden dat zij op zijn minst open stonden voor de mogelijkheid van een verzoening en aan een poging daartoe hun medewerking verleenden. Een separatie was alleen verkrijgbaar door een rechterlijke uitspraak. Op eigen initiatief een separate huishouding beginnen was onwettig en werd in Amsterdam bijvoorbeeld bestraft met een boete. Uit de beschikbare gegevens [Amsterdam, Rotterdam, Leiden] blijkt, dat het in de 17e eeuw bij scheiding [divortie of separatie] om zeer kleine aantallen ging." (A. B. den Haan, Acta Selecta (I), Dordtse huwelijksperikelen (1650-1651), in Oud-Dordrecht 2004, nr. 3, p. 65)

Verloop: onstichtelijke levenswandel

Consistoriekamer.

Aanvankelijk kwam de kerkenraad bijeen in een uitbouwsel aan de noordwestzijde van de Grote Kerk, maar na herhaalde klachten over binnen vallende bezoekers, kregen de "Broederen" omstreeks 1670 de beschikking over de oude sacristie tussen Mariakoor en Meerdervoortkapel. (Jensma, o.c., p. 87).

Het Heilig Avondmaal.

"Als plaats van de viering van het driemaandelijkse Avondmaal, dat in de plaats van de dagelijkse mis was gekomen, bleef [de Hervormde Gemeente van Dordrecht na 1572] vasthouden aan het hoogkoor [in de Grote Kerk] ... Brood en wijn moesten voortaan lopend van de tafel in het hoogkoor op de verheven altaarplaats worden gehaald. Het koorhek, waar vroeger de uitdeling gebeurde, was eigenlijk overbodig geworden, maar is toch niet weggehaald. De stedelijke overheid, waartoe de kerkmeesters als voorheen behoorden, gaf in de begintijd geld voor de aankoop van brood het wijn ... De hervormden kregen [brood en wijn] als teken ter gedachtenis aan Christus' kruisdood uitgereikt ... Het overschot [van de wijn] ging in 1625 volgens oud bijbels gebruik als versterkend middel naar de stille huiszittende armen. Zij, die wegens ruzie, dronkenschap, vechten, roddel of overspel de toegang tot het Avondmaal was ontzegd, werd dit, al dan niet onder bekendmaking van naam en vergrijp, vanaf het hoogkoor aangezegd. Als plaats van het Avondmaal is het grote koor tot in de zeventiende eeuw in  gebruik geweest. Daarna is de tafel in het schip opgesteld." (Jensma, o.c., p. 73)

 

Het Laatste Avondmaal, geschilderd door Willem Key (ca. 1560)

 

Jeremias Bastingius. Hij werd geboren te Calais 1554 en overleed te Leiden op 16 okt. 1598. Hij was NG predikant te Dordrecht van 1585 tot 1593 en daarna theologisch professor te Leiden. (Foto: Erfgoedcentrum DiEP)

inv. 3, f. 10, 18 aug. 1605 Huisvrouw van Jan van Leuwen

Ds. Becius sal ... aenspreken de huijsvrouw van Jan van Leuwen, die bij een waersegster geweest is, ende haer hierover ernstelijck berispen, ende aenseggen dat sij van Avontmael haer sal onthouden, totdat men teekenen haerer boetveerdicheijt sal bemercken.

inv. 3, f. 16, 9 febr. 1606 Huijsvrou van Bruijn Jansen

De huijsvrou van Bruijn Jansen, aengesproken sijnde door Aert Cornelissen, heeft geweijgert ten huijse D. Becii te comen. Sij verclaerde oick, dat tgene sij dede, mit segeninge ende lesinghen van sekere woorden om gebreken te genesen, voor tgoet hielde, niet tegenstaende de onderrichtinge die haer Aert Cool vvt de woorde Gods ter contrarie seijde gedaen te hebben. De Broeders verstaen hebbende, dat sij haer beriep op goet succes van hare voorsz. belesingen ende onder andere dat sij soude daermede genesen hebben de dochter van Ariaen Claessen, hebben goet gevonden, dewijl Ariaen Claessen litmaet is der gemeijnte, dat Aert Cool Ariaen Cla[e]ssen sal aenspreken  ende vernemen, wat dat daer af is ende opdat men daerna doe na behoiren."

inv. 3, f. 18v, 18 mei 1606 Kinderen te Breda in het Clooster ter Scholen leggende

Dewijl men verstaet dat velen kinders vvt de Hollantsche steden ende bijsonderlijc oick vvt Dordrecht tot Breda inde Cloosters, ende andere cloosters daerontrent gelegen, gesonden waren, selfs ook kinderen van litmaten der kercke het welcke een sake is van groote ergernisse ende perijkel, is goet gevonden dat men d'ouders vande kinderen, die men weet dat te Breda ofte elders sijn, wesende deselve ouders litmaten der kercke, sal aenspreken en haer vermanen haare kinderen van daer te ontbieden oik dat men mijn heeren [het stadsbestuur van Dordrecht] hier van sal aenspreken en versouken, dat door haere E. authoriteit hier inne versien werde.

inv. 3, f. 19v, 15 juni 1606 [Arent Maartensz., woeker]

Is goet gevonden als dat eenige persoonen bijde gemeente een quaet geruchte hebben, over mits sij, professie vande religie gedaen hebbende, haer gelt op de Lombaert hebben aengeleijt, dat men deselve beleefdelijc sal vermanen van wegen des kerckenraets haer van den avontmale voor dese reijse te onthouden, ende bijsonderlijc sal Arent Martenss hier ontboden werden om met hem hiervan te handelen met so vele te meerder ernst, dewijl hij principalijc hierover wort beruchtigt.

inv. 3, f. 19 v, 22 juni 1606 Arnt Martenss [woeker]

Arnt Martenss is voor den kerckenraet verschenen ende gehoort sijnde, is hem van den kerckenraet aengeseit, dat hij hem van het nachtmael [Heilig Avondmaal] onthoude, totdat men hooren sal hoe in andere kercken van diergelijcke saecken [zie acta van 15 juni 1606] sal besloten worden.

inv. 3, f. 20, 6 juli 1606 Jan van Espen [katholieken]

Jan van Espen eertijts Diacon geweest hebbende binnen Bruijssel, ende nae revolte van die Stat daer gebleven zijnde, ende oock tot het gebruijck van de afgodische misse hem begeven hebbende, heeft verklaert hertelijck leetweesen daer van te hebben, ende met tranen dat selvige betuijcht, mede versoekende wederom in de schoot der gemeente opgenomen te werden. De Broeders hem afgevraecht hebbende de oorsake van sijn vertreck vvt Brabant, ende verstaende sulx alleen geschiet te zijn vvt peisinge sijner consciŽntie ende omdat hij al te vrij van eenige saken gesproken hadde ende soude gesocht werden ende geapprehendeert, staet hem sijn versoeck toe, mits dat met bedeckte naem de gemeente sijn faute ende leetweesen sal te kennen gegeven werden.

inv. 3, f. 20, 6 juli 1606 Weeringe der afgodische misse [katholieken]

De kerckenraet gehoort hebbende vvt diversche geruchten ende Biljetten in het saxken geworpen zijnde, dat de misse alhier seer inbreeckt, vint goet dat mijn heer de Schout hier van sal aengesproken werden, ende gebeden sijn vvterste devoijr te doen om dit te vermijden ...

inv. 3, f. 45v, 10 juli 1608 Arent Martensz [woeker]

Aert Martensz. heeft versocht wederom tot het gebruijck van des H. Avontmael toegelaten te werden. Is goet gevonden voor ditmael hem noch niet toe te laten, so omdat men niet weet wat andere kercken met die gedaen hebben, die met de Lombaert haer bemoyt hebben, als oock dat men acht, dat sijn gemoet noch niet gedisponeert is, om tot den Avontmael te komen.

inv. 3, f. 53, 12 febr. 1609 Grietgen Huijbrechts vervallen tot wederdoopersche secte

Also men verstaet dat Grietgen Huibrechts, huijsvrouw van Theunis Jansz.  wederdooper, vervallen sijnde tot de wederdoopersche secte verklaert heeft gants geene gemeinschap met ons meer te willen hebben, noch geene vermaninghe meer van ons te willen aennemen, gelijc ooc D. Lydius verklaerde vuijt haer mont sulx gehoort te hebben, so is goetgevonden dat D. Lydius met eenen ouderlinc de voorsz. Grietgen vuijt den name des kerckeraets aenspreken sullen in teghenwoordigheijt van haren man ende vermanen van hare dwalinghe af te staen om te sien wat vrucht deselve vermaninghe sal doen.

inv. 3, f. 53v, 19 febr. 1609 Grietgen Huijbrechts [wederdopers]

[Ds.] Lydius heeft gerapporteert met Cornelis Michielsen aengesproken te hebben Grietgen Hubrechts (van welcke over acht daghen gehandelt is) ende haer in tegenwoordigheijt van haer man vermaent van hare dwalinghe af te staen ende dat de voorsz. Grietgen heeft geantwoort bij hare gesintheit te willen blijven. Is goetgevonden dat D. Lydius gelijc oock andere broederen, die kennisse hebben mit de voorsz. Grietghen, mit vermaenen sullen aenhouden bij deselve  ende bijaldien datse naemaels geen gehoor geven wil, sal men alsdan sien wat men te doen heeft.

Ds. Balthasar Lydius, van 's-Hertogenbosch, predikant te Dordrecht, beroepen nov. 1602, overleden op 20 jan. 1629.

inv. 3, f. 69v, 9 juli 1609 Arent Martensz. [woeker]

Also Arent Martensz. noch niet is met de heer Schoutet versoent ende boven dien nieuwe geruchten gaen dat de voorsz. Arent Maertensz. soude onbehoorlijcken interest genoten hebben, is goet gevonden dat men hem sal aensegghen dat hij hem voor alsnoch vande Avontmale sal afhouden omme geene ergenisse te geven.

inv. 3, f. 72, 28 aug. 1609 [beroeping Bocardus]

Is in extraordinaris vergaderinge des tegenwoordigen kerckenraets geresolveert, dat D. Dibbetius met Arent Dammert ende Willem Pietersz. tegen toekomenden sondach sullen reijsen naer de Kage [De Kaag, dorp in de huidige gemeente Alkemade] om te hooren den predikant aldaer Bocardum, om te vernemen of sijne gaven op den predicstoel sodanich sijn, dat men op hem soude mogen dencken, om hem tot dienst deser kercke te beroepen.

[Johannes Boccardus, van Kage, beroepen okt. 1609, vertrokken naar Hendrik-Ido-Ambacht, overleden in 1645. (Van Dalen, o.c., deel I, p. 786)]

inv. 3, f. 85, 15 april 1610 Jacob Servaesz. schoolmeester [ontucht]

D. Becius ende Willem Pietersz. hebben gerapporteert dat sij verscheidene dochterkens hebben gesproken, ende vuijt deselve verstaen dat Jacob Servaesz. schoolmeester, bij den welcken de voorsz. dochterkens hebben ter schoole gegaen, oneerbaer gelaet heeft over hen gehad ende lichtvaerdigheit verscheide male gepleghen. [Ds.] Dibbetius heeft mede verhaelt dat Willem Pietersz. ende hij hebben een seker lidmaet manspersoon aengesproken, de welcke gevraeght sijnde, henluijden voor antworde hadde gegeven dat de voorsz. meester Jacob sijn dochterken mede oneerbaerlijc hadde aengetast, welcke saken also se onbehoirlijc sijn ende insonderheit eenen schoolmeester onbetamelijc, die de jeugt met alle godsaligheijt ende goede exempelen behoort voor te lichten, is goetgevonden dat de voirsz. meester Jacob sal ijwers ontboden worden ende bij D. Lydio ende Dibbetzio aengesproken omme te hooren of hij oock schult sal bekennen, ende daerna voort gedaen te worden na behoiren.

inv. 3, f. 88, 22 juli 1610 Bordeelen

Tot weringhe vande bordeelen is goetgevonden dat men den stehouwer [substituut-schout] sal aenspreken ende vermaenen daertoe sijn naerstigheit te doen, te meer also hij voor desen van eenige officieren der compagnije, die onlancx vuijtgetrocken is, daer over aengesproken ende versocht is, ende sal men den voorsz. stehouwer aendienen vande overgroote ende grouwelijcke ongeschicktheit die op den Rietdijc [Riedijk] aen de vesten dagelijx ommegaet. Sullen sulx doen D. Preses en D. Lydius.

Gerard van Honthorst, De Koppelaarster (1625).

inv. 4, f. 29,  6 okt. 1626 Dansen

Also men verstaat dat verscheijden jonge lieden, lidtmaten der kercke zijnde, op de bruijloft ten huijse van de weduwe van Casteren hebben gedanst, is goet gevonden de weduwe van Casteren te bestraffen om dat sij in haer huijs sulx heeft toegelaeten. De jonge lieden sullen vermaent worden om haer schult rondelijck te bekennen, ende te beloven sulx niet meer te sullen doen, met bedreijginge dat men voortaen sodanige personen van de Tafel des Heeren sal affhouden. De weduwe van Casteren sal D. Dibbetius. Lydius ende Gaduijt sullen d'andere aenspraecken [sic].

inv. 4, 29v, 22 okt. 1626 Waarzegster

Alsoe zeeckere waersegster, Ariaentghe Barents genoemt, alhier van Amsterdam gekomen is, woonachtich in het Rietdijckstraetghe, welcke alhier groote erreur ende godloosheijt veroorsaeckt, [zullen] Buijtendijck ende Harman Tielmansz. den heere Officier dese zake aendienen.

Simon Vouet, de Waarzegster

inv. 4, f. 31v, 19 nov. 1626 Legaet van Sijn Excel[lentie prins Maurits van Oranje-Nassau]

Verstaende dat Sijn Excell. hoger memorie voor de armen over de steden van Holland gemaeckt heeft 50000 gulden, is goetgevonden, dat Lydius den heere Burgemeester sal aenspreecken om aen Sijn E. te versoeken, dat gecommitteerden op de dachvaert in Den Hage nae dese saeke sullen vernemen om te weten waer nae hem de boeckhouder sall hebben te reguleren.

inv. 4, f. 50 Lombarden

Tot afschaffinge van de Lombarden als oock mede met vermaninghe van litmaten onser kercke die door haar gelt de selve Lombarden stijven sal eernstelijck aengehouden worden, ende sal sulx doen D. Lydius ende Buijtendijck ende van hare besoignes aan de vergaderinghe rapport doen.

inv. 5, 23 aug. 1635 ComediŽn

Aengaende camerspelen die hier dagelix toenemen, ende dwelcke men verstaet, datse voor eenmael daer toe consent vande E. Gerechte verkregen hebben, sal geremonstreert werden aende heere Burgemeester, om de selve te stuijten, als oock mede het spelen der comediŽn bijde kinderen inde latijnsche scholen, nu openbaerlijck gedaen. Sal bij D. Buijtedijckio als scholae trivialis curatore daer tegens goede ordre gestelt werden, ten eijnde sulx nijet meer publice alsoo geschiede, volgens kerckelijcke resolutie daervan genomen, ten eijnde uijt naeme deser vergaderinge daer tegens kerckelijcke wijse geen andere ordre werde gestelt ...

[In artikel XV van De Nationale Synode (1618-1619) was bepaald "dat ook die grove ende menigvuldige abuyssen, waar door de Mensschen van de ware Godtsalicheyd worden afgeleyd tot de ydelheden ende dertelheden deser Wereld, als daar zyn het houden van Vastel-avonden, 't spelen van Comedien, soo der geene die haer zelven Rhetorykers noemen, als andere omloopende Comedianten, Toneel ende Guychel-speelen, Dronke-gelagen, Dans-schoolen, ende vele andere diergelyke dingen, in dese Landen mogen verboden, ende weg gedaan werden". (Esseboom, o.c., p. 163)]

inv. 5, 11 okt. 1635 Neeltgen Kaescoopster en Maeijken Stroohoedenmaeckster [toverij]

Neeltge de caescoopster ende Maeijken de stroohoedenmaeckster sijn van wegen de tooverije op morgen avont voor de broeders predicanten ontboden om nader op dat stuck te inquireren ende dan na bevindt van saken te handelen.

inv. 5, 18 okt. 1635 Neeltgen Kaeskoopster ende Maijken de stroohoedenameckster [toverij]

Neeltgen de kaaskoopster en Maijken de stroohoedenmaeckster ontboden zijnde hebben de broeders hare schult bekent ende zijn voor dit mael naer serieuse vermaninge ende bestraffinge afgehouden van het H. Avontmael des Heeren.

inv. 5, 24 jan. 1636 Paepsche Capelle

Alsoomen verstaet dat in de huijsinge van Groenevelt int Steversloot [Steegoversloot] tot den afgodendienst seeckere capelle gebout ende geapproprieert wort, is goetgevonden naer genomene informatie, t'selve de voorgaende doleantie t'annecteren, ende oock den officier met d'eerste gelegentheijt te remonstreren.

inv. 5, f. 36v: 26 febr. 1637 Jan Ariensen Pancras [dronkenschap]

Is voorgestelt van D. Crucio hoe Jan Ariensen Pancras, lidtmaet deser gemeijnte ende oock proponent, sich door droncken drincken en andersins seer swaerlijck is verloopende. Is geresolveert tegen morghen voor de broeders de predicanten hem te ontbieden ende te vermanen. (idem, f. 37v, 26 mrt. 1637: Jan Ariensen Pancras is ontboden, maar niet verschenen)

inv. 5, 16 april 1637 [Kaatsbaan in de Nieuwstraat]

De man in de kaetsbaen in de Nieuwstraet sal met sijn huijsvrouwe tegen morgen avont voor de broeders predicanten ontboden werden, om vermaent te werden van haer devoir in het sluijten van de kaetsbaen. Is oock geresolveert de selve noch een vierendeel jaers vvt te stellen, ende voor dese mael noch tot het Avontmael des Heeren niet toe te laeten.

inv. 5, 17 dec. 1637 [Herbergen op de Riedijk]

Sr. Swanenburch heeft aengedient hoe dat de bueren aenden Riedijk seer clagen over de groote onordentelijck[heid] dwelcke gehouden wordt in meest alle de herberghen aldaer staende, soo dat nauwelijcks ergens een eerlijck man logeeren can, alsoo het meest alle oneerlijcke huijsen geworden sijn. D. Wassenburgius heeft aengenomen de Heer officier hier van aen te spreecken.

[In de verponding van 1633 [Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 95v e.v.] worden de volgende tappers en herbergiers op de Riedijk vermeld:

Abraham Fransz. tapper, huurt van de weduwe van Willem van Zeelen (15 ponden)

Frans Bartelsz. tapper, huurt van Adriaen van Beaumont (16 ponden 5 sch.)

Pieter Coninck tapper, huurt van Claes Crul (22 ponden)

Govert Willemsz. (Bijl) [waard] in de Engel (cf. 1000e penning van Dordrecht 1626, f. 57v)]

inv. 5, 28 april 1639 [Socinianen]

Alsoo de Socinianen, vvt Polen verbannen, alhier soecken in dese landen neder te slaen, ende haere grouwelijcke ketteriŽn voort te planten, soo ist dat goetgevonden den Classen te versoecken omme haer devoiren te doen bij de Hooch Mogende Heeren Staten dat derselvighe moghen geweert werden.

inv. 6, f. 1, 10 jan. 1645: Cornelis de Knoop [zie glossarium s.v. separatie]

Cornelis de Knoop ende zijn huijsvrouw wederom van een zijnde, is goet ghevonden beijde tegens Donderdach toekomende te ontbieden ende haer te belasten bij een te gaen off bij gebreecke van gehoorsaemheijt haer aen te seggen, dat men haer de prooven van de Diaconie sal ont[t]recken, gelijck voor desen meermaels is geresolveert.

inv. 6, f. 1v, 12 jan. 1645: Cornelis de Knoop

De resolutie van voorleden Dijnsdach is Cornelis de Knoop ende zijn huijsvrouw aengeseijt, die verclaert hebben, haer nae de selve niet te connen, noch te zullen reguleeren.

inv. 6, f. 2. 19 jan. 1645: Marij Bartrams en haren pol [concubinaat, bigamie]

Alzoo Marij Bartrams op gisteren avondt is aengeteeckent met haeren pol [minnaar], daermede zij langh huijs gehouden heeft, ende daer stercke geruchten gaen, dat sij een man heeft in Braband, die zij verlaten heeft, is goet gevonden den E. Heer Burgemeester te versoecken, op die zake te letten, ende met de Magistraet te overleggen wat men met deze persoon sal doen ...

inv. 6, f. 2, 19 jan. 1645: Pleuntgen Hendricx [onecht]

Pleuntgen Hendricx bevrucht geworden zijnde buijten den houwelijcken staet, zal aengeseijt worden door Ds. Borstium haer van de Tafel des Heeren te onthouden, tot naerder versoeninghe met Godts kercke.

inv. 6, f. 6, 30 mrt. 1645: Dootslager gepardonneert versoect attestatie

[Ds] Dibbets heeft bekent gemaect, dat op hem is versocht voor te stellen, of de E. kerckenraet soude konnen goetvinden den persoon, die de man in Tilborgh heeft vermoort, ende nae dat hij pardon van Sijne Hoogheijt mijn heere den prince van Orangie ontfangen heeft nu binnen 's Hertogenbosch woonachtich is, te geven bescheet, dat hij wel een litmaet onser kercke geweest is, op dat alsdan de kercke van Den Bosch over sijne persoon nopende de H. Communie mochte disponeren nae goetvinden. Is verstaen hier inne niet te doen, maer den casum aen de Classe bekent te maecken, ende middelertijt te besorgen dat men visie vant pardon soude mogen hebben, omme de vergaderinge des Classis te berichten, ende te dienen van advijs.

inv. 6, f. 31, 3 mei 1646: Mennonisten vergaederinge

Dewijl in de Vergaederinge wiert bekent gemaeckt dat de plaetse alwaer de Mennonisten in de Oude Breestraat vergaederen met een nieuwe groote poorte wiert verciert, ende alsoo meer als voor henen wiert int ooge van de Gemeijnte gestelt, welck apparentelick tot ergernissen van vele strecken mochte, is goet gevonden dat D. Praeses Dibbetius den Achtb. heere Borgemeester hierover begroeten sal, om nae bevindt ende gelegentheijt deser saecke daer in te versien ende alle ergenisse, die vvt te grooten vrijicheijt der Mennonisten rijsen soude, in tijts te voorcomen.

inv. 6, f. 31 en 31v, 4 mei 1646: Vergaederinge vande Mennonisten [Doopsgezinden]

D. Debetius ende D. Jacobus Lydius hebben rapport gedaen, hoe sij hebben inspectie gedaen van het huys het welcke de Mennoniten timmeren kerckswijse, het welcke sy oock noemen een kercke, ende dat sij sulcx den Heere Borghemeester hadden bekent gemaeckt, dewelcke seijde dat hij naerder daer op soude letten. Is oock ingecomen frater [Maarten Gillisz.] van der Pijpe [stadsbouwmeester van Dordrecht] gesonden vande E. Heere Borghemeester om de Vergaederinghe bekent te maecken dat hij gesonden was om inspectie te nemen vande kercke die sij timmeren, ende dat hij ondervonden heeft dat sij van sinne waeren de reste kerckx wijse te maecken het welcke den Borghemeester van hem bekent gemaeckt sijnde, heeft ontboden Mels Gijsbertsen ["vermaner" van de Doopsgezinde gemeente te Dordrecht] denwelcken hij aenseijde dat het ergerlijck was het werck dat sij maeckten ende opspraeck maeckte onder de borghers ende dat daer over seer geclaegt wiert, heeft tot antwoorde becomen dat sij souden het volgende timmeren nae het goetvinden vande Borghemeester, dat oock indien het anders niet en stont, sij dat niet en souden setten, seggende voorder dat het partijschap was van vele, ende dat sij weijnich van ons waeren verschelende het welcke soude blijcken indien men in conferentie met hen soude comen. De Vergaederinghe hier op geledt hebbende, heeft verstaen aengaende de timmeragie dat de Borghemeester versocht worde dat het alles mach huijs wijse getimmert worden, ende het ghene kerckswijse staet verandert mach worden, alsoo het groote opspraecke sal geven, ende een quaet exempel voor naburighe steden. Aengaende de conferentie met de Mennoniten die Mels Gijsbertsen presenteert sal inde naeste complete vergaederinghe gehandelt worden. Bij den Borghemeester sullen gaen D. Dibbetius, D. Jacobus Lydius, de heer Corput ende Frater [Franchoijs] Boets.

inv. 6, f. 31v, 10 mei 1646: Vergaederinge vande Mennonisten

De broeders gedeputeerden voornoemt hebben aen de Vergaderinge bericht gedaen nopende haer wedervaeren bij den Achtb. heere Borgemeester, te weten dat de timmeragie van het huijs waer in de Mennonisten gewoon zijn te vergaederen bij sijn Achtbaerheijt soodanich niet en wert gehouden te wesen, dat daer vvt de ontstichtinge en ergernisse was te verwachten de welcke van den kerckenraedt wiert gevreest. Dat de poorte of deure aen't voorsz. huijs alreede was gestelt en gemaeckt maer dat in het overige daer op alreede was gelet ende voorder noch soude gelet worden dat het gene in den bouw kerckswijse was aengeleijt  ende nae de forme van een kercke hellen mochte, tegengehouden ende belet wierde. Ende dat daerenboven Sijn Achtbt. hadde voorgenomen den Vermaener vande Mennonisten bij sich te ontbieden ende te sien wat noch wijders tot verminderinge van het gene alreede gebouwt is mocht gedaen worden. 

inv. 6, f. 35, 5 juli 1646: Dootslager in Tilburg

Die de man in Tilburg vermoort heeft seer schandelijck heeft de novo versocht een getuijgenis vande kerckenraedt, dat hij hier is lidtmaet der gemeijnte geweest, dog sulcke misdaet bij hem begaen is etc. Dit wert hem oock voor ditmael affgeslagen, gelijck oock voor desen geschiet, ende sal Ds. Dibbetius dese sake in thesi ad synodum soecken te brengen ...

inv. 6, f. 43v, 18 okt. 1646 Quaksalver

Is goedgevonden den heer Burgemeester aen te dienen dat hier op de Varckemerckt bij een Quacksalver die men noemt Jan Pottagie veel sotternijen en spotternijen worden gepleeght tot ergenisse en nadeel vande goede Borgerije, en te versoecken dat daer tegen ordre moght werden gestelt, om sulcke openbare aenstoot te weeren.

inv. 6, f. 43v, 18 okt. 1646 [Doopsgezinden]

D. Isaacus Lydius rapporteert dat Mels Gijsbertsz., met wien Sijne E. met sijne medegedeputeerde had gesproken, haer seer vrindelijck en beleefdelijck hadde bejegent, ende op veele poincten der religie met goede bescheijdenheijt, en tamelijck suijver hadde geantwoort, thonende dat hij in veele gronden ons veel nader is dan andere Mennisten. Twelck de Vergaderinge sich seer wel heeft laten gevallen, en goedgevonden met alle minnelijckheijt bij hem aen te houden, of God gave dat hij van sijne dwalinge voorts verlicht sijnde, moght de waerheijt aen te nemen, ende gemeijnte toegevoeght werden, en andere met hem. Dit sal een ijgelijck vande Broederen predicanten bevolen blijven, besonder de voorige gedeputeerden.

inv. 6, f. 46v, 29 nov. 1646 [Verkiezing van ouderlingen]

Daernae heeft men geprocedeert tot nominatie van ouderlingen, uijt de welcke sijn vercoren, omme sondag naestcomende de Gemeijnte voorgestelt [te] worden dese naervolgende

heer Johan Dionijssen met 24 stemmen

Jan Evertsen    24

Pieter Jelissen Boedonc   22

Simon van der Meijden generael vande Munte   20

Pieter Dorpman    21

Arent van der Putten    20

Cornelis Evertsen van Eijsel    19

Dirck Raeijen    18

Hendrijck van de Lith    18

Steven Aerdtsen van Doorne    14

inv. 6, 20 dec. 1646 Eliminatio arcanorum

Alsoo eene vande broeders predicanten op donderdag voorleden sich hadde beklaecht, dat het gene, op de tijt van de electie der Ouderlingen [zie acta van 29 nov. 1646], nopende eenige personen bij hem was geopent op de last des kerckenraets (die daer mede dit werck op haer genomen heeft), was vvtgeleect, niet tegenstaende alle de leden hooft voor hooft belooft hadden, deze saecke te mesnageren, soo heeft D. Staphorstius, aen wien de voorsz. persoonen betoont hadden, dat dese saecke tot hare kennisse gekomen was, voorgestelt of niet de personen behoorden ontboden te werden omme met haer coram te handelen ende de selve gerust te stellen. Is goetgevonden, dat de broeders predicanten hier over eerst malcanderen sullen spreecken om de vergaderinge te dienen van advijs om ter naeste vergaderinge te comen tot de sake ten principalen selve.

inv. 6, f. 49, 10 jan. 1647 Eliminatie

Ds. Dibbetius (1) heeft aengedient dat seker vroupersone, litmaet der kercke, bij hem was gesonden ende vvt naeme van de huijsvrou van Coenraet Damissen [Elisabeth Ruitenburg] (2) geklaegt hadde, dat Sijn Edelheid in de kerckenraet oorsaecke was geweest door denigratie van haeren man, dat deselve niet en was tot ouderling  genomineert ende datse daer van volcomen versekert was. Weshalven goetgevonden is de voorsz. huijsvrou van Coenraet Damissen gedurende de vergaederinge te ontbieden, te saemen met haeren soon, vvt welcken sij segt dit verstaen te hebben. Om alsoo te vernemen, vvt wien suclks van de selve is gehoort en vernomen, opdat ... het elimineren van saecken die in de kerckenraedt voorcomen ende verhandelt werden, soo veel doenlick is, tegengegaen werden, ende also verhindert ende voorgecomen werde de ontrustingen die daer door tot groote ontstichtinge onder de gemeijnte verweckt werden.

[Naar de reden van de "denigratie" van Coenraet Damisz. door Dibbetius kunnen we slechts gissen. Coenraet Damisz. was een welgestelde en vooraanstaande burger van Dordrecht, die goede betrekkingen onderhield met burgemeester Jacob de Witt. De Witt was in 1641, bij het passeren van de huwelijkse voorwaarden tussen Coenraet en diens tweede vrouw, Elisabeth Ruijtenburg (van wie in deze acta sprake is), getuige voor de aanstaande bruid. Tot de nalatenschap van Elisabeth (overleden in 1688) behoorde een prent met het portret van de in 1672 vermoorde raadpensionaris Johan de Witt, de zoon van burgemeester Jacob de Witt en in zijn testament van 1650 benoemde Coenraet Damisz. o.a. Johan de Witt tot voogd over zijn minderjarige erfgenamen. Men zou denken, dat Coenraet blijkbaar sympathie had voor de Staatsgezinde partij, waarvan De Witten belangrijke vertegenwoordigers waren en dat dat de steen des aanstoots voor de over het algemeen zeer Oranjegezinde predikanten was. Dat is echter minder waarschijnlijk, omdat anno 1647 het conflict tussen beide partijen, dat in 1650 bijna tot een gewelddadige confrontatie zou leiden, zich nog maar in een prille beginfase bevond. De echte problemen begonnen pas na het sluiten van de Vrede van Munster in 1648. (Voor de gebeurtenissen van 1648-1650 zie L.  Panhuysen, De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt [Amsterdam 2007], p. 93-117.)  Wat de werkelijke motieven waren van Dibbetius om de benoeming van Coenraet Damasz. tegen te gaan, blijft dus onzeker. Wel is bekend, dat Coenraet zo af en toe slecht van betalen was en weigerde zijn financiŽle verplichtingen na te komen.]

(1) Henricus Dibbetius (Dibbetz) Johansz., van Brielle, NG predikant te Dordrecht vanaf 14 april 1633, overleden 22 febr. 1673. (Van Dalen, o.c., deel I, p. 786; zie ook hieronder bij 18 aug. 1650)

(2) Coenraad Damasz. (van der Linde), geboren ca. 1587 (38 jaar in 1625, 43 jaar in 1631) in Ratingen (Dld.), harnasmaker, koopman, ijzerkoper te Dordrecht, begraven Dordrecht (graf 126 in de Augustijnenkerk) 1664, trouwde 1e 1618 Celiken Jansdr. begraven Dordrecht (graf 127 in de Augustijnenkerk) 14 juli 1639, 2e 1641 Elisabeth Ruijtenburg, begraven Dordrecht (graf 127 in de Augustijnenkerk) 20 mrt. 1688

inv. 6, f. 49, 10 jan. 1647 Eliminatie

Die huijsvrou van Coenraet Damissen gecomen sijnde heeft geweijgert te noemen den persoon waer vvt sij gehoort hadde het gene haer beswaerde, seggende datse sekerlick wiste dat het geseijde waerachtich was, vraegende selfs eenige reijse Ds. praesidem of het waerachtich en was het gene sij gehoort hadde. Waer op sij vvtgestaen sijnde is goetgevonden haer wederom ernstich te vermaenen, datse den kerckenraedt wilde in desen gehoorsamen, de welcke oordeelde dat dit noodich was, om vele onrusten wech te nemen, ende datse schuldich was persoon of personen te noemen. Hierop heeftse ronduijt geantwoort datse het niet gehouden en was te seggen ende niet seggen en wilde noch soude, alsoo daer twist uijt rijsen soude. De Vergaederinge, merckende haere ontsteltenisse ende stijffsinnicheijt in het weijgeren heeft haer noch soo verre willen te gemoete comen, datse haer tijt heeft gegeven om haer te bedencken tegen toecomende dijnsdach.

inv. 6, f. 50, 17 jan. 1647 [Eliminatie]

De huijsvrouw van Coenraed Damissen salmen door den predicant vant quartier aenseggen dat de kerckenraedt misnoegen heeft over die besendinge bij haer aen Ds. Dibbetium gedaen en haere onwillicheijt om te noemen dien persoon die haer sulx had aengebracht, maer evenwel dat de kerckenraedt om verdere onlusten te vermijden, de sake hier bij sal laten.

inv. 6, f. 53v, 11 april 1647: [Helena Ariens]

Helena Ariens wonende in de Vriesestraet hebbende sich verlopen in overspel sal tegen de naeste reijse ontboden werden.

inv. 6, f. 53v, 16 april 1647: Helena Ariens

Helena Ariens zijnde gecompareert heeft haere sonde met droefheijt en traenen beleden ende leetwesen betoont. Is dienvolgende met vertooninge van de swaerheijt haerder sonde vermaent tot beteringhe des levens ende belast ondertusschen haer van het H. Avontmael te onthouden. Alsoo oock de persoon met welcke sij haer verloopen heeft is een schipper die een sone is van Verelst de notaris, sal de vader met de soon te saemen aengesproken werden door Ds. Staphorstium op dat  sijn sone voortaen aflaete Helena Ariens moeijelijck te vallen (Factum).

Christus en de overspelige vrouw, door Rembrandt van Rijn, olieverf op paneel (1644)

Evangelie van Johannes, hoofdstuk 8, 1-11 ("Ga heen en zondig niet weer.")

inv. 6, f. 59v: 6 juni 1647 Conventiculen

Eenige van de broeders hebben verklaert dat haer ten ooren was gecomen dat bijsonderlick ten huijse van den broeder van Jan Coomans een merckelicken Vergaederinge wert gehouden, met eenige solemniteijten, die nae eenen publijcken afgesonderden Godsdienst souden smaeken, ende dat oock soodanige lieden malkanderen geloovige noemen etc. Waer vvt de kerckenraedt  nu meer dan voorhenen vreest, dat de Engelsche Tragedie hier te lande, door scheuringen en verdeeltheden (rijsende door quaede impressie die de eene den anderen int stuck van Religie en Godsdienst zijn gevende) soude mogen vernieuwt worden, waer door seer droevige vruchten alsnoch in het voorsz. Coninckrijck werden vernomen, ende oock hier te lande soude mogen ontstaen. Waer over goetgevonden is Coomans voornoemt te ontbieden ende hem dese dingen voor te houden ende naer gelegentheijt met hem te handelen.

inv. 6, f. 61v, 13 juni 1647 Conventiculen.

... De 2 broeders Coomans ingecomen sijnde, ende gevraegt vande gelegentheijt haerder bijeencomste, hebben geseijt dat sij noijt stercker als 14 vergaderen, daeronder 9 vreemden, doch niet altoos compleet, dat sij de predicatiŽn, die sij gehoort hebben, repeteren ende daerbij 't laeten, geen questiŽn verhandelen aengaende de predicatiŽn, maer wel andere questiŽn, dat niemant eijgentlijck 't woort voert, maer dat nae malcander d'een so wel spreeckt als d'andere, geen collecte gedaen hebben, niet ooc malcander gelovige intituleren. Is goetgevonden hun aen te seggen, dat de vergaderinge niet heeft tegens de oeffeninge der godvruchticheijt ende repetitie der predicatiŽn int gemeen inde familiŽn respective, maer om alle quaedt, dewelc allenskens soude mogen incruijpen, voor te comen, de kerckenraedt niet can verstaen formele, solemnele vergaderinge uijt te stellen, met vreemde daertoe te roepen ende dat op ordinare tijden ende malcanderen daertoe te constringeren, in conformitť met de voorgaende resolutie van 23 Aug. 1646, te meer, omdat alhier sijn publijcke, vanden kerckenraedt geauthoriseerde vergaderingen tot oeffeninge inde Christelijcke religie, so met de cathechisatiŽn als met de propositiecamer.

inv. 6, f. 71, 12 sept. 1647 Onrust onder de Borgerije tegen de Magistraet

Alsoomen meer ende meer dagelicks verneemt het murmureren van eenige over de tegenwoordige Regeringe onser Stat, ende dat men dreijgt middelen bij de handt te nemen, die lichtelick te vreesen zijn vvt te sullen bersten tot verstoringe van de goede ruste der borgerie, indien niet tot meerder en schrickelicker swaericheden, soo ist dat de kerckenraet met droefheijt ende groote alteratie dit overwegende ende soeckende in de vreese des Heeren volgens haer ampt door wettelicke middelen alle onheijlen voor te comen ende te verhinderen soo veel haer doenlick is, eenparichlick goet gevonden heeft in de eerste aenstaende visitatie voor het H. Avondmael de Gemeijnte ende insonderheijt die gene die onder de selve in eenige politijcke macht ende bedieninge zijn, met goede redenen ernstelick te onderrichten van haer ampt in desen, ende het respect dat men sijne hooger overheijt schuldich is, om haer met alle Christelicke sachtmoedicheijt te bejegenen ende met respeckt sijne begeerten ende versoeck in voorvallende saecke voor te draegen.

inv. 6, f. 72, 26 sept. 1647

De Broeders predicanten rapporteren datse haren last van den 12. deser hebben volbracht, en dat 't gros van de litmaten der Gemeente de vermaninge met aengenaemheijt en belofte van gehoorsamheijt hebben aengenomen, dat zeer weijnige sijn geweest die daer over ongerust waren, maer lieten sich noch al ten lesten geseggen. Maer dat seecker was dat sich de Papisten met groten ijver hier onder vermengen, dat seecker Jesuijt sich dagelijx hier laet sien, en datter vreemde oproerige propoosten onder haer worden gehoort tot nadeel ende perijkel vande Burgerije en besonder vanden heer Officier, datter oock is een Paepschen deecken, die in desen gevalle sorgelijck schijnt te wesen. Dit sal op't spoedigste den heer Burgemeester bekent gemaekt worden door D. Buijtendijck, D. Dibbetium [en] D. Praesidem Staphorstium.

["[In 1647 vonden] predikanten allerlei briefjes tussen de munten van het kerkzakje. Briefjes met gedichten erop en rijmende protestkreten. "Wacht u van de zwarte rokken" stond er en "Heer God wilt u ons ontlasten, van deze regenten wreed." In deze tijd belegden de dekens van de gilden clandestiene bijeenkomsten en trachtten de lagere standen van Dordrecht een grotere stem te krijgen in de samenstelling van zijn bestuur ... Op 18 september [1647] besloot de Oudraad alle vergaderingen en bijeenkomsten te verbieden. De 128 dekens van de 32 gilden besloten het niet te nemen. Nette burgers in de Grotekerksbuurt zagen door hun ramen een optocht van vastberaden mannen voorbijmarcheren. Hun bestemming was het huis van burgemeester [Jacob] de Witt. Jacob verscheen in de deuropening en hoorde de klachten over het vergaderverbod aan ... Jacob onthaalde zijn toehoorders op een barse vermaning. Wie anders, riep hij uit, wie anders dan de regenten en hun voorouders hadden de stad laten bloeien? ... De gildedekens lieten het zich zeggen, de menigte verliep ... Na het vertrek van de dekens waren de burgemeester en de Oudraad allerminst gerustgesteld. ... Pensionaris Johan Berck, Jacobs secretaris, meende dat "nu men de burger de voet op de nek heeft", men die voet daar maar moest houden. De burgemeester had daar natuurlijk geen bezwaar tegen. Alleen was er geen voet op een burgernek. De regenten hadden de macht, maar niet het geweldsmonopolie. Als ze werden aangevallen waren ze voor hun bescherming aangewezen op drie schutterijen en elf burgercompagnieŽn. Deze stadsmilities waren samengesteld uit de gezeten burgerij. Gezien de eensgezindheid onder de gildedekens was het onverstandig om de hulp van de schutterij tegen de gilden in te roepen. In uiterste nood kon het stadsbestuur een beroep doen op Den Haag, maar de inzet van Hollandse troepen tegen de eigen burgerij was niet bevorderlijk voor de populariteit. Jacobs positie won aan kracht nadat het Hof een forse prijs van zeshonderd gulden had gezet op het hoofd van Johan Walen. Mocht Walen zich nog ťťn keer in Dordrecht laten zien, dan was hij zijn leven kwijt. Voor de zekerheid werden drie legercompagnieŽn verder op de rivier in paraatheid gebracht. Dit maakte indruk op de burgers. Voorlopig leek het overwicht van de stadsregering veilig gesteld. (L. Panhuysen, De ware vrijheid: de levens van Johan en Cornelis de Witt [Amsterdam 2007], p. 59 e.v.]. De aanleiding voor de bovengenoemde acties van de gilden was in dat zelfde jaar verschenen pamflet. De anonieme auteur - al spoedig bleek, dat het om de advocaat Johan Walen ging - beschuldigde de Oudraad en met name Cornelis van Beveren en Jacob de Witt van machtsmisbruik. Door hun totdoen zou de Oudraad zijn verworden tot een familieregering. Walen riep de gilden op hun oude rechten, die hun door de regenten waren ontnomen, weer op te eisen. (Frijhoff, o.c., p. 19)

inv. 6, f. 78, 31 dec. 1647 Bloedschande

Is bekent gemaeckt dat seecker schippersgast genaemt Claes Jacobsz. heeft twe trouwgeboden gehadt met een dochter genaemt Grietje Stevens, wiens suster hij bekent beslapen te hebben en sij selfs oock bij hem swanger is, zijnde alsoo een bloedschande die niet behoort geleden te worden. Is goedgevonden haer aen te seggen datse niet mogen trouwen, ende sich moeten van malcanderen onthouden, soo wel d'een als d'ander, en dat dit aen den heer Borgemeester sal werden bekent gemaeckt, om te verhinderen dat hij niet hier of daer, met een van beijde getrout werde, alsoo hij sonder bloedschande geen van beijde trouwen magh.

[NG trouwboek Dordrecht 15 dec. 1647: Claes Jacobsz. schippersgast jongman wonende op de Varkenmarkt met Grietje Stevens jonge dochter wonende in de Dolhuisstraat beiden van Dordrecht. Inschrijving is doorgehaald, in de marge staat: differatur. Claes Jacobsz. en Grietje Stevens lieten dopen (NG Dordrecht 13 mei 1648) een zoon, genaamd Claes.] 

inv. 6, f. 81v: 6 febr. 1648 Vrouwen van de kaijgasten [zakkendragers]

Seeckere vrouwen in grote getale vande kaijgasten, die sich tegens den Heere Burgemeester ende de staet der politie vergrepen hebben, sijn ingestaen te weten van die uijtgeseijt sijn ende ingeclept ende van selve uijtgeweken sijn, etc. versoeckende met grote wemoedicheijt ende traenen, de intercessie van dese vergadering aen den E. Heere Burgemeester om te vercrijgen een generael pardon. De vergadering de sake sijnde overwogen, heeft goetgevonden, de vrouwen aen te seggen, dat den kerckenraedt niet en siet, hoe sijlieden in desen ietwes doen sullen met fatsoen voor desen tijt, also de E. Magistraet heeft alsnoch uijtgestelt [het] antwoort op hunlieder request.

   

Jacob de Witt, burgemeester van Dordrecht

["Na de oploop voor zijn huis [in sept. 1647: zie hierboven] hadden [burgemeester Jacob de Witt] en zijn confraters geprobeerd de meeste partijen tevreden te stellen. Ze hadden echter gerekend buiten de "zakkendragers" ... Opnieuw kreeg De Witt bezoek, nu van vierhonderd schuimbekkende zakkendragers. Natuurlijk maakte de burgemeester een patriarchale entree voor eigen deur, maar hij werd naar binnen geduwd en hem werd de mond gesnoerd. "Val aan, val aan!" klonk het, en sommigen drongen het huis binnen. Een grote kerel leunde grijnzend over De Witt heen, blies tabaksrook in zijn gezicht: "Heerschap, laat ons eens de beste kamer gaan bekijken." Ditmaal tapte de burgemeester uit een ander vaatje. Hij hield zich gedeisd, zelfs toen er een vaas sneuvelde en een spiegel aan diggelen ging. Ten slotte ebde de agressie weg. De een na de ander verdween de ijzige schemering van januari 1648 in." (L.Panhuysen, Regenten in de rats, in Historisch Nieuwsblad 2012, p.34 e.v.)]

inv. 6, f. 82 e.v.: 20 febr. 1648 Insolentie 's avonts op de straten

D. Dibbetius heeft voorgestelt datter veele klachten gedaen worden over d'insolentien vande kinderen op de strate bij avondt, int singen van oneerlijcke liedekens, en andre oneerbare acten, die de Christelijcke jeucht gansch onbetaemelijck sijn, en bij een Christenvolck onlijdelijck sijn, als oock dat int besonder groote insolentien geschieden bij de kercke aende dienstmaeghden die met de lanteerne komen. Is geresolveert hier van den Borgemeester aen te spreken op dat sulx metten eersten magh geweert worden. Dit sullen doen D. Praeses en Scriba, en sullen versoeken niet alleen een publicatie daertegen, maer besonder d'executie, en dat aen ijemand exempel gestatueert werde op dat andre een schrick hebben. Sullen oock den Borgemeester aenspreken vande vastelavont insolentien. [In margine: Factum est.] Sal mede aengedient worden van een huijs inde Vischstraet daer men speelt en dansschool hout.

Gerard van Honthorst, Vrouw die op een viola da gamba speelt.

inv. 6, f. 82v, 20 febr. 1648: Insolentien in't Weeshuijs

Is mede aengedient vande groote en onverdragelijcke insolentien der Weeskinderen in t Weeshuijs; hiervan sal gesproken als de heer van de Corput present is, om dat sijne E. Vader is van dat huijs. 

inv. 6, f. 83v: 19 mrt. 1648 Misse buijten de S. Jorispoort [Katholieken]

Is voorgedragen dat daer buijten inden thuijn van Ooms seer dickmaels de misse gedaen wert. Is verstaen dat D. Borstius predicant vant quartier dit sal remonstreren aen de Heer Burghemeester ofte aen de Heere Schout, alwaer hij sal oordelen dat het best sal connen geremedieert werden, ende sal tot sijn assistentie nemen een ouderlinck. 

inv. 6, f. 92v: 9 juli 1648 Huisvrouw van Jacob Boeck [bloedschande]

De huijsvrouw van Jacob Boeck maesschipper zal morgen avondt ontboden, ende vande Taefel des Heeren affgehouden werden om haer bloetschandich houwelijck. Tis daer nae oock geschiet, ende haere overgeleverde attestatie vereijsschende, haer die ontseijt ende alles affgeseijt.

inv. 6, f. 126: 13 jan. 1650 Insolentie inde Grote Kerck

Is voorgestelt de grote ende scandaleuse insolentie inde Grote Kerck met vele stoelen te setten, daerover ongeschickte woorden vallen ende perijkel is de sake tot datelijckheijt te sullen uijtvallen. Is goetgevonden dit te remonstreren aen de heere Burgemeester ende order versoecken, door de drije oudste predicanten.

inv. 6, f. 126: 18 jan. 1650 Dans-scholen

Alsoo men verstondt dat in verscheijden plaetsen van deze stadt dans-scholen werden gehouden, is verstaen dat de predicanten in welckers quartieren sulcks gepleecht wert naerder ondersoeck daer van sullen doen, ende dan de saecke aen den Achtb. Heere Borgemeester bekent te maecken, op dat daer tegen mochte ordre gestelt werden.

inv. 6,128: 10 febr. 1650 Mr. Poot

De huijsvrouwe van Meester Herman Poot ontboden sijnde is verschenen, versoeckende met veele tranen datse ten H. Avontmael moght toegelaten werden. Is eenparighlijck goedgevonden haer aen te seggen, dat de kerckenraet met blijschap heeft verstaen datse haer nu wel draeght, en daerom tot haer vertroostinge genegen is haer tegen Paesschen toe te laten, en ondertusschen sal de Predicant vant quartier op haer letten, en in hare groote armoede en droefheijt troosten datse niet vergaen.

inv. 6, f. 128: 10 febr. 1650 Sabbath [ontheiliging van de dag des Heren]

Is voorgestaen dat den Dagh des Heeren seer schandelijck geprophaneert wert door voorsetten van kramerijen op de straten en andersins, oock door de Tapperijen buijten de Stadt, het omroepen van alijcruijcken, aerdaeckers etc. Is goedgevonden den Heer Officier [schout] hier over te begroeten en executie der placcaten te versoeken. Dit sullen doen preses en scriba. [In margine: factum.]

inv. 6, f. 131: 31 mrt. 1650: Doodslager gepardonneert

Ds. Praeses heeft voorgestelt, alsoo gisteren door pardon vande Prince van Orangien [Willem II, stadhouder 1647-1650], een moedwillig doodslager is losgelaten, bij occasie dat onse Magistraet hem niet overgaf aende fiscael [openbaar aanklager] vande Crijghsraedt, dat Sijn Hoocheijt ex absoluta potestate hem heeft gepardonneert, of hierinne niets is te doen. Geresolveert, alsoo sulx dicwijle gebeurt, en 't bloed opt Land geladen wort, dat men de sake den Classi sal communiceren om op't gevoegelijckste aen den Sijnodum te brengen.

inv. 6, f. 132v: 28 apr. 1650 Diaconije. Hans Ritzart [sic]

Is van Do. Praeside Dibbetio, sijnde over de revisie der cedullen int collegie der diaconen geweest, ingebracht, van eenen Hans Ritzaert, de welcke 9 a 10 gulde can winnen ter weke ende laet vrouw ende kinderen tot onsen last, sijn eijgen winst onnuttelijck door den dranck verslindende. Is goetgevonden, dewijl hij nu hier is, de sake te brengen aen den Heer Borgemeester ende goede order daertegen te versoecken.

inv. 6, f. 133: 3 mei 1650 Diaconije

Is goedgevonden de groote vergaderinge [predikanten, ouderlingen en diakenen] te beleggen tegen Sondaghavont ten 5 uren om te letten op de Welvaert der Diaconije en verbeteringe veeler abusen [misbruiken].

inv. 6, f. 133: 5 mei 1650 Insolentie vande jaermarckt te weijren

Also de jaermarckt op handen is, om te vigileren tegens de insolentiŽn, die dan gemeenlijck voorvallen, als van Comedianten ende Coordedansers etc., sijn gecommitteert de praeses Ds. Isaacus Lydius ende [ds.] Staphorstius, om order daertegens bij den Heere Burgemeester te versoecken.

inv.6, f. 133: 8 mei 1650 Diaconije

De groote vergaderinge heeft volgens voorige resolutie gelet op [het] welvaren vande Diaconije, en hebben eerstelijck aengetekent soodanige personen die sich qualick [ge]dragen tegen de Diaconen, ende de middelen der Diaconije verquisten om deselve te bestraffen over haer boosheijt, en onverbeterlijck sijnde, die aende Achtb. Magistraet bekent te maeken, om alsoo 't verderf der Diaconije te voorcomen.

inv. 6, f. 134v: 2 juni 1650 Profanatie des Sabbaths

Dewijle de profanatie vande Zabbath langer hoe meer ende hoe grooter wert, ende insonderheijt de insolentie vande jeugt ende met namen vande Godshuisen [weeshuizen], in alle publijcque plaetsen vande stadt, met dobbelen, spelen, tuisten, lasteren, qualijk spreken, vechten etc., soo exorbitant is, dat het langer nijet en can geleden werden, omdat die krijtende sonde Gods toorne tegen de Stadt buiten alle twijfel sal verwecken, soo wert goetgevonden, dat men nochmael remedie daer tegen bij de Heere Borgemeester sal versoecken, ende Sijne Achtb. met enen bekent te maken, dat wij sullen genoodsaeckt wesen selfs voor Mijne Heeren vande Gerechte in te staen, om aldaar onse klachte te doen, ende promte remedie van hooger hant te vereisschen, ende sal dit geschieden bij de selve Gedeputeerden die de klachte sullen doen over die stoute ende roeckeloose personen, die de middelen vande Armen voor vrouwen ende kinderen genieten, daer sij 't nochtans opte hoochste onweerdich sijn.

inv. 6, f. 134v: 2 juni 1650 Dans-schole

Ds. Wassenborgh thuis komende sal met een ouderlinck de dansschole poogen te weren door orde vande Heeren Magistraten, [welke dansschool] in Zijn Edelheids quartiere op de Nieu-Haven gevonden wert [in het huis genaamd] Rijderkerck.

inv. 6, f. 137r en v: 11 aug. 1650 De weerd inde Roode Leeuw [bedreigingen]

Dewijle verstaen wert, dat de weerd in de Roode Leeuw aent Grote Hooft [Groothoofd], een bitter Papist, beijde zijne huijsvrouw, ende sonderlingh zijn dochter die jongst tot de gemeijnschap der kercke is opgenomen, zeer onhebbelijcken heeft bejegent, met bedreijgingen, schandelijcke en lasterlijcke woorden, oock met de deuren tot [= toe] te spijckeren te dwingen tot onthoudinge vande Tafel des Heeren [Heilig Avondmaal], zaecken die onse Christelijcke Republijcke ende kercke onlijdelijcken zijn, is op de goede informatie vande sake alreede gedaen goetgevonden dat hij bij [Ds.] Buijtendijck, Ds. Wassenburgh ende de heere van Haerlem, sal besonden ende daerover bestraft ende tot afstandt van diergelijcke onhebbelijckheden vermaent werden, ende soo hij geen gehoor en geeft, bedreijgt werden, dat men 't selvige de heeren Magistraten sal bekent maken.

inv. 6, f. 137v: 18 aug. 1650: Waardt inde Roode Leeuw

Deputati ad causam in de zaak vande waerd inde Rode Leeuw hebben gerapporteert, in wat strijdt sij met hem geweest sijn ende hoe qualijck sij sijn bejegent, ende ten laesten de waerdt wat bedaerende dat sij met goede vermaningen aen hem sijn gescheijden.

inv. 6, f. 138: 18 aug. 1650: Beroep van Leijden op Ds. [Henricus] Dibbetium

Ds. Dibbetius heeft, daertoe versocht sijnde, de vergadering getoont hoe dat Deputati der kercke ende des Magistraats van Leijden de novo in 's Gravenhage ende nu in dese weke alhier versoek gedaen hebben om Sijn Edelheid tot den kerckendienst tot Leijden ende hoe instantelijck aengehouden ende met redenen gesegt, Sijn Ed. te bewegen. Edoch, dat Sijn Ed. de sake inde vrese des Heeren hebbende overwogen, haere Edelheden constantelijck heeft affgeslagen ende vriendelijck bedanckt, sijnde van voornemen in dese kercke uijt lieffde ende goede affectie te continueren deur de hulpe ende genade des Heeren. Daerover Ds. Dibbetius van dese vergaderinge deur de mondt Ds. praesidis seer vriendelijck ende gedienstich bedanckt is, met toewenschinge van des Heeren segen.

[Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV (Leiden 1918), kolom 503: Henricus Dibbets [Dibbetius], zoon van Johannes Dibbets en Francina ten Dans, studeerde theologie in Leiden (ingeschreven op 30 sept. 1623), in 1627 proponent en predikant te Sint-Anthoniepolder, in 1630 te Brielle en in 1633 te Dordrecht (beroepen 14 april 1633), bedankte in 1649 voor beroep naar Amsterdam en in 1651 [sic] naar Leiden, in 1662 curator van de Latijnse school en bibliothecaris te Dordrecht, trouwde Johanna de Berganje. Hij is overleden 22 febr. 1673.]

 

Ds. Henricus Dibbetius (met dank aan de heer C. Esseboom te Dordrecht, die zo vriendelijk was mij deze foto toe te sturen).

inv. 6, f. 141: 6 okt. 1650 Episcopus Cyprensis [bisschop uit Cyprus]

Is ingestaen Gerasimus episcopus Cyrenius in insulo Cypro ondert gebiedt vande Groten Turck [de sultan van het Turkse Rijk], sijnde gestelt op een ransoen van eenige duijsent rijxdaelders ende dat deur tyrannie vande Bassa van Cypro, van wegen misdaet deur de janitsers [Janitsaren] in sijn bisschops huijs begaen ende hem den episcopo contra jus toegereeckent ende hebbende sijn vrienden aldaer gelaten in ostagie, is nu gecomen om sijnder penningen des ransoens op te brengen, alsnoch bedragende de somme van drije duijsent Rijxdaelders, versoeckt oversulx ooc hier om weldadigheijt van dese vergaderinge. Is goetgevonden dit te devolveren tot den Heer Burgemeester per praesidem et scribam D. Jac. Lydium ende Staphorstium.

inv. 6, f. 141: 6 okt. 1650 Jannigje

Jannigje weduwe van Jan Dircksz. marktschipper, sijnde geweest tegens ordre ende sonder consent aende Tafel des Heeren, sal tegens morgens avondt alhier ontboden werden.

inv. 6, f. 141v: 13 okt. 1650 Cornelis de Later

Is wederom ingestaen Cornelis de Later versoeckende te weten of op't schrijven des kerckenraets aen sijn Grootvader eenig antwoort was gecomen aen dese Vergaderinge, waerop gelesen is de brief van sijn Grootvader geschreven uijt St. Annelant op de Brieff van Ds. Buijtendijck, welcke volgens de meeninge des kerckenraets (soo nu eenparig verklaert is opt versoek Ds. Buijtendijckij) aen hem was geschreven ende is hem aengeseijt dat sijn Grootvader in gemelde Brieff weijgert het versochte houwelijck te consenteeren, en meent ,niet gehouden te sijn om van dese sijne weijgeringe eenige reden te geven. 'T welck hem De Later is aengeseijt, die een andre Brief van sijn oom tot Middelburg, die volcomelijck consenteert soo veel hem belangt, verthoont heeft. De vergaderinge alles overwogen hebbende is goedgevonden aen De Later aen te seggen dat hij hem sal hebben te addresseren aen de Magistraet ende sijn gedeputeert Ds. Buijtendijck ende Heer Van Esch.

inv. 6, f. 146v:  5 jan. 1651 InsolentiŽn van 3 Coningen avont

Ds. Buijtendijck heeft aengedient dat Sijne Edelheid, nevens andere in last hebbende de ongeregeltheijt der jeugt aen den Achtb. Magistraet te remonstreren, ende geen gelegentheijt konnende vinden voor Saterdach toecomende, onderwijle remedie versocht hadde tegen de insolentiŽn die op 3 Coningen avont doorgaens werden gepleecht aengesien sulcks geen uijtstel lijden en mocht. Gelijck dan het goet effect van soodanigen versoeck alreede met vreugde is vernomen.

inv. 6, f. 148: 10 jan. 1651 [Personen, die niet ten Avondmaal komen]

Te letten op personen in onse kerck gedoopt, die lange uijtstellen de gemeijnschap des H. Avondmaels, int besonders Boudewijns Taijers soon. Ooc mede te letten op Juffrou Droogbroot, die seer traeg is inde kerckgang en menich jaer vande Tafel geabsenteert heeft.

inv. 6, f. 149 v: 19 jan. 1651 InsolentiŽn [Rederijkers, weeskinderen, baldadigheden]

Ds. Buijtendijck rapporteert dat de Heer Burgemeester verklaert dat voorleeden donderdag de Rhetorijckers [Rederijkers] het [toneel]speelen is verbooden, dat op d'insolentiŽn vande weeskinderen ende andre kinderen met ernst soude ordre gestelt werden, dat de schoolmeester vant weeshuijs last had om alle sondagen nade middag alle de kinderen inde kerck te brengen, die inde weeke nijet arbeijden, en dat men dandre met vrindelicheijt sal sien daer toe te bewegen datser oock gaen, twelck dan de schoolmeester vant Heilig Geesthuijs oock sal navolgen, soo hij dicwijls belooft heeft.

[De bezwaren, die de Gereformeerde kerkenraden tegen het opvoeren van toneelspelen hadden, zijn verwoord door de Amsterdamse predikant Belcampius (1661): "Het is ůf iets dat vuyl en dertel is, ůf wreet en bloedich, ůf van versierde heydensche leugenen, ůf daer komen in godtslasteringen of beschimpingen en bespottingen vande godtsdienst en godstdienstige persoonen [voor]" (Geciteerd door H. Roodenburg in Onder Censuur. De kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam 1578-1700 (Hilversum 1990), p. 337.]

inv. 6, f. 149v, 19 jan. 1651: Gedoopte, die niet ten Avontmael gaen.

Personen die gedoopt sijn ende niet ten Avontmael gaen sullen hier ontboden werden, als namelijk uijt 't quartier van Ds. Dibbets salmen ontbieden de swager van Sandrijn de Besemmaker, uijt 't quartier Ds. Jacobi Lydii de soon van Tayart [uit de acta van 26 jan. 1651 blijkt, dat hij weigerde te verschijnen].

inv. 6, f. 149v, 19 jan. 1651: Danssen

Alsomen verneemt dat in eenige Bruijloften gedanst is, als mede op Voorbruijloften, of bijeencomsten vande jongelieden op t versoek vande Bruijdt. soo sal men d'Ouders aenspreecken, elck predicant in sijn quartier, en verneemen, soo veel mogelijck wie sich mochte met die lichtveerdicheijt verlopen hebben. En wijders salmen na d'oude ordre inde aenteeckening van houwelijcken de lieden vermaenen sich daervan te wachten en daer tegen te stellen.

Jan Steen, Dansend Paar (1663)

inv. 6, f. 150, 2 febr. 1651: Taeijaerts zoon

De soon van [Boudewijn] Taeijaert ten tweede reijse ontboden sijnde, is verschenen, en van Ds. praeside vermaent sijnde, tot een Godtsalich leven, en oock van het gebruijck des H. Avontmaels, heeft de vermaninge met beleeftheijt aengenomen ende belooft hem tot den H. Avontmael met den eersten te sullen begeven.

inv. 6, f. 157, 1 juli 1651: Gevangen in Turkijen

Sijn ingestaen drij vrouwen van Rotterdam met een attestatie vande Magistraet aldaer versoeck[ende] een aelmoesse tot lossinge van 29 gevangenen onder de Turk te Salť, die geset waren op een Rantsoen van 24.800 gl., onder welke een stierman was geset op 2689 gl. en also haer de heer Borgemeester hadde gedaghvaert tegen saterdag toecomende, is de sake uijtgestelt totdat de heeren magistraeten sullen hebben voorgegaen om dan te doen na bevind van saken.

inv. 6, f. 161, 7 sept. 1651: P. Hallings huijsvrouw [overspel]

Pieter Hallings huijsvrouw, wonende inde Augustijnekamp, wert bevonden, bij seeckere getuijgenissen, in overspel te leven ende haer man verlaten te hebben. Is goedgevonden haer terstont te ontbieden. Is gecompareert en heeft haer taliter qualiter [zoals het gaat] ontschuldigt. Men sal tegen naesten sich informeren ende sal de man Halling ten naesten ontboden werden.

[NG trouwboek Dordrecht 31 mrt 1630: (ondertrouwd) Pieter Cornelisz. Halling leijt op de Reduijt (redoute, schans) van den Biesbosch en Aeltghen Gerrit Maesendr. beiden van Dordrecht wonende in de Vriesestraat, getrouwd 5 mei 1630. Zij werd geboren in Dordrecht naar schatting ca. 1610 als dochter van Gerrit Maes en Jaepken Willemsdr.

11 nov. 1638: Pieter Cornelisz. Hallinck, bierkruier en burger van Dordrecht koopt van de voogden over de weeskinderen van wijlen Reijnier Adriaensz. 't Hooft een huis en erf in de Augustijnenkamp, staande tussen het huis van de weduwe van David Henricxsz. en dat van Jan Crijnen [de Bruijn] metselaar. (ORA Dordrecht inv. 771, f. 114v]

inv. 6, f. 161r en 161v, 14 sept. 1651:  Pieter Halling ende sijn huijsvrouw [scheiding]

Pieter Halling is ingestaen klagende dat sijn huijsvrouwe is van hem gelopen, en met een ander man, oock een bierdrager, huishoudt, versoeckende dat men haer daer over bestraft en hij wettelijck van haer gescheijden werden. De vrouwe daer op ingeroepen sijnde ontkent datse haer oijt oneerlijck soude gedragen hebben, leggende alle schult op de moeijelijcheijt van haren man, die sich daer tegen int brede heeft verantwoort. De kerckenraedt haer beijde int lange en breede gehoort hebbende tegen malcanderen heeftse beijde 't Avontmael des Heeren verboden en goedgevonden, alsoo sij geensins tot versoeninge conden beweeght worden, de sake aende Heer Borgemeester bekent te maken, en te versoecken dat tegen sodaninge ergerlijcke scheijdingen moghte ordre gestelt worden. Dit sal doen D. Isaacus Lydius.

inv. 6, f. 164, 7 dec. 1651: InsolentiŽn van de kinderen in de Godshuijsen

Is ingebracht van de grote insolentie der weeskinderen, de welcke onder andere tegens de Heijlige Geests kinderen openbaer in gevecht geweest sijn int midden der stadt, tot groot scandael ende diergelijcke. Is goetgevonden dat de predicanten van de quartieren, assumerende 2 ouderlingen, sullen met communicatie van de heere burgemeester hierover begroeten de heeren opsienderen van beijde huijsen ende serieuselijck order versoecken.

inv. 6, f. 166v, 2 jan. 1652: Ridderkerck

Alsoo Hermes Celossen zeeckere jonghe dochter int Quartier Ds. Wassenburgi, die haer selven zijnde ongedoopt ten H. doop gepresenteert hadde, ende last was gegeven om daertoe geŽxamineert en daernae met ordre deser kercke tot den H. doop ende het H. Avondmael toegelaten te werden, t sijnen huijse hebbende geŽxamineert zonder dese kercke, haer gedoopt heeft, is verstaen dat dese begane disordre aen zijne Edelheid van Ds. Wassenburgio zal werden aengeschreven ende dat dat selvighe in Thesi tot een waerschouwinge der Classi tsijnertijt zal werden bekent gemaeckt.

inv. 6, f. 166v, 2 jan. 1652: Turbatie der predicatiŽn

Alsoo door zeeckeren uijtgeseide schipper met welckers hersenen het niet wel gestelt is, de publijcke predicatiŽn geturbeert werden, sal Ds. Staphorstius met de vrienden daervan spreecken, ende haer vande volgende swaricheden waerschouwen. Ende daerdoor geen verbeteringe vernemende sal tselvige voorden Heere Burgemeester werden bekent ghemaeckt.

inv. 6, f. 169, 7 maart 1652: Janneken de Copster

Quirijn Brekelenkam, De Kopster (ca. 1660).

"Onder de waarzegsters die niet alleen bij de liefdes- en huwelijksverwikkelingen maar ook bij ... andere problemen geraadpleegd werden vinden wij verschillende kopsters. Deze kopsters ... vervulden de belangrijke rol in de marge van de toenmalige gezondheidszorg. In dat randgebied waren ook andere vrouwen werkzaam, bijvoorbeeld de 'klisteersters', die zich gespecialiseerd hadden in het geven van klysma's, of de 'zuigsters', die bij kraamvrouwen de eerste moedermelk afzogen. De kopsters hanteerden een techniek verwant aan het aderlaten. In de huid, meestal in de onderarm, werd een aantal sneetjes gemaakt, waarop vervolgens een 'kop', een glazen bol werd geplaatst. Deze was van tevoren luchtledig gemaakt door er wat vlas in te verbranden of hem boven een brandende kaars te houden. Op deze wijze werd het bloed in de kop gezogen. Het betrof dus een louter medische handeling maar sommige kopsters deden meer dan dat, zoals [in Amsterdam] de 'bloetcopster' Marij Jans 'die uutten afgetoghen bloede heeft willen verholen ende toecomstighe saecken voorseggen'. Bijvoorbeeld wat voor man hun klanten (voor zover bekend altijd vrouwen) zouden trouwen, of om te ontdekken waar hun weggelopen man was. ... Uit andere bronnen is bekend, dat kopsters liefdesdrankjes verschaften. ... Waarzegsters of kopsters konden eveneens uitkomst bieden, als iets van waarde verloren of gestolen was. De technieken die hierbij gebruikt werden waren het boek- of sleuteldraaien en de draaiende teems. Daarmee werd de dief aangewezen. Bij het opsporen van een 'kol' speelden ook de kopsters weer een belangrijke rol. Iemand waande zich betoverd en wilde van de kopster te weten komen wie daarachter stak." (Rodenburg, o.c., p. 213-219). In het onderhavige geval heeft de kopster genaamd Janneken waarschijnlijk haar huis beschikbaar gesteld als ontmoetingsplaats voor geliefden, waarbij die personen daar 'onecht' gepleegd hebben. (ABdH).

Janneken de Copster is voor de Vergaderinge gecompareert ende serieuselijk vermaent sorge te dragen dat haer huis van hoererije ende ontucht mochte bevrijt werden, heeft haer ongeluck beklaecht, ende haer selven seer geŽxcuseert, doch is haer aengeseit, dat de Vergaderinge sich naerder sal informeren, ende daer nae met haer wijders handelen.

inv. 6, f. 169, 14 maart 1652: Janneken de Copster

Janneken de Copster is wederom voor de Vergaederinge gecomen ende heeft haer selven met veele woorden geŽxcuseert, stellende haer selven buijten alle schult. De Vergaederinge hebbende naerder vernomen datse waerlijck haer selven qualick gedraegen ende ten minsten occasie tot ontucht gegeven heeft, heeft haer bestraft over haere fierigheijt in haer selven te rechtveerdigen, ende vermaent in het toecomende voorsichtiger haer huijsgesin te regeren ende alle opspraeck en ergernisse te verhoeden.

inv. 6, f. 171, 21 maart 1652: Janneken de Copster

Janneken de Copster voornoemt sal om d'ergernisse in haer huijs ontstaen afgehouden worden vant H. Avondmael, en sal nader op die bloedschande gelet werden.

inv. 6, f. 171v, 21 maart 1652: Comedianten

De Broeders die voor desen sijn gecommitteert om de weeringe der Rethorijkers en Comedianten te versoeken, sullen de Heer Borgemeester aendienen dat de comedianten hebben beginnen te spelen in de plaets daer de Latijnsche schoolkinderen sulx tegen wil en danck der Scholarchen hadden begonnen, en versoecken dat alle sulcke spelen met ernst moghten geweert werden.

inv. 6, f. 171v, 26 maart 1652 Mennisten

Seecker dochter wiens moeder is lidtmaet der gemeijnte, is tot droeffheijt vande moeder verleijdt vande Mennoniten en wederdoopt. Daerop is goetgevonden verdere devoiren aen te wenden, om haer tot waerheijt weder te brengen, en overmits sij is minderjaerich, is verstaen dat te leggen in communicatie met den Heer Burgemeester, off niet goed en waere deur authoriteijt van sijn achtbaerheijt  de stouticheijt vande Mennisten in te binden. ...

inv. 6, f. 171v, 26 maart 1652: Tumult inde kerck

Is droefflijck vertoont, dat alhier inde Augustijne kerck tusschen de ochte predicatiŽn op den Sabbath naestvoorleden openbaer tumult en scandael gedaen is, deur seeckere personen, die ontboden sullen werden, te weten Catharina en haer dochter Neeltgen inde Doellstraet, en gemerckt se weijgeren te compareren, tot 2 mael ontboden sijnde, sullen Ds. Buitendijckius en Ds. Wassenburgius bij den Heer Burgemeester order daertegen ... versoecken.

inv. 6, f. 175r en 175v, 25 april 1652: Aert Zandersen [syfilis]

Is ingestaen Aert Zandersen Keijser, sich deerlijk beklagende over het ongelijck van de huijsvrouw van Dillis Huiberts, die sijn huisvrouwe beschuldicht, datse vande selve het Spaansche seer [syfilis] soude over twee jaren hebben afgezogen. Ende alsoo de voorsz. geÔnfecteerde persoon albereits tot de Chirurgijn vande diaconije gebracht is, om tot laste van de kerck gecureert te werden, daer inne bij de leste groote vergaderinge geconsenteert is, om het goede getuigenisse dat enige broederen diaconen van haer gegeven hebben, soo is goetgevonden door gedeputeerden de patiŽnt door den Chirurgijn ende Doctor scherpelijk te doen afvragen, of sij dese vrouwe daer van heeft beschuldicht. Ende alsoo Aert Zandersen sijn seggen met vele getuigen can verificeren, soo sullen de gedeputeerden der kerkenraet de Chirurgijn ende Doctor belasten met de cure soo lange te supersederen, tot dat sij de waerheid sal bekent hebben, waerse aen dit ongemack soude mogen gekomen wesen, op dat geen eerlijke luiden hier van souden mogen gesuspecteert werden, ende dat de kerckeraet  niet lichtveerdelijk hare middelen souden besteden daer het niet en behoort. Ende sal voorts de vergadering nae goet rapport ende bevinding van saken, alles doen waer toe justificatie ende suiveringe van hem Aert Zandersen soude mogen dienen ...

inv. 6, f. 176, 16 mei 1652: GeÔnfecteerde vrouw [syfilis]

D. Buitendijck en D. Dibbets rapporteren datse met Dr. Langhe en Mr. Alexander de geÔnfecteerde vrouw (daervan den 25 April 1652) hebben aengesprocken, ende datse bekent qualijck gedaen te hebben, datse eenige suspicie had gegeven tot beswaeringe vande huisvrouw van Aerdt Sandersen, ende datse verclaert niet te connen seggen, van wien sij het quaed gecregen heeft, biddende Godt ende oock Aerts Sanderssen ende sijn huisvrouw om vergiffenisse van dese haere misdaet. ... Aerdt Sanderssen voornoemd, ingeroepen ende hem dit aengeseijt sijnde, heeft eenigsins contentement genomen, versoekende, dat hem hiervan een Acte mochte werden verleent, voor hem ende sijn nacomelingen tot voorstandt vande Eere sijner huisvrouwe, verclarende dat hij d'ellendige conditie vande geÔnfecteerde vrouwe, niet gesint is verder in die sake te gaen, maer gelijck een christen betaemt, haer sulx te willen vergeven. De kerckenraedt, insiende, dat dese Acte wert versocht, niet om tegen iemant te pleijten (in welcken gevalle wij gewoon sijn sulx aff te slaen) maer alleen tot voorstandt van de Eere sijner huijsvrouw, die grotelijcks is beledigt ende verongelijckt, heeft hem dit versoeck toegestaen ende is D. Buitendijck versocht dese Acte in te stellen in amplissima forma. Is ooc mede verstaen, dat de bovegeschreven vrouw genesen sijnde hier behoort ontboden en gecensureert te werden nae behoren. [In margine: "factum".]

inv. 6, f. 189, 16 jan. 1653: [Machtelt Joosten van de Ram]

Alsoo geproclameert is Machtelt Joosten van de Ram, die maer ontrent 3 a 4 maenden weduwe is geweest, sal de Borgemeester daer over werden begroet, en versocht dat na vorige gewoonte en ordre de saecke bij de Heeren vande gerechte werde geŽxamineert ...

inv. 6, f. 198v: 8 juli 1653 Hoerhuis

Alsoo men oock verstaet, dat over de Groote Schoole [Latijnse of Illusture School, sedert 1579 gevestigd in het voormalige klooster van de Clarissen aan de Nieuwstraat/hoek Augustijnenkamp] een Engelsman [William Pattleton, Engels soldaat (vermeld 1630)] hoer-huis hout, wiens huisvrouwe [Teuntje Andries Cornelisdr., van Geertruidenberg (1633), trouwde met de weduwnaar William Pattleton NG Dordrecht 31 juli/1 sept. 1633] litmaet is, soo is D. Buijtendijck als schoolversorger versocht, de sake de heeren Curatoren te willen bekent maken, of dat door hare authoriteit hier inne ordre mach gestelt werden. Ende sal de vrouwe tegen donderdach geciteert werden voor de kerckenraet, om met haar hier over te handelen.

Nicolaes Maes, De Luistervink (ca. 1657)

inv. 6, f. 198v, 10 juli 1653: Teuntje Andries

Teuntjen Andries, de vrouwe vande Engelsman (daervan de voorgaende acte) verschenen sijnde heeft haer selven grootelix geŽxcuseert, edoch is in tegendeel verstaen, dat de geruchten van haer oneere langer hoe stercker werden, ende datse seecker litmaet het haer uit het hooft getrocken heeft, om datse praesumeert datse haer aende kerckenraet heeft aengebracht ende beklaecht gehadt. Is goetgevonden haer aen te seggen, datse [vermits] de mishandelinge van die vrouwe, ende de ergernisse daerdoor gecauseert voor dese tijt sal hebben te onthouden vant gebruijck des Heilig Avontmaels, ende dat de kerckenraet op haer comportement ende wandelinge naerder sal letten ende inquireren. ... De selve vrouwe wert oock gesuspecteert van ontucht met de man inde Clandermolen [Cornelis Willemsz. Brevoort. De Clandermolen in de Kolfstraat was een bedrijf, waar laken werd gekalanderd, d.w.z. met behulp van hete persen meer gesloten, glad en min of meer glanzend gemaakt], die oock ontboden sijnde, geweijgert heeft te compareren. Wert verstaen, dat hij door de predicant vant quartier sal afgehouden ende tegen donderdagh wederom ontboden werden.

inv. 6, f. 201v, 18 sept. 1653: Kinderen van hun vaders verlaten

Bij occasie van kinderen, die van haere vaders malicieuselijck verlaten werden, is goedgevonden, dat de broederen Diaconen hen niet sullen aentrecken sodanige kinderen, maer die als vondelingen te wijsen tot de Godshuijsen.

inv. 6, f. 201v, 18 sept. 1653: Daentge Aerts

De sake van Daentge Aerts is voorgecomen, de welcke versoeckt van ons gealimenteert te werden, maer overmits sij is van Swijndrecht van geboorte, heeft de E. Vergadering haer versoeck affgeslagen en haer aen de Kercke van Swijndrecht gewesen en het geschrift dienaengaende haer van de broeders van Swijndrecht mede gegeven, wert niet geaccepteert.

inv. 6, f. 202, 25 sept. 1653: Waersegster

Seecker litmaet woonende buijten de stadtspoort hebbende geweest bij een waersegster en daer gedanst, sal ontboden worden tegen morgenavont om te bestraffen en sal versocht worden aende Magistraet dat ordre gestelt werd tegen de waersegster. Factum.

inv. 6, f. 202, 25 sept. 1653: Teuntje [Andriesdr.] inde Augustijn[en]camp

D. Buijtendijck ende D. Isaacus Lydius sullen den heer Officier aenspreken vant huijs van Teuntje inde Augustijncamp.

inv. 6, f. 202v, 11 okt. 1653: Adriana Hellu

Alsoo Adriana Hellu, huisvrou van Isaack van Belle, instantelijk aenhout datse op de geŽxhibeerde Attestatie van Amsterdam soude mogen toegelaten werden, verstaet de kerckenraet, datse soo lange sal buiten gehouden werden, tot dat do. Buitendijk ende Wassenburgh, de selve eerst met haer mans vader ende moeder sullen versoent hebben, ende dat die Broeders alsdan rapport sullen doen aende kerckenraedt, om geresolveert te werden nae behooren.

inv. 6, f 209v en 210, 5 febr. 1654: Onordentelijcke houwelijcken

Sijn gelesen voorgaende acten, ende aengemerckt, dat de dochter vande Heere van Someren ende die Van Hall, ontboden sijnde, niet sijn gecompareert, is goedgevonden voor de twede reijse hier te ontbieden. En overmits de vervoerder van Lavecks dochter, oock mede ontboden sijnde, buijten de stadt latiteert en noch niet en derff alhier compareren, is verstaen hier in mede noch voor een tijt te supersederen [af te wachten].

inv. 6, f. 210r en v: 19 febr. 1654 Johan van Hall, Juffr. Van Someren

Johan van Hall die met de dochter van de Heer [Cornelis] Van Someren had wechgevoert tegen wil ende buijten weten vande moeder [Anna Blocke], ende buijten ordre 't Oosterhout getrout, is hier verschenen nadat hij eenige reijse [namelijk twee maal] was ontboden geweest, en bestraft over sijn weijgering van comparitie en over het subreptite [heimelijke] trouwen tot Oosterhout en is hem aengeseijt dat sijn kinderen niet connen wettig geacht werden, so sij niet hier trouwen navolgens d' ordinantie vande Heeren Staten, die voor onwettig ende Basterden verklaren al die in sulcke houwelijcken geboren werden. Daer op hij sich niet qualijck aenstelde, maar thoonde sich gewillich om te herdoen tgene onordentelijk was gedaen in het trouwen, maer vreesde dat de moeder dit als onnodich soude verwerpen, versoekende dat ijemant geliefde de moeder daertoe te disponeren. De vergaderinge vindt goedt de moeder te besenden om te onderstaen hoe de sake bij haer leijt en so sij eenichsins consenteert, alsdan onderricht, datse noodsakelijk hier moeten trouwen. 

[Van Hal had de dochter van Van Someren dus geschaakt. Volgens D. Haks (Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw, Utrecht 1985, p. 126-127) kwam schaking - indien de ouders van de vrouw geen toestemming voor het huwelijk gaven - vaak voor, niettegenstaande de zware straf - nl. de doodstraf - die de schaker op grond van de Politieke Ordonnantie uit 1580 toekwam. Die straf werd overigens nooit toegepast. Er zijn wel voorbeelden van overtreders, die met eeuwige verbanning en confiscatie van hun goederen werden bestraft. Na een eventuele verzoening met de familie volgde meestal een pardon.

Margareta van Someren werd op 6 febr. 1633 in Dordrecht geboren. In de genealogie Van Someren, die stadshistoricus Matthijs Balen in zijn Beschrijvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677, deel II, p. 1241) opnam, wordt niets over het huwelijk van Margareta met Johan van Hall vermeld, alleen dat zij inmiddels was overleden, zodat het lijkt of zij ongehuwd is gestorven. Ik ben geneigd om Balen het voordeel van de twijfel te geven en aan te nemen, dat de famlile Van Someren hem verkeerde inlichtingen heeft verstrekt, die hij te goeder trouw in zijn boek heeft opgenomen. Anderzijds kan ik moeilijk geloven, dat hem helemaal niets bekend was van het "onordentelijke huwelijk" van een vrouw, die tot een vooraanstaande familie behoorde. Zulke zaken plegen nu eenmaal als een lopend vuurtje rond te gaan, vooral in een betrekkelijk kleine gemeenschap (Dordrecht had in die tijd ongeveer 18.000 inwoners). Balen helemaal vrijpleiten van geschiedvervalsing kan ik dus helaas niet.

NG trouwboek Dordrecht 15 nov. 1654 Johannes Aernoutsz. van Hal soldaat onder kolonel Allard in garnizoen te Breda met Margaretha van Someren wonende in de Schrijversstraat, beiden van Dordrecht, proclamatie te Breda. In de marge staat: "Wert ten versoecke van de Bruijdegom also genoemt de derde proclamatie gehouden als niet gegeven ende dienvolgende midts desen geroyeerd. Den 1 Maij @ 1654 [sic: bedoeld is natuurlijk 1655]"

NG trouwboek Dordrecht 11 juli 1655 Johan van Hal soldaat onder de compagnie van de Heer Hallard en juffr. Margrieta van Someren heeren Cornelisdr., beiden wonende in de Schrijversstraat, getrouwd in de Lindt 11 juli 1655.

Margareta's vader, dr. Cornelis van Someren Johansz., was doctor in de medicijnen en behalve medicijn-ordinaris van de stad Dordrecht in 1647 en 1648 ook thesaurier "op't groot Comptoir". Hij overleed op 11 dec. 1649. Haar moeder heette Anna Blocke Adriaensdr. (overleden 9 nov. 1671, 73 jaar oud). Door zijn verwantschap met de Van Beverens (zijn moeder was Lijdewij van Beveren, dochter van burgemeester Cornelis van Beveren Pietersz.) behoorde Cornelis van Someren tot de aanzienlijke burgers. Zijn weduwe was evenwel niet bijzonder rijk: in 1652 werd zij in de 200e penning aangeslagen voor 10 ponden, d.w.z. dat haar vermogen werd geraamd op 2000 gl. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3 inv. 3979  f. 37v). Waarschijnlijk had zij te zorgen voor studerende zoons, wat haar veel geld gekost zal hebben. Haar bezwaar tegen het huwelijk van Johan van Hall met haar dochter zal wel zijn geweest, dat hij niet "van hun stand" was. (Zie ook M. Balen, Beschryvinge der Stadt Dordrecht (Dordrecht 1677), deel II, p. 1240 e.v. (Dr. Johan van Someren was een broer van de in de acta [zie hieronder bij 16 nov. 1656] eveneens vermelde Jacob van Someren (Balen, o.c., deel II, p. 1239.)

Johan van Hal en Margareta van Soomeren lieten op 14 aug. 1654 een zoon Cornelis dopen, waaruit blijkt, dat zij al in de laatste maanden van 1653 zwanger was geworden. Tussen 1661 en 1669 werden er nog vijf kinderen van dit echtpaar gedoopt (NG doopboek Dordrecht). Na Margareta's overlijden hertrouwde Jan van Hall (winkelier wonende op de Lindengracht) met Marijke Koermans, weduwe van Abram van der Lemp (NG trouwboek Dordrecht 21 okt. 1674).

1 aug. 1657: Johannes van der Hal, als getrouwd hebbende Margareta van Someren, verklaart voor een bedrag van 725 gl. verkocht te hebben aan Willem Hendricksz. van Kluck, burger van Dordrecht, 1/4 part van een stuk land, zijnde fideÔ-commissionair gekocht van Sijmon Cornelisz. de Vries, liggende in het Oude Land van Strijen aan de Meulenweg, welk land volgens testamentaire dispositie van de heer thesaurier Cornelis van Someren en zijn vrouw Anna Blocke, gepasseerd voor notaris J. Schoormans te Dordrecht op 13 april 1644, door de vader van verkopers vrouw is geprelegateerd aan zijn vier jongste kinderen. Van Hal tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 175, f. 169)

15 nov. 1663: "Geven ... te kennen Jan van der Hal ende Margareta van Someren sijnne huijsvrouwe, hoe dat hij ... Jan van der Hal, omme hem, sijnne huijsvrouwe ende kinderen te sustenteren genootsaeckt is geweest (als anders geene gelegentheijt ofte winste hebbende) een reijse naer Oostindien aen te gaen, de welcke soo ongeluckich is uijtgevallen, dat int wederkeeren het schip daer hij op was neffens andere is gebleven, waerdoor alle sijnne goederen heeft verloren, ende alleenlijk sijn persoon met groot pericul miraculeuselijk heeft gesalveert, sulx dat hij nu weijnich gelegentheijd heeft, om hem ende sijnne familie te sustenteren, ende naerdien haerlieder moeder Anna Blocke ... ontrent ses jaren geleden bij UEd. Agtb. is gestelt tot concherge vant Stadt ofte raethuijs deser Stede ... ende gemerckt d'selve alsnu tot hoogen ouderdom gecomen is, ende impotent begint te worden, ende dienvolgende naer alle apparentie niet lange leven sal, alswanneer een ander bequaem persoon in desselfs plaetse sal moeten succederen, waertoe sij supplianten haer seer gaerne soude laten emploijeren", verzoeken zij bij overlijden van Anna Blocke tot conciŽrge van het stadhuis benoemd te mogen worden. Besluit van het stadsbestuur: verzoek wordt toegestaan. In de marge van deze akte staat echter: Deze acte is op 20 sept. 1670 door Gerechte, Thesauriers en Achten gemortificeerd en de bediening van de conciŽrgerie bij afstand door Anna Blocke vergund aan Hendrick van der Merck. (ORA Dordrecht inv. 65, f. 104 e.v.)

2 mrt. 1680: Jan van Hall, burger van Dordrecht, geeft te kennen, "dat hij suppliant voor Sijne eerste huijsvrouwe ten echte gehadt hebbende Juffre. Margareta van Someren dselve nu ontrent vijff jaren geleden deser werelt is comen te overlijden, blijvende den supplt. alsdoen met ses cleijne kindren belast, sonder eenige ofte immers gansch weijnige middelen tot onderhout, welcken onaengesien hij supplt. echter tot nu toe, sich mette selve kindren heeft beholpen, en buijten last van andren gealimenteert, daerbij nu alles opgeseth en mede verteert wesende tgeene eenichsins voor handen was, ende oock de tapneeringe daer mede hij supplt. heme geneert heeft, in dese seer schaersse en nerinchloose conjucturen van tijden teenemael verloopen sijnde, soo vindt hij supplt. hem met de voorsch. sijne kindren inde uijtterste extremiteijt en ongelegentheijt, opt poinct staende om bij manquement van prompte remedie, dselve sijne kindren ten laste van andren te sullen moeten laten vervallen, te meer omdat met eenige vande selve die seer ongesont en gebreckelijck sijn, geduerich medicineren moet. Tis nu sulcx dat Sr. Jacob van Someren Broeder vande voorn. sijns supplts. eerste huijsvrouwe zaliger overleden tot Leijden aen gemelte sijns supplts. kindren gelegateert heeft de Somme van [375 gl.] die ten laste van dese Stadt [Dordrecht] beleijt sijn, welcke somme van penningen indien hij supplt. in handen hadde, hij vermeijnt in oude cleercooperije anders genaemt uijtdraegerije soodanig te sullen connen aenleggen ... dat hij daerdoor den cost, voorde voors. sijne arme kinderkens te sullen connen gewinnen ... [en verzoekt derhalve het stadsbestuur van Dordrecht hem] tot lichtinge [van genoemde 375 gl.] te admitteren". Besluit op dit rekest: eerst te vernemen of het legaat niet "fideÔcommis subject" is. (ORA Dordrecht inv. 72, f. 112 e.v.)

De nakomelingen van Cornelis van Someren en Anna Blocke worden vermeld in een attestatie dd 14 nov. 1673 (ONA Dordrecht inv. 124 f. 126 e.v.): ten overstaan van notaris Gijsbert de Jager leggen Jan Jansz. Hutten molenmaker en Henrijck Jacobsz. Schuijt meester-kleermaker, beiden burgers van Dordrecht, een verklaring af op verzoek van de kinderen en kleinkinderen van Cornelis van Someren, in zijn leven doctor in de medicijnen en thesaurier te Dordrecht en Anna Blocke, beiden overleden. Zij verklaren dat zij beiden van hun jeugd af goed gekend hebben en dat Anna Blocke, overleden op 11 [sic] november 1671 de volgende kinderen en kindskinderen heeft nagelaten:

a. mr. Johan van Soomeren, griffier van de Chambre de mi partie [een in Dordrecht vergaderende commissie van Nederlandse en Spaanse diplomaten, die onderhandelden over kwesties, die voortvloeiden uit het Verdrag van Munster van 1648].

Mr. Johan van Someren, geboren 3 juli 1622. o.a. waterschepen te Dordrecht (1647), hoogdijkheemraad van Oud-Beijerland "wegens de Group" (1650), Raadpensionaris van de stad Nijmegen (1655), griffier van de Chambre mi partie (1666) (Balen, o.c., deel II, p. 1241)]

(ONA Dordrecht inv. 47, f. 109: op 11 okt. 1654 verklaart Bastiaen Jacobsz., wonende op de hofstede van de advocaat mr. Johan van Someren onder de jurisdictie van De Group, dat hij voor zeven achtereenvolgende jaren van Anna Blocke, weduwe van Cornelis van Someren, thesaurier van Dordrecht, heeft overgenomen de bruikweer van 16 morgen 4 hont land, zowel wei- als zaailand, waarvan eigenaars zijn de kinderen van de heer Brusellis zaliger. Bastiaen Jacobsz. zal Anna Blocke daarvoor 750 gl. betalen. Jacob Jacobsz., wonende te Dubbeldam, stelt zich borg voor de comparant.)

b. Cornelis van Someren, geboren naar schatting ca. 1655, minderjarige zoon van wijlen Adriaen van Someren, in zijn leven doctor in de medicijnen [Dr. Adriaen van Someren Cornelisz., geboren 16 nov. 1624, van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1652), doctor ordinaris in de medicijnen van de stad Dordrecht (1652), overleden 19 mei 1663, trouwde NG Dordrecht 12/28 mei 1652 met Klara Mispelshoeff Kornelisdr., jonge dochter van Dordrecht wonende aan de Nieuwe Haven (1652). Uit dit huwelijk een zoon Kornelis van Someren Adriaensz., geboren 2 juni 1654 (Balen, o.c., deel II, p. 1240).]

c. Cornelis van Someren, notaris en procureur te Dordrecht [Kornelis van Someren, geboren 23 febr. 1627, waarsman van den Lande van Strijen, overleden 19 febr. 1673 (Balen, o.c., deel II, p. 1240)]

d. Antonij van Someren, overleden - naar comparanten bericht werd - in Oost-IndiŽ [Antonis van Someren, geboren 1 febr. 1629, schepen van Hulst en Hulsterambacht (1657), ongehuwd overleden in 1672 (Balen, o.c., deel II, p. 1240).

ONA Dordrecht inv. 176, f. 291 e.v.: op 3 maart 1661 testeert voor notaris E. Vinck Anthonij van Someren, jongman, op zijn vertrek staande om met het schip "de Beurs van Amsterdam" naar Oost-IndiŽ te varen. Hij vermaakt aan zijn moeder Anna Blocke het vruchtgebruik van de helft van zijn na te laten goederen. De wederhelft daarvan legateert hij aan o.a. de kinderen van Johan van der Hal, verwekt bij Margriet van Someren.]

e. Willem van Someren, luitenant van een compagnie "lijffguarde" in dienst van de Keurvorst van Brandenburg [Wilhelm van Someren, geboren 22 jan. 1631, kapitein-luitenant van een compagnie Guardes van de Keurvorst van Brandenburg (1657) (Balen, o.c., deel II, p. 1240-1241).]

f. de kinderen van wijlen Margrieta van Someren, huisvrouw van Johan van Hal [Balen, o.c., deel II, p. 1241: "Joffr. Margareta van Someren, Heeren Kornelisdochter, geboren den 6. Februarij 1633, overleden."]

g. Lidia van Someren, weduwe van luitenant Johan Boon [Lydia van Someren, geboren 15 juni 1635, trouwde [in 1655] met Johan Boon(en), luitenant van een compagnie infanterie ten dienste van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hij stierf op 15 mrt. 1671, "nalatende kinderen". (Balen, o.c., deel II, p. 1241) NG trouwboek Dordrecht 26 sept. 1655: Joannes Boonen jongman wonende omtrent de Vuilpoort en Lijdia van Someren heer Cornelisdr. wonende op de Nieuwe Haven, beiden van Dordrecht, getrouwd 17 okt. 1655 Cf. Acta van 4 aug. 1656 (archief 27 inv. 7, f. 2v: "Ds. Dibbetius heeft gerapporteert, dat Sijne Edelheid met mijnheer Coopman hadde geweest bij Boone, de man vande dochter van d'Heer Someren, ende dat deselve klagende over het onlijdelick tractement ten huijse van zijn schoonmoeder, hadde henselven verclaert, bereijdt te sijn tot een behoorlijcke bijwooninghe, bij sijn huijsvrouw voornoemt, bij aldien die door goede tusschenspraeck conde te wege gebracht werden."]

h. Jacob van Someren [Jakob van Someren, geboren 18 aug. 1636, overleden te Leiden ca. 1680, (ORA Dordrecht inv. 72, f. 112 e.v., akte dd 2 mrt. 1680), trouwde 22 sept. 1669 Katharina Taghoen, weduwe eerst van Johan van Valkenburg, professor in de medicijnen te Leiden en ten tweede van Salomon van Delmanhorst (Balen, o.c., deel II, p. 1241).]

i. Pieter van Someren [Pieter van Someren, geboren 13 jan. 1642, trouwde Anna de Rouw (Balen, o.c., deel II, p. 1241).]

inv. 6, f. 212v, 2 mrt. 1654: Dansserijen

Alsoomen verstaet, dat dansserijen in verscheidene bruijloften sijn gepleecht, sullen de Litmaten die daer excessen in gedaen hebben, daer over inde visite vermaent werden ende ds. Buitendijk sal inde huwelijcken die voorhanden sijn in sijn quartier met een ouderlinck waerschouwinge doen, dat die lichtveerdighheden mogen nagelaten werden; voorts om het wassende quaet tegen te gaen, heeft dese vergaderinge verstaen, datmen inde huisbesoeckinge de ledematen sal vermanen ende waerschouwen datse haer neerstich voor die sonde willen wachten op datmen tegen haer niet kerckelijk en procedere.

inv. 6, f. 215 e.v., 24 april 1654: Beroepinge D. Borstij tot Rotterdam

Sijn voor de vergaderinge gekomen de Ed. Heere Paulus Verschuren, Borgemeester der Stede Rotterdam, gevoecht met den Heere mr. Dirck Blankaert, als oock  de Ed. D.N. Lamotius, dienaer des Heiligen Evangeliums inde voorsz. stede, geassisteert met een ouderlinck ende diaken. Ende naer overleveringe van hunne respective credentiŽn, die oock in haer bijwesen sijn gesien ende voorgelesen, heeft D. Lamotius voorsz. uit name van allen bekent gemaect, dat den kerckenraedt ende magistraet van Rotterdam naer het vertreck van D. Justus van den Boogaert naer Utrecht, tot vervullinge sijner plaetse, waren over een gekomen inde persoon D. Jacobi Borstii, dienaer der Gemeente Christi binnen Dordrecht, den welcken sij de beroepinge hadden aengeboden, ende aengeraden de selve aen te nemen.

[Jacobus Borstius, geboren op 15 juli 1612 binnen Purmerland [Wormerveer volgens Van Dalen, deel II, p. 787], overleden Rotterdam 1 juli 1680, in 1643 beroepen te Dordrecht, bevestigd op 10 jan. 1644 door Petrus Wassenburg. Hij was zeer populair bij de gemeente. "De voorgemelte Borstius (schreef Van Someren [in MS "Beschrijving van Dordrecht"]) heeft een seer grooten toeloop van volck, als hij predict, veel meer als ooit eenigh predikant binnen Dordrecht gehad heeft ... De Diakenen hebben in vier maanden tijts, sedert dat Borstius hier gestaen heeft f. 1700 meer gehad, boven het ordinaris". Hij vertrok in mei 1654 naar Rotterdam ondanks dringende verzoeken van de Dordtse kerkenraad. "Vergeefs waren de tranen der Gemeente ... vergeefs stelde de Oudraad alle pogingen in het werk, om hem te houden." (Schotel, deel I, p. 452-453) Hij was huisvriend van de De Witten, maar speelde een kwalijke rol tijdens de omwenteling van 1672, "doordien hij, en van de predikstoel en op de straten, het wufte gemeen tegen desselfs wettige Regenten aanhitste." (J.A. de Chalmot, geciteerd door Schotel, deel I, p. 461-462) "Bij de beroeping werd niet alleen op persoonlijke en sociale achtergronden gelet. De theologische kleur was zeker zo belangrijk, vooral om het evenwicht te bewaren in de stichting en de vrede van de gemeente. In 1620, kort na de grote synode, verlangden de Dordtenaren de komst van een rechtzinnige maar vooral vrome predikant: Godefridus Udemans uit Zierikzee. Nadat hij had bedankt, kwam een geestverwant uit een Zeeuws dorp in beeld, die niettemin bewust werd gepasseerd. Men was intussen bang geworden voor puriteinen, bijvoorbeeld op het punt van een strenge zondagsviering. Ruim 30 jaar later is die angst, met de komst van de fel calvinistische dominee Borstius, niet onterecht gebleken. Hij ontketende in Dordrecht de "hairige oorlog", omdat hij het dragen van lang haar door mannen onbijbels achtte. Deze boeteprediker was zeer populair, maar liet zowel bij de kerkenraad als magistraat gemengde gevoelens achter". Tot 1683 had Dordrecht alleen Voetiaanse (orthodoxe, behoudende) predikanten. Pas in 1683 werd op aandrang van het stadsbestuur voor het eerst een Coccejaans (meer progressieve) predikant beroepen, Salomon van Til. (Frijhoff, p. 283 en 335). Zie ook G.D.J. Schotel, Bijdrage tot de geschiedenis der kerkelijke en wereldlijke kleeding ['s-Gravenhage 1854], p. 13 e.v.]

inv. 6, f. 225, 16 juli 1654: Lastermonden

Ds. Praeses [Buitendijk] klaecht oock over de grouwelijke lasteringen, die sijne E. werden naegeworpen vande weduwe van Adriaen de Leidecker, met haere susters ende nichten, die voor de leste reise sullen ontboden ende gewaerschout werden, haer qualijk spreken vande persoon Ds. Buitendijckii na te laten. of dat andersints de kerckeraet remedie daer tegen sal soecken, als tegen haer selve gedaen, ende soo se niettemin met hare lasteringen voortvaren, sal van wegen dese tafel de hant aende broeders diaconen gesloten werden, om niet meer te contribueren, op datse leeren niet [te] lasteren.

inv. 6, f. 225v, 16 juli 1654: De Wit-wercker op de [Nieuw-] brugge

[Witwerker =  maker van beschilderde naaldhouten meubels die alleen gespijkerd mochten worden. Het vervaardigen van meubels met houtverbinding of lijm was voorbehouden aan schrijnwerkers.]

Alsoo men verstaet dat de witwercker op de Nieu-brugge sijn vrou soo deerlijck tijranniseert, dat het in een welgestelde republiek niet en is te verdragen, sal hij, volgens ordre, worden ontboden ende in cas [geval] van weijgeringe, dat de hulpe van de Borgemeester of vande Officier [schout], naer gelegentheijt, tegen hem sal geÔmpetieert worden.

inv. 6, f. 226, 23 juli 1654: Catelijn de dochter van de timmerman

Wert bekent gemaect, dat de dochter van Cornelis Jansen timmerman op de Nieuwe-haven, heeft gecommuniceert sonder te voldoen d'ordre die haer bij de vergaderinghe gestelt was. Is goet gevonden, dat men haer voor de vergaderinge sal ontbieden, ende over dese stoutigheid bestraffen, ende wederom onder censure stellen, ten ware datse de kerckeraet bereit was behoorlijke satisfactie te geven.

inv. 6, f. 228v, 3 sept. 1654: Crijn Govertsen

Crijn Govertsen, aengeteeckent sijnde, ende in ontijdige bijslaep gekomen met Geeritje Jans, is over sijn faulte bestraft, maer heeft verklaert, alsoo sij geseit werdt, quaet leven te leiden, met haer niet te sullen of te willen trouwen. Men heeft hem aengeseit, dat hij van haer niet en can vrij gestelt noch ontslagen werden, als door ordre vande magistraet, ende dat hij tot dien einde hem aldaer sal hebben te addresseren, t'gene hij aengenomen heeft.

inv. 6, f. 228v, 3 sept. 1654: Catelijn Cornelis

Catelijn Cornelis heeft wederom geweigert te compareren, soo lange haer vader daer toe niet en consenteert. De vergaderinge verstaet, dat men haer door den predicant vant quartier ende een ouderlinck sal ontseggen het H. avontmael des Heeren, ende soo se in die stoutigheid soude willen voortgaen, gelijck se lest gedaen heeft, van tegens d'ordre des kerckenraet aende H. tafel te comen, dat men dan andere middelen sal bij de hant nemen, om sulcken profanatie te weiren.

inv. 6, f. 228v, 3 sept. 1654: Bastiaen Stevensen

Dibbetius ende een ouderlinck sullen den Heere Borgemeester versoecken Bastiaen Stevensen schuitenvoerder wonende inden Dorrenboom met vermaningen ende dreigementen, is't mogelijk, te intimideren, dat hij de tijrannije nalate, die hij over sijn huijsvrouw exerceert, of dat anders de Heere Magistraten op een ander wijse daer in sullen voorsien.

inv. 6, f. 229, 10 sept. 1654: [Johan Maurice de] Castiliego

Alsoo de Vaendrich Castiliego pretendeert huwelick verbintenisse en belofte met Antonette Borre, welcke noch onmondich is, ende hier over dispuijt valt tusschen de voogden van Antonette ende tusschen Castiliego voornoemt, sulcks dat de saecke voor't Gerechte alhier gebracht was, dat oock de meergemelte dochter uit het huijs van haere voogt sich heijmelick hadde ontstolen, niet sonder suspitie van onbehoorlicke hulpe daer toe van de sijde van Castiliego, soo heeft de kerckenraedt verstaen dat hier op wijders sal ter gelegener tijt gelet werden, om alle onordentelijckheijt tegen te gaen.

[NG trouwboek Dordrecht 20 sept 1654 ondertrouwd Jonkheer Johan Maurice de Castillejos vaandrig van Zijne Excellentie Graaf Willem van Nassau jongman uit Den Briel wonende in de Hoge Nieuwstraat met juffrouw Antonetta Borre jonge dochter van Utrecht wonende op de Nieuwe Haven. zijn getrouwd 15 okt. 1654 op 's-Gravendeel, proclamatie te Utrecht.

Zij lieten op 13 mei 1656 (NG Dordrecht) een dochter Cornelia Maria dopen, mogelijk hetzelfde kind dat op 28 juni 1656 werd begraven (begraafboek Grote Kerk).

De vrouw van Castiliego werd op 25 aug. 1656 begraven (begraafboek Grote Kerk): een baar voor de vrouw van de heer vaandrig Johan Maurice de Castileijos achter het Westindisch Huis [Wijnstraat], vier maal luiden, blazoen met kwartieren.

ONA Dordrecht inv. 231, f. 102 e.v.: op 3 okt. 1669 compareren voor notaris G. de With Pieter de Carpentier, mr. Nicolaes Stoop en Crispijn van Outgaerden, resp. oudraad en achtraad van Dordrecht, Bartholomeus Schijvelbergh, Francois van den Brandeler, Jochem van Bebber, Nicolaes Staphorst, Adolphus van der Linde, Beatricx de Haen, weduwe van Johan van der Neth, mr. Robert Gaij, Cornelis van Dalen, Leendert Kilsdonck en Jacob van de Camp, kooplieden en burgers van Dordrecht, samen crediteuren van Johan Maurice de Castilleios, in zijn leven kapitein van een compagnie voetknechten in liggende garnizoen te 's-Hertogenbosch, waar Castilleios onlangs is overleden. Zij verlenen procuratie aan mr. Adriaen van der Mast en Arent Muijs van Holij, resp. oudraad en secretaris van Dordrecht, mede crediteuren van Castilleios, om met de erfgenamen ab intestato van Antonette Bor, in haar leven echtgenote van Castilleios, te accorderen "alle soodanige actiŽn ende pretentiŽn als hen constituanten ten laste vande voorsz. erffgenamen ... sijn competerende".]

inv. 6, f. 229: 10 sept. 1654 Sociniaensche dwalingen

Is discourswijse gesproken van het stuijten der Sociniaensche dwalingen, die onder de Mennonisten [Doopsgezinden] meer en meer inkruijpen, ende is de kerckenraedt gesaementlick vermaent te speculeren op personen, die met minste umbragie ende met meeste bequaemheijt, in de Conventiculen en vermaningen der Mennonisten alhier souden mogen verschijnen ende letten op de publijcke leeren der selver, om alsoo te sijner tijt volgens de besten ende vorderlickste voorslaegen finalick te resolveren, op dat het Christelicke oogmerck des Synodi in desen mochte bereijckt werden

inv. 6, f. 230, 17 sept. 1654: [Johannes Aernoudtsz. van Hall]

Johannes Aernoudtsen van Hall heeft versogt, dat men hem soude notificeren een antwoort van de weduwe van Mijnheer Van Someren over 't samencomste van hem met haer dogter. Is gesonden nae[r] Ds. Buijtendijckius om Sijn Edelheids bericht te mogen hebben.

inv. 6, f. 230v, 24 sept. 1654 Catelina Cornelis

Is gerapporteert van D. Wassenburgio, aengaende Catelina Cornelis, dat se bestraft sijnde over haer onordentelijck toegaen tot den tafel des Heeren en haer weijgering te compareren in kerckenraet, heeft verclaert niet qualijck gedaen te hebben in desen, indien se niet mocht hier comen tot den H. avondtmael, dat se het elders wel soude vinden, maer dat se niet wil noch sal in kerckenraedt verschijnen. Wert goetgevonden haer opentlijck aff te houden vande tafel des Heeren, so se bevonden wert so stout te sijn om tegen d'ordre des kerckenraets toe te gaen, d'welck men in censura morum alle leden sal recommanderen.

inv. 6, f. 233v, 22 okt. 1654: [Blasfemie]

Alsoo Hoochlanders sone seer grouwelijck blasphemeert ende loochent datter een God is, loochent hemel en helle, sal daertegen bij de magistraet geclaecht worden ... Factum.

inv. 6, f. 237: 3 dec. 1654 Van Hall

De geboden van Jan van Hall ende Margareta van Someren gestuijt zijnde door een mandament van het Ed. Hof [van Holland], is vernomen dat de Achtbare Magistraet geresolveert hadde van hare taefel een brief aen het voorschreven Hoff te doen afsenden tot berichtinge nopende het huwelick van de voorschreven personen, ende haer het sich daermede tot noch toe hadde toegedraegen. Dat oock daerenboven Haere Achtbaerheden voor goet hadden ingesien dat uit naeme des kerckenraets van gelijcke een brief aen het Ed. Hoff soude afgeveerdigt werden van diergelijcken inhoudt. Welcken brief oock de kerckenraedt verstaen heeft dat door Ds. Buijtendijck sal geconcipieert werden.

inv. 6, f. 248, 15 april 1655: Chambre mi partie

Alsoo de Chambre de mi partie alhier sal metten eersten vergaederen, is voorgeslagen of men niet met de Heer Borghemeester ende magistraet  sal spreecken, om alle inconveniŽnten, den welcke uijt het plegen van haeren afgodendienst [de Spaanse diplomaten waren uiteraard Katholiek] mochten ontstaen, [ te] voorcomen, als het [af-]decken  van het crucifix inde Groote Sale op het Hof, alsmede wie tot haere afgodendienst sal mogen toegaen, als op de plaetse daer sij dit sullen oeffenen. Is verstaen dat op dese ende diergelijcke saecken geledt worden ende sullen dit doen alle de broederen predicanten met eenighe ouderlinghen den welcke dan sullen connen vaceren.

inv. 6, f. 248v, 22 april 1655 Papendrecht [Katholieken]

Alsoo de Heer van Papendrecht sijn huijs open set in het houden van sijn paepsen godtsdienst, alsoo dat veele burgers uijt de stat daer vrij worden toegelaten, is goetgevonden dat op morgen Ds. De Hatert sal werden versocht hier te comen, om met hem te spreecken.

[Kornelis Hoynk mr. Ottensz., vrijheer van Papendrecht, Matena etc. vanaf 1652, overleden in 1667, zoon van mr. Otto Hoynk Henriksz. doctor in de beide rechten en van Anna van Muylwijk. Kornelis Hoynk  trouwde met Maria Kornelia Oem, dochter van Herman Oem Jansz. en Kornelia Anthonis Jordensdr. Zijn zuster Kornelia Hoynk was non in de "Abdije ter Kameren" bij Brussel. (M. Balen, Beschryvinge der Stadt Dordrecht (Dordrecht 1677), deel II, p. 1092).]

inv. 6, f. 249, 13 mei 1655 [Armenzorg]

Is naer ordre de reeckeninghe van de Diaconije gedaen ende zal naerder gelet werden, off men rechte onnutte moejelijcken personen niet en soude connen besteden in enich publijck huijs daertoe te approprieeren, alwaer se to werck mochte gehouden werden, ende wert gehoopt dat wellicht het Lasarus daertoe soude mogen becomen werden, Dus alhier pro memorie.

inv. 6, f. 249, 20 mei 1655 [Chambre de mi partie]

Alsoo men verstaet dat bij de Heeren, dewelcke alhier sijn vande Spaensche zijde, d'exercitie van haere religie genoechsaem openbaer gepleecht wert, met toeloop vande burgers deser Stede, is geresolveert d'Edele Heer Burghemeester te versoecken dat doch ordre gestelt werde, dat de borgherie deser Stede tot haeren Godsdienst niet toegelaeten werdt. Ende dit sullen doen D. Buijtendijck ende Isaacus Lydius met een ouderling frater Schivelberch.

inv. 6, f. 260 e.v., 21 dec. 1655 [Ds. Johannes Dibbetius]

Den grooten kerckenraedt ende de afgegane ouderlingen wederomme vergadert sijnde naedenmiddach, om naerder te letten op het stuck der beroepinge, soo hebben ... Ds. Buijtendijckius ende D. Debetius ...  versocht eenigen tijdt, om te beantwoorden de swaricheden dewelcke gemoveert waeren van Isaaco ende Ds. Jacobo Lydio neffens Ds. Staphorstio ende Ds. Vrechemio, die sij in het inbrengen, op de nominatie van het groot getal der predicanten, van Ds. Johanne Debetio sagen te onstaen ende alreede ontstaen te sijn, ende soo men naerder daer op drong om in dese kercke in te brengen, de swaricheden die daer voorder uijt ontstaen souden als meede eenighe onordentelijckheden die omtrent het stuck der nominatie sij geclaecht hadden gevallen te sijn; [en dit verzoek toegestaan zijnde] soo hebben beijde soo Ds. Buijtendijckius als Ds. Dibbetius haere [verdediging] gedaen. Daerop seer instantelijck is versocht van Isaaco Lydio ende van Jacobo Lydio dat sij dadelijck mochten wederleggen alle het geseijde van beijde de broederen predicanten ende van Isaaco Lydio bijsonder, dat soo de kerckenraedt oordeelde het te laeten inde avondt te sijn dat ten alderlangsten toecomende donderdach haer replicae mochte gehoort worden. Den kerckenraedt hier op omgevraegt sijnde heeft versocht aende broeders het daer bij te rusten laten. Edoch de broeders Isaacus en Ds. Jacobus Lydius [hebben] gesegt sulcx in haere bedenckingh te sullen nemen ende overleggen wat sij in dese saecke doen sullen.

[Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV (Leiden 1918), kol. 503-504: Johannes Dibbetius (Dibbets), geboren St. Anthoniepolder 1627, overleden 20 maart 1709, zoon van ds. Henricus Dibbetius en Johanna de Berganje, studeerde in Leiden, 1651 proponent en predikant te Westmaas, 1653 te 's-Gravendeel, 1663 te Tholen, 1671 te Brielle en 1673 te Dordrecht, "waar zijne beroeping tot groote oneenighheden en het verspreiden van 'goddeloose en fameuse libellen" tegen den kerkeraad aanleiding gaf." Hij werd emeritus in 1706.]

inv. 6, f. 271, 11 mei 1656 Vrouwengelt van Mevrouw vande Linde

Zijn vier vrouwen van den Armenhoff verscheenen dolerende vande ophoudinge vande betalinge van haer wekelijck rentje, bij de Postmeester van Slingelandt als Boeckhouder nu ses jaren naer den anderen bedient. De resolutie hierover den 30 December 1655 genomen opgeslagen ende oversien zijnde, is goetgevonden dat naer deselve de praeses eerst met den Boeckhouder sal spreken wat debvoijren tot het doen vande reeckeninghe gedaen is. Ende sullen daerover met de Heer Burgemeester de With spreken, de nootsakelijcheijt te kennen geven van het doen der rekeninge, alsoo het sonder deselve niet en can gecontinueert werden, maer de kerckenraedt ende den boeckhouder daervan dienen ontslagen te werden, dat overzulcx hierin zonder uijtstel ordre gestelt werde tot voldoeninge vande oude vrouwkens, naer zijne voorsienicheijt.

inv. 6, f. 271, 11 mei 1656 [Ds. Joannes Dibbetius]

D. Collega [Henricus] Dibetius heeft eernstelijck versocht dat zijne Edelheid mochte cont[ent]ement gegeven werden over de stellinge vande Acte nopende het voorbijgaen zijns zoons Joannes Dibbetius sonder uijtdruckinge van eenige redenen, ende dat voor de bevestinghe van D. Laurentius Laurentius, twelck hem vande praesente broederen toegestaen ende toegeseijt is.

 inv. 6, f. 271, 18 mei 1656 [de zoon van Ds. Henricus Dibbetius]

Nopende het toestaen van het versoeck bij Ds. collega Dibbetio gedaen, is bij de Vergaderinge goetgevonden dit navolgende daer van te stellen: alsoo bij de acte van den 21 decemb. 1655 eenige broederen predicanten bedenckingen hadden ingebracht tegen den soon Ds. Dibbetij, waarom sij meenden dat sijn persoon inde nominatie had behooren voorbij gegaen te werden, op de welcke van de vader is  geantwoort, soo ist dat de Vergaderinge bij desen verclaert, dat de voorschreve bedenckinge niet en hebben int minsten geconcerneert leere of leven, waer door persoon voornoemt onbequaem soude geweest sijn tot den dienst der Kercke, in de welcke hij hem selven tot noch toe eerlijck en onbespraeckt gedragen [heeft], en dat tot dien eijnde, opdat niemant de vorige acte lesende de selve tot nadeel van de persoon voornoemt soude opnemen.

inv. 6, f. 271, 18 mei 1656 Hoerenhuijsen

Alsoo men van tijt tot tijt meer en meer hoort van het schendich houden van hoerenhuijsen en andere grouwelen, hier ende omtrent de Stadt, waerover oock diverse clachten sijn gedaen, is voor tegenwoordich bij provisie, om in de naeste vergadering daer weder op te letten, geconcludeert, dat alsoo bij de Heren van de Gerechte voor desen es een ordonnantie gemaeckt dat buijten [de stad] maer een of twee herbergen werden getolereert, .. de Heer Coopman versocht te besien of daer van een copie mocht vercregen worden, om tot een fundament te dienen voor 't toecomende.

[Buiten de stad ging alles waarschijnlijk veel vrijer toe, omdat daar de bevolking dunner gezaaid was, de huizen er meer uit elkaar stonden en de sociale controle er daardoor geringer was. (Roodenburg, o.c., p. 292; L.C. van de Pol, Het Amsterdams Hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eew. (Amsterdam), p. 90-91.] 

Frans Hals, De Bohťmienne (Zo wordt zij normaliter, enigszins verhullend, genoemd. Of anders: De Zigeunerin of The Barmaid. In feite gaat het hier  ongetwijfeld om een prostituťe. Haar opvallende decolletť laat nauwelijks een andere interpretatie toe. Het schilderij kan derhalve gerekend worden tot het genre "bordeeltjes" (bordeelscenes), waarvan ook de Koppelaarster van Van Honthorst en de eveneens zo genoemde werken van Johannes Vermeer en Dirck van Baburen bekende voorbeelden zijn.)

inv. 7, f. 3, 13 aug. 1656: [concubinaat]

Is noch bekent gemaeckt, dat inde Raemstraet zeeckere droochscheerder woont welcke met sijn bijwoonende vrouwe in onecht ongetrouwt sit, ende alrede tsamen kinderen geteelt hebben, Ds. Dibbetius ende de heere Coopman zijnde versocht, hebben aengenomen, tselvige naerder te onderstaen, ende remediŽren. (Factum)

inv. 7, f.. 3 en 3v,  24 aug 1656: Engeltje Huijbrechts

Engeltje Huijbrechts inde Augustijnencamp woonende is volgens last verscheenen, welcke ten aensien van haere huijshoudinge naerder ondersocht zijnde, niet soodanich is bevonden als het gerucht medebracht, hebbende bij de Broederen [leden van de kerkenraad] die haer kennen een goet getuijgenisse ende daerbij verstaen, dat de vrouw niet hebbende de beste naem, welcke bij haer inwoonde, oock van haer was vertrocken maer heeft een langer en groot beclagen gedaan, over het godloos leven van haer dochter, met eenen Van Someren, sijnde een ghetrouwt man, versoeckende van de Vergaderinge hulpe ende assistentie. 

inv. 7, f. 6, 12 okt. 1656: Geertruijt Jacobs [melaatse vrouw]

D. Praeses Staphorstius heeft de vergaderinge voorgestelt 't versoeck van Geertruijt Jacobs weduwe wonende inde Franckenstraet, welcke getuigenisse had van een vroom en godtsalich leven, maer melaets was aen haer eene been, of die mocht werden toegelaten tot de Tafel des Heren. Es van de vergaderinge verstaen, na dat de vrou selve was binnen gestaen, en haer versoeck mondelinch gedaen, datmen haer tot over acht dagen sal uijtstellen en datmen nader eenige synodale resolutiŽn daer over sal insien en vernemen na de gelegentheijt en besmettelijckheijt van haer melaetsheijt.

inv. 7 f., 7v: 16 nov. 1656 Jacob van Someren

[Ds.] Praeses Isaacus Lydius heeft de vergaderinge bekent gemaeckt hoe dat Jacob van Someren, een gehouwt man, in ontucht leefde met sekere jonge dochter, zijnde de dochter van Huijbert Crijnen metselaer bij welcke hij hadde een kint geprocreeert ende naderhandt wederom beswangert, gelijck vant laetste. Het eijgen schrijven vande dochter voornoemt inde kerckenraedt is vertoont, waer-bij sij wijders aen Van Someren versoeckt het bekostigen van den aenstaenden craem. Waerop rijpelick gelet zijnde in Godes vreese is bij de Vergaderinge verstaen dat men [met] de ouders vande de voorseijde dochter noch naerder handelen ende van alle onheijlen die te vreesen staen ernstelick waerschouwen sal, ende sien of niet eenich middel kan uitgevonden worden om de selve dochter op de bequaemste wijse ergens op te sluijten ende te bewaeren, om de continuatie vande voorverhaelde ontugt daerdoor voor te komen. De gemelte ouders sullen morgen avondt na de predicatie voor de aenwesende Broederen [dominees en ouderlingen] ontboden werden om met de selve te handelen. [De dochter van Huijbert Crijnen had zich dus schuldig gemaakt aan buitenechtelijk geslachtsverkeer. Dat de man in kwestie ook nog getrouwd was, maakte het voor haar - en voor Van Someren zelf - alleen maar erger: naast ontucht hadden zij zich ook schuldig gemaakt aan overspel.

Samuel van Hoogstraten, De bleekzuchtige vrouw (ca. 1660), Rijksmuseum Amsterdam

De vrouw is waarschijnlijk niet ziek, maar gewoon zwanger.  Het schilderij aan de wand, voorstellende de godin Venus, het katje - een symbool voor sensualiteit - en de dokter, die de urine van de vrouw onderzoekt, worden opgevat als verwijzingen naar haar zwangerschap, die misschien wel in "onecht" tot stand is gekomen. De man achter haar kijkt in ieder geval nogal bezorgd. Er is hier duidelijk niet sprake van een blijde gebeurtenis. Het schilderij zou derhalve beschouwd kunnen worden als een waarschuwing tegen het plegen van "ontucht".

[Jacob van Someren (ca. 1595-1672), contrerolleur van de Grafelijkheidsmunt [in de Voorstraat te Dordrecht], secretaris van het Watergerecht te Dordrecht (1626), zoon van Johan van Someren en Lijdewij de Beveren, dochter van burgemeester Cornelis de Beveren Pietersz. Hij trouwde op 5 jan. 1626 met Cornelia van Haarlem Blasiusdr., overleden in 1671. (M. Balen, Beschryvinge der Stad Dordrecht [Dordrecht 1677], p. 1238-1239).]

inv. 7, f. 7v: 23 nov. 1656 Huijbert Crijnen

Also Huijbert Crijnen (daervan in de naeste vergadering) weijgert t'eenemael te compareren [verschijnen] inde kerckenraedt, is geresolveert [besloten] de sake te brengen aende Edele Heere Burgemeester om bij Sijn Achtbare ontboden ende bestraft te worden na behoren, ende sal dit gedaen worden per [ds.] Isaacum Lydium.

inv. 7, f.10v, 21 dec. 1656 Engeltjen huijsvrouwe van Huijbert Crijnen

Sal de huijsvrouw van Huijbert Crijnen, Engeltjen genaemt, aengesegt worden, door den predicant van het quartier [waarin zij woont], dat dewijle de saecke van haer dochter alsnoch soo leelijck stont, ende sij geen ordre op haer dochter - gelijck haer geraeden was vanden kerckenraet - gestelt hadde, haer soude onthouden van het Heijlich Avontmael, tot dat sij naerder ordre op haer dochter soude gestelt hebben.

inv. 7, f. 11, 4 jan. 1657 Cornelia ende Sara van Balen

Cornelia ende Sara van Balen hebben versocht den H. Doop in onse kercke te mogen ontfangen alsoose seijden datse verstonden onse Religie ende Leere de waere Leere te wesen. Is verstaen dat de Scriba de selve nae ordre ondervragen ende onderrichten sal ende dan rapport doen, ten eijnde haer versoeck mochte effect sorteren naer behooren.

[Cornelia (van) Balen, geboren ca. 1624, dochter van het Doopsgezinde echtpaar Cornelis Matthijsz. Balen en Elisabeth Fransdr. van Dorsten, trouwde 1e Johannes Kopp, overleden vůůr 26 sept. 1671, 2e Otto van Asperen ("1340", Mededelingenblad van afdeling Rotterdam e.o. van de NGV, mei 1992, p. 143)]

inv. 7, f. 15, 11 jan. 1657 [Samuel van Hoogstraten, Cornelia en Sara Balen]

Heeft Ds. Buijtendijckius gerapporteert, dat Ds. Jac. Lydius hadde de persoonen van Cornelia en Zara van Balen in de fundamente van de religie sulckx bevonden, dat sijn Edelheid haer bequaem oordeelde om den christelijcken doop te ontfangen, dat oock de persoon van [Samuel van] Hoochstraaten [1627-1678, kunstschilder en schrijver, uit Doopsgezinde ouders geboren, in 1656  uit de Doopsgezinde gemeente gezet] grondig in de religie was onderwesen, ende bequaem, om te mogen tot een litmaet aengenomen werden. De persoonen voornoemt binnen gestaen sijnde, sijn voorgestelt eenige noodige en gewoonlijcke vragen, en daerop geantwoort, is Hoochstraten aengenomen tot een litmaet van den Heeren tafel, ende Cornelia en Zara van Balen is tijd aengesegt, waerop sij den christelijcken doop sullen ontfangen, namelijck op morgen vrijdach avont.

[Samuel van Hoogstraten, geboren Dordrecht 2 aug. 1627, kunstschilder en schrijver, deken Romein- of Sint-Pietersheren, doet op 22 mei 1656 proef als munter en legt de eed af, provoost van de Munt van Holland 1659-1675, overleden Dordrecht 19 okt. 1678. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V ['s-Gravenhage 1951), p. 169). Hij was een zoon van Dirck van Hoogstraten en Marijken Isacksdr. Coninx. (de Coninck). Zijn vader kwam uit Den Haag, zijn moeder uit Dordrecht. (Zie de pagina "Doopsgezinde huwelijken Dordrecht" op deze website.)

Zelfportret van Samuel van Hoogstraten uit 1645.

Samuel werd met zijn zuster Dyna op 12 april 1648 in de Doopsgezinde gemeente te Dordrecht gedoopt. (SA Dordrecht DTB 78)

"Eerst bij zijn vader, gest[orven] 21 Dec. 1640, en daarna bij Rembrandt, met zijn vriend Heyman Dullaert en Carel Fabritius, leerde hij de teeken- en schilderkunst. Reeds in 1648 was hij weer te Dordrecht en schilderde en etste en schreef verzen, welke in 1652 door zijn broer Francois ... onder den titel Goude Schalmey enz. te Dordrecht werden uitgegeven. In 1651 was van Hoogstraten op reis gegaan. Te Weenen genoot hij de eer, drie zijner schilderijen voor keizer Ferdinand III en zijn gemalin te mogen tentoonstellen en ontving deswege een gouden keten en een eeremedaille, waarop hij steeds niet weinig trotsch was. In 1652 vertoefde hij in Rome ..., maar in 1654 was hij weer in zijn geboortestad terug ... Van 1656 tot 1662 woonde [Van Hoogstraten met zijn vrouw Sara Balen] te Dordrecht naast de bierbrouwerij "de Oranjeboom". Hij was lid, later zelfs deken der broederschap der Romein- of St. Pietersheeren (persoonen, die Rome bezocht hadden). Godfried Schalcken, Arent de Gelder en Cornelis Vermeulen behoorden in die jaren tot zijn leerlingen. ... In 1662 vertrok hij met zijn vrouw naar Londen, waar hij nog woonde tijdens de hevige pestziekte 1665 en den grooten brand 1666, maar keerde daarna naar  het vaderland terug, verbleef eenigen tijd in den Haag, waar hij in de schilderacademie als meester werd aangeteekend. Maar na 1671 woonde hij weer te Dordrecht in het door hem gekochte huis in het Steegoversloot, waar hij 19 Oct. 1678 na langdurige ziekte overleed. Zijn vrouw volgde hem reeds 22 Nov. d.a.v. in het graf. Beiden zijn in de St. Louis- of Munterskapel in de Groote Kerk begraven. ... Van Hoogstraten was niet alleen bekwaam schilder, maar ook een verdienstelijck etser." [Zie bijvoorbeeld de portretten van Adriaen van Blijenburg en Jacob Muys van Holy in M. Balen, Beschryvinge van de stad Dordrecht (Dordrecht 1677)].

Hij schreef o.a.:

- De Roomsche Paulina ofte Bedrooge Kuisheit. Treurspel (Schoonhoven 1660)

- Inleiding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst. Anders de zichtbare werelt verdeelt in negen Leerwinkels yder bestiert door eene der Zanggodinnen (Rotterdam 1678)

(Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel VIII (Leiden 1918), kolom 836-838)

.

Samuel van Hoogstraten portretteerde zichzelf in 1674 als provoost van de Munt van Holland. Hij draagt hier (op zijn zij) de door keizer Ferdinand III in 1651 aan hem geschonken keten en eremedaille.

ONA Dordrecht inv. 67, f. 433 e.v.: op 8 okt. 1641 compareren voor notaris D. Eelbo Samuel van Hoochstraten, 15 jaar oud en Dina van Hoochstraten, ongeveer 14 jaar oud, broer en zuster, kinderen van wijlen Dirck van Hoochstraten en van Maijken Isaackxdr. de Coninck, wonende te Dordrecht, beiden gezond van lichaam en geest. Zij verklaren dat, indien zij ongehuwd komen te overlijden, zij hun moeder tot hun universele erfgenaam benoemen. Akte door beiden ondertekend.

Trouwboek Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten) 31 mei 1656: aangetekend de trouwbeloften tussen Samuel van Hoochstrate jongman van Dordrecht geassisteerd met zijn zwager Hendrick de Vos en Sara van Balen Cornelisdr. jonge dochter mede van Dordrecht geassisteerd met haar zuster Margreta van Balen huisvrouw van Abraham Terwe, getrouwd voor schepenen van Dordrecht op 18 juni 1656.

Sara van Balen, geboren ca. 1628,  was een dochter van Cornelis Balen Mathijsz. en Elisabeth van Dorsten Fransdr. en een nicht van de geschiedschrijver Matthijs Jansz. Balen. (M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht [Dordrecht 1677], deel II, p. 1353-1354)

Kerkenraad Doopsgezinde gemeente Dordrecht, censuur: "Samuel van Hoochstrate schilder, is hier den 17 sept. 1656 van de gemeente afgezonderd, omdat hij hem op verscheijde manieren aengestelt had en eene vrouw getrouwt, die buiten de gemeente is". (Geciteerd in M. Roscam Abbing, De schilder en schrijver Samuel van Hoogstraten 1627-1678. Eigentijdse bronnen en oeuvre van gesigneerde schilderijen [Leiden 1993], p. 50.

ORA Dordrecht inv. 787, f. 128 e.v.: op 26 sept. 1671 compareert Cornelia van Baelen, weduwe en boedelhoudster van Johan Cop, in zijn leven notaris en procureur te Dordrecht en verkoopt aan [haar zwager] Samuel van Hooghstraeten een huis, erf en toebehoren, staande en gelegen in het Steegoversloot tussen het huis van de erfgenamen van kapitein Aernout de Vries en dat van Steven van Esch "glaesmaker", voor 2000 gl. contant. Het huis is belast met een recognitie van 6 gl. jaarlijks, te betalen aan de stad Dordrecht voor het gebruik van en de uitgang van het erf achter het voornoemde huis, uitkomende in het Hof, welke de koper verklaart over te zullen nemen.

NG trouwboek Dordrecht 19 mei 1658: Johan Cop notaris en procureur te Dordrecht jongman wonende in het Steegoversloot en Cornelia Balen jonge dochter wonende in de Nieuwstraat beiden van Dordrecht, op ons bescheid getrouwd te Oud-Alblas 2 juni 1658

ORA Dordrecht inv. 69, f. 61: rekest van Samuel van Hoogstraten aan burgemeester en regeerders van Dordrecht (ca. 6 nov. 1673): Van Hoogstraten, ingeboren burger van Dordrecht, geeft te kennen, "dat hij suppliant eenigen tijt gereijst, ende ook gewoont hebbende buijten dese Stadt, echter gemeijnt hadde, sijn Borgerrecht daer door niet te sijn gekrenckt. Ende dewijle bij U Ed. Achtbs. anders is verstaen, soo keert hij suppliant hem tot de selve, met gedienstich versoeck, van hem suppliant in sijn natuijrlijck ende aengebooren borgerrecht op de maniere ende ordre daer toe beraempt, te herstellen ... Stont voor apostille: De Camere accordeert den suppliant sijn versoeck ende verclaert dat van nu voortaen sijn ingeboren Borgerrecht met volcomen Effect komt te reviveren. Actum den VIen november 1673".]

inv. 7, f. 13v, 8 febr. 1657: herbergen buiten de stad

 ... sullen de selve Broeders [nl. enkele predikanten, ouderlingen en diakenen, als afgevaardigden van de kerkenraad] de heere Borgemeester ... geven in bedencken, of niet de herbergen buiten de stadt souden dienen vermindert ende wat beter gereguleert te werden, gelijck sulx al voor desen bij de heeren van de Regeringe in behoorlijke achtinge ende consideratie genomen is. [cf. acta van 18 mei 1656]

Jan Steen, Prinsjesdag (ca. 1665). In een herberg wordt de tiende verjaardag van prins Willem III gevierd. Steen heeft zichzelf geportretteerd als ťťn van de "oranjeklanten", nl. de proostende man in het midden.

inv. 7, f. 21, 5 juli 1657: Servaes van Meeuwen

Servaes van Meeuwen in groote oneenigheijt met sijne nichte levende sal voor de presente EE Broederen morgen avond ontboden werden. In margine: factum.

[Servaes, zoon van Jacob Jacobsz. van Meeuwen, koopman en Caterijne Servaesdr. Valť (de Valee), geboren naar schatting ca. 1600.

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 19 sept. 1655: een baar in de Vriesestraat voor de vrouw van Servaes van Meuwe bakker, "e[e]ns luiens" 

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 16 febr. 1669: een baar in de Vriesestraat op de hoek van de Sarisgang voor Servaes van Meeuwen bakker]

inv. 7, f. 24v, 9 aug. 1657:  [Onordentelijkheden omtrent het trouwen]

Alsoomen omtrent het trouwen eenige ontstichtelijcke onordentelijckheeden heeft vernoomen, is goedtgevonden vooreerst de koster aan te seggen dat hij voortaan geene stoelen, die van buijten in de kerke gebracht worden, voor eenige bruijden setten sal onder de predikstoel. Daarbeneven dat ontrent het schandaleus te laat  koomen soo van Bruijdegoms als van Bruijdts als ook van eenige nieuwe ceremoniŽn en pompeusheeden, die de kerckenraedt met droefheijt ontrent het brengen der Bruijden voor de predikstoel gesien heeft en in de kercke Jesus Christi niet verdragelijk oordeelt in sonderheijt in dese bedroefde coniunctuere van tijdt [nl. de pestepidemie van 1656-1657] datmen de Achtbare Heer Burgemeester sal bekent maaken en met Sijn Edel Achtbaarheid overleggen wat best sal  gedaan dienen om sulke inkruijpende en seer aanstootelijke nieuwigheeden met order en ernst tegen te gaan.

inv. 7, f. 25, 16 aug. 1657: Opschortinge van teeringen

Bij dese bedroeffde tijden van de besoeckinghe des Heeren [de pestepidemie] zal van wegen dese Tafel aende Heere Burgemeester versocht werden dat bij publijcke authoriteijt alle publijcke vrolijcke maeltijden van Teeringhe van Schutterijen, vande CompagniŽn, vande Buerten ende Gilden midtsgaders oock die teeringhen die de jonghmans menichmael oock seer onmatich doen, vande geschencken over de gedane  begravingen, mogen opgeschort werden.

Bijeenkomst van de Schutters (Amsterdam).

["Afhankelijk van de financiŽle middelen van het gilde, stemden de confraters over het al dan niet organiseren van een vrolijke maaltijd. Eťn keer per jaar gingen de gildenbroeders zich aan een ware slemppartij te buiten, die 1 a 2 dagen duurde ... De Dordtse kerkenraad nam vanaf 1625 maatregelen tegen dergelijke maaltijden, of die nu door de gilden, de schutterijen of de buurtschappen werden georganiseerd, maar zonder al te veel succes. Dat blijkt ook uit de rekeningen van de gilden, waarin bestedingen aan de vrolijke maaltijd vrijwel ieder jaar terugkeren." (Frijhoff, o.c., p. 233)]

inv. 7, f. 31, 6 nov. 1657: Orgenist

Cools de Orgenist, die men verstaet tegen wille van sijn vader abusivelick te Bergen op Zoom of daer ontrent getrouwt te wesen, sonder hier eenige huwelicksgeboden gehadt te hebben, sal tegen donderdach naestcomende voor de Vergaderinghe ontboden werden.

inv. 7, f. 31:  6 nov. 1657 Nicolaes avonden

Tegen Nicolaes avonden ende diergelijcke pauselicke superstitiŽn, die wederom hier meerder dan eenigen tijt herwaerts inbreken, sal in het toecomende oock meerder werden gereguleert.

Sint Nicolaasfeest (Jan Steen, ca. 1660).

inv. 7, f. 31: 6 nov. 1657 [weduwen die willen hertrouwen]

Is verstaen ende goetgevonden, dat in [het] toecomende niemandt int particulier sich sal inlaeten om de Ed. Heere Borghemeester te recommanderen eenige weduwen, dewelcke binnen den tijdt van negen maenden willen trouwen, maer vriendelijck versoecken aen de Ed. Heere Borghemeester, dat doch de ordre bij de Ed. Heeren Magistraet gemaeckt, mach worden onderhouden, ende sonder gewichtige redenen niet en worden verbroocken ...

inv. 7, f. 42v: 25 april 1658 [Servaes] van Meuwen

Op de klachte van Van Meuwen inde Vriesestraet over zijn stieffdochter, zijn huijsvrouwen dochter, vermits haer gewelt ende dagelijckschen overlast, sal overmorgen avond ontboden ende hertelijck bestraft werden.

inv. 7, f. 44v, 23 mei 1658: Bidden ter begraefnis op Zondagen

Aengaende tbidden over de dooden op Sondach is gerapporteert, dat de heere Borgemeester had aengenomen met de heeren van den gerechte daer van te spreecken

inv. 7, f. 44v, 23 mei 1658: Guijchelrijen [waarzeggerij]

Is voorgestelt, of niet goet ware met de Heer Borgemeester te spreeken dat op jaermarckten alle schouspelen en vertooninge en quijchelrijen mochten geweert werden. Is geresolveert en in tegenwoordich en toecomende sulckx bij de heeren te stuijten.

[Cf. Leviticus 19:26: "Gij moogt u niet inlaten met waarzeggerij ["guichelarij" in de Statenvertaling] of dodenbezwering."]

inv. 7, f. 48v, 8 juli 1658: [Servaes van] Meuwen

De dochter van Servaes van Meuwen heeft versocht, dewijlse seer geslagen was, datse mocht van hem vertrecken, menende een gelegentheijt van seekere wooninge bij een weduwe daerse stil en in vrede mocht woonen. Is goet gevonden datse nademiddach alhier sullen ontboden worden.

inv. 7, f. 48v, 8 juli 1658: Sabbat schendinge

Is in bedenckinge genomen om verder te letten op de schendinge van den Sabbath, buijten de Sluijspoort, in het hacken van coeck, daer de jonge jeucht onder de predicatie op verscheijde plaetsen bij een comen, en veel grouwelen daer plegen, als oock mede op den herberge ontrent het huijs van Cotermans buijten de Vriesepoort. Daer op sal ordre gestelt werden inde toecomende vergadering. [Koekhakken: "Voor dit behendigheidsspel werden speciale koeken gebakken. De kunst was de dunne, zeer platte en zeer taaie koeken door middel van een paar welgemikte slagen met een bijl in stukken te slaan." (A. Balm, J.W. Boezeman, J. Visscher, Huijbert du Sair, een deugniet of pechvogel. In: Oud-Dordrecht 2005, nr. 2, p. 77.)]

inv. 7, f. 67, 13 maart 1659: Paapsche insolentiŽn

Alsoomen verstaat dat in het huijs van de heeren van de Chambre mi partie van de Spaansche zijde noch veele burgers worden ingelaaten tot de misse en oeffeninge van de Paapschen Godsdienst, soo is goedtgevonden de heeren Schout en Burgemeester hier over te begroeten en te versoecken prompte remedie tegen dit quaadt ... (Factum).

inv. 7, f. 76,  juni 1659: Weerd in de Colff [Rederijkers]

Becius de weerd in de Colff op een avond bij de Broederen verscheenen zijnde geweest is geopent, dat hij de broederen niet wel, maer lichtveerdichlijck ende oneerbiedichlijck heeft bejegent, waer op gelettet zijnde, is geresolveert Becium wederomme te ontbieden, ende over zijn oneerbiedighe bejegeninghe opnieuws te corrigeren, ende tot affstand ende verbeteringe te vermaenen, over het verhueren van zijn Camer. Ende hem daer tegenstellende het Avontmael des Heeren werden opgeseijt. Ten anderen zal de heere Burgemeester op haer Christelijcke verbodt van de Rhetorijckers Camer, die nu wederomme inde Colff met groote stouticheijt wert aenghestelt, [verzocht worden die] te doen sluiten. Ten derden zal men letten wat personen van de Camer littmaten zijn, oock selve des noots sijnde door Becium, die gehouden sal sijn deselve bekent te maken ende die ontboden tot affstand van dien vermaent ende weijgerende van de Tafel des Heeren affgehouden werden. [Becius en zijn vrouw weigerden vervolgens voor de kerkenraad te verschijnen. Hun werd op 10 juli 1659 door de kerkenraad de toegang tot het Heilig Avondmaal ontzegd. (idem. f. 78v)]

Jan Steen, De Rederijkers.

inv. 7, f. 124v, 30 sept. 1660: Opscrift [sic] op een zarck in de Groote Kerck [Katholieken]

Volgens de acte van den 31 augusti, sprekende van een grafsteen met copere randen, daer in staet: bit voor de Siele, is gerapporteert dat dat selve was geremedieert en dewijl noch eenige andere bevonden worden, is goet gevonden dat daer oock op gelet sal worden.

inv. 7, f. 217, 17 mei 1663 Formulier inde publijcke gebeden. [Prins van Oranje]

Is de E.E. vergaderinge aengedient hoe dat de Achtb. Heeren van de Regeeringe namelijk den Achtb. Heere Burgemeester nevens de Heere out-burgemeesters de Heere van Barendrecht en de Heere van Naaltwijck geassisteert van den Heere Pensionaris Slingelant de Broederen Predicanten ten huijse van den Heere Burgemeester ontbooden hadden en aengeseijt uijt naam van de Groot Mogende Heeren Staaten van Hollant dat men sich na het formulier in de drie eerste pointen souw hebben te reguleeren formaliter. Dat oock de Achtb. Regeringe en Outraet van Dordrecht hadde goet gevonden de Broederen Predicanten aen te seggen dat haer Ed. Achtbaerheden verstonden dat men in de publijcke gebeden geen bijsondere persoonen, oock de name van den Prince van Orangien niet en souwde gedencken. Dat hier op de Broederen Predicanten nae rijpe deliberatie hadden geresolveert sich te submitteeren onder de resolutie van de Achtb. Regeringe ende Outraet van dese stadt ende diende dese notificatie.

["Op 13 maart 1662 namen de Staten van Holland het zogeheten 'nieuwe formulier' aan, dat iedere predikant woord voor woord moest volgen wanneer hij de gemeente opriep te bidden voor de overheden. Niet langer stonden de Staten-Generaal bovenaan, maar de Staten van Holland, 'als zijnde de ontwijfelbare souverein en, naast God, de enige hoge overheid van deze provincie'. Daarna kwamen de Statenvergaderingen van de andere provincies, als soevereine evenknieŽn en ten slotte de Staten-Generaal en de Raad van State. De Prins van Oranje kwam in het hele verhaal niet voor." (Panhuysen, De ware vrijheid., p. 243)

inv. 8, 26 mrt. 1665 [Margarita Libert]

Margriet Libert huijsvrouw van Philips de Bont, die van haar is weggeloopen, heeft versogt ten H. Avondmaal toegelaeten te mogen werden, seggende buijten eenige schult te sijn. De E. Vergaderinge heeft verstaen dat sij sal afblijven tot nader aenzegginge en dat ondertusschen D. Franken dese sake verder sal ondersouken en daar van rapporteren.

inv. 8, 31 mrt. 1665 [Margarita Libert]

Rapport gedaen zijnde over de saake van Margariet Libert, dat de selve met haer man is hant gemeen geweest, ende in haer verschill met den selven oock in groote schult bij de buren gestelt wort, is geresolveert haer tegen den naeste donderdagh te ontbieden, ende met haer te handelen na behooren.

inv. 8, f. 6v, 31 maart 1665 Christijntje Isaaks [necromantie]

Christijntje Isaak j.d. woonende in de Oud-Bree-straet, hebbende haer verloopen in Spookerijen aen te nemen en vragen aen de dooden (soo sij seijt), sall ontboden worden tegen den naesten donderdagh, en sall dan haer worden aengeseijt van't Avontmael tot nader orders sich te abstineren.

inv. 8, f. 7v, 2 april 1665 Christijntje Isaaks

Christijntje Isaaks heeft versocht dat haer saake door particulire leden van dese Eerw. Vergaderinge mogte worden afgedaen, als sich niet bequaem vondt om voor dese vergaderinge te spreeken. De vergaderinge verstaet haer versoeck soo ver in te willigen, dat door gedeputeerden sall aengesproocken worden ... die de saake sullen ondersoecken, ende evenwel haer disponeeren om alhier te verschijnen.

inv. 8, 2 april 1665 [Margarita Libert]

Margriet Libert is aengeseijt van het Avontmael tot nader ordere te abstineren ende ondertusschen vermaent met haer man na vermoogen te bevredigen [= zich te verzoenen]. De selve ontkent 't gene tegen haer getuijcht was, waerop de predicant van 't quartier is aenbevolen, de saake noch eens te ondersoeken, ende tegen naeste Donderdach met rapport te dienen.

[NG trouwboek Dordrecht 8 nov. 1637: Christoffel Bordels weduwnaar [van Janneke Gerritsdr. van Toll] van Dordrecht met Grietje Gillis jonge dochter van Luik beiden wonende in de Visstraat, getr. in Zwijndrecht op 29 nov. 1637

Idem 13 juni 1649: Joost Dircksz. varend gezel jongman van Tiel wonende op de Nieuwe Haven met Margarita Jelis, van Luik, weduwe van Stoffel Bordels wonende in de Visstraat, bescheid gegeven om in Brandwijk te mogen trouwen, zijn daar getrouwd op 27 juni 1649

Idem 3 juni 1663: Philip de Bonte tegelbakker weduwnaar van Leiden wonende op de Riedijk met Margriet Libert weduwe van Joost Dirksz. wonende in de Visstraat, getr. Westmaas 17 juni 1663

ONA Dordrecht inv. 236, f. 239, akte dd 18 juli 1675; Margarieta Libert, vrouw van Phillippus de Bont, tegenwoordig uitlandig, verhuurt aan Hendrick Spruijt, burger van Dordrecht, een huis in de Visstraat, genaamd "de Weijman", staande tussen het huis van Johannes Schepens en dat van Aert Heijmansz. van Outheusden, voor 6 jaar en 9 maanden, ingaande op 1 aug. 1675, voor 160 gl. per jaar. Libert tekent met een kruisje.

ONA Dordrecht inv. 442, f. 261 e.v., akte dd 19 dec. 1678: Margarita Liebert, weduwe van Philip de Bont, heeft op 16 dec. 1678 aan Lambertus van Bree, meester-kuiper te Dordrecht, voor 3 achtereenvolgende jaren verhuurd een werkhuis met plaats en "vier-kamer", staande achter het huis, waarin verhuurster woont, genaamd "de Landskroon", staande op de Varkenmarkt, voor 66 gl. per jaar.

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 22 sept. 1679: een baar voor Margriet Libert tapster op de Varkenmarkt]

 inv. 8,  f. 72, 2 juni 1667 Margarita Libert [blasfemie]

Is gehandelt van Margarita Libert sijnde seer scandaleus ende blasscheme [sic] van monde, de welke dicwils vande broederen aengesproocken, niet en betert, sal ontboden worden in dese vergadering, ende dan voorts op te leggen.

inv. 8, f. 73, 9 juni 1667 Margriet Libert

Margariet Libert ontbooden zijnde hier te verschijnen heeft geantwoort, op een seer vreemde wijse. Hier over heeft de Vergaderingh goetgevonden, haer noch eens te gaen spreecken ten huijse van Ravesteijn, om (soo het mogelijck is) haer van hare periculeuse opinien nader te onderrichten. Ende sullen dit doen D. Dibbetius, Ravesteijn, Rolandus, ende d'hr. Rees ende frater Sebergen.

 

inv. 8, 11 aug. 1667 Swemmen in ende dicht aen onse Stad

Dewijl vernomen wert dat in onse havens ende dicht ontrent onse Stad niet alleen jongens, maer oock volwassen personen koemmen, ende haer selven voor aller oogen naeckt, tegen eerbaerheijt, ende seer schandelick vertoonen; dat oock op Sondagen de begravenissen weder beginnen in te breken, is noodich geacht D. Praesidem Vrechemium ende den Scribam over het eerste den Heere Schoutet ende over't ander den Heere Borgemeester te begroeten ende remedie daer tegen te versoecken.

Nicolaes Maes, Zwemmende jongens

inv. 8, 1 sept. 1667 Margrieta Lijbert [Libert; blasfemie]

Margrieta Lijbert, sustinerende ongerijmde dingen, als datter geen Salichmaker oijt geweest is, ende dat sij [zelf] ... de middelaerster is, ende meer diergelijcke herseloose dingen, die meer nae krancksinnigheijt als ketterije smaecken, heeft de vergaderinge goetgevonden, dat de Heere van Meerdervoort, als officier [= schout] sal werden gerecommandeert de schendinge ende lasteringe van Christi name, ende profanatie vande dach des Heeren, nae vermogen te verhinderen, ende sullen de leden wesen gelast, den voorschreven heere bekent te maken 't gene sij van haer, nopende de geseijde exorbitantiŽn, sullen vernemen ende gewaer werden.