HEREN VAN UDEN



www.vanudenstichti
Dit is de html-versie van het bestand http://www.vanudenstichting.com/documents/publikaties%20oude%20van%20stichting/heren.pdf.
G o o g l e maakt automatisch een html-versie van documenten bij het indexeren van het web.
Gebruik de volgende URL om deze pagina aan je Favorieten toe te voegen of ernaar te linken: http://www.google.com/search?q=cache:kDapXpKrySoJ:www.vanudenstichting.com/documents/publikaties%2520oude%2520van%2520stichting/heren.pdf+poorters+van+Den+Bosch&hl=nl


Google heeft geen banden met de auteurs van deze pagina en is niet verantwoordelijk voor de inhoud ervan
Deze zoektermen werden geselecteerd:  poorters  van  den  bosch 

Page 1
1
Op zoek naar de vroegste Heren
van Uden
DOOR
P. DE GROOT VAN ZOGGEL
UITGAVE VAN DE VAN UDEN 5TICHTING
Sekretariaat Alexanderlaan 6, Apeldoorn
2
TEN GELEIDE
Gaarne voldoe ik een het verzoek van de familie stichting Van Uden, dit geschriftje Op zoek
naar de oudste Heren van Uden van een inleidend woord te voorzien.
Het doet mij veel genoegen te mogen constateren, dat de heemkunde in ons stamdorp, de
aloude heerlijkheid Uden, zo intensief wordt beoefend. Het is ook te begrijpen, dat men
gaarne mr zou willen weten over de oudste Heren van Uden, die zekerlijk hebben bestaan,
maar waarover tot het einde der 13e eeuw zo weinig bekend is.
Het is een grote verdienste van de Heer P. de Groot van Zoggel, bekend vanwege zijn
interessante causerien over het Land van Ravenstein, dat hij hetgeen thans bekend is, heeft
samengebracht en wij enig licht zien in dit boeiende vraagstuk.
Ik hoop, dat dit geillustreerd geschriftje moge bijdragen tot meer belangstelling voor
heemkunde, geslachts en wapenkunde en vooral de van Uden s betreffende, voor onze
familie stichting. De meeste mensen weten niet hoe hun overgrootouders heten, laat staan
hoe deze hebben geleefd en wat ze hebben beleefd. Dat is gebrek aan piteit, een der
negatieve symptonen van de z.g. moderne tijd. De mensen doen deze culturele verarming
zichzelf aan, want niets weerhoudt hen de familie samen te bundelen en haar zelfs als
zodanig rechtspersoon te doen verlenen. Ongetwijfeld heeft een familie vereniging of
stichting, in de ruimste zin een pedagogische waarde voor de leden der familie en ze biedt
vele mogelijkheden van praktische aard. Overigens, de wetenschap van de oorsprong,
opvolging en verwantschap der geslachten, de genealogie, is zeer oud hetgeen we in de
Bijbel kunnen ervaren, waar we vele genealogien aantreffen en waar steeds betreffende
personen attentie wordt gevraagd voor het geslacht. Oudsher voelde het individu zich
geborgen in het geslacht en betekende het geslacht veel en dat niet alleen bij de volkeren
van de orint, maar ook hier bij ons, hetgeen duidelijk tot uitdrukking komt in het oud
germaanse erfrecht.
Wij mogen constateren, dat steeds meer familie verenigingen worden opgericht en ook de
van Uden stichting heeft veel belangstelling en zulks is begrijpelijk; au fond is de mens een
sociaal wezen van nature geneigd in collectiviteit geborgenheid te zoeken.
Een familie vereniging zal daarom alttjd belangstelling trekken.
OP ZOEK NAAR DE VROEGSTE HEREN VAN UDEN
Het spreekt vanzelf, dat men achter de naam Heerlijkheid (1) UDEN ook een Heer van Uden
zoekt.
De naam Heerlijkheid Uden komt zo vaak in oude charters voor, dat men over haar
werkelijk bestaan geen twijfel behoeft te koesteren .
Dus behoeft men dat over het bestaan van een HEER van UDEN evenmin. En toch: nergens,
letterlijk nergens in de omvangrijke bundels der Charters van het Land van Ravenstein,
waarin die van Uden, als deel van dat Land, zijn opgenomen, is er sprake van een Heer van
Uden, in de zin, die wij daaraan geven.
Als er sprake is van de Heren van Uden zijn dat vreemde geslachten, als de graven van
Cuyk, van Valkenburg en de hertogen van Kleef. De chte Heren van Uden, die hun naam
ontleenden aan one dorp, zijn niet te vinden in hiervoor genoemde officile bescheiden als
onze geschreven geschiedenis begint.
Dat feit heeft ons geintrigeerd en gekweld, sedert we ons intens met onze eigen dorpshistorie
bezig hielden. Want: voorname adelijke personen met de achternaam van Uden zijn er
zoveel, dat men er duizelig van wordt en wat mr zegt, zelfs uit een tijd dat de naam UDEN
nog nergens officieel vermeld staat.
Hoe kwamen zij aan die naam?
Waren zij de nakomelingen van de oorspronkelijke Heren van Uden, die hun voorvaderlijk
erfgoed om de n of andere reden zijn kwijt geraakt?
Dat is het probleem, hetwelk voor ons oprijst, als wij beginnen aan de geschiedenis van
Uden, die zich afspeelt vr hat jaar 1191; allicht tot de tijd van Karel de Grote en nog
vroeger teruggaat tot de komst der Salische Franken bij het in bezitnemen van deze streken.
3
Het jaar 1191 is hier een eindpunt; het jaar waarin een Hendrik van Cuyk zijn goed Herpen
aan de Hertog van Brabant opdraagt en het als leen terug ontvangt. Blijkens alles, wat er
verder bekend is, was de Heerlijkheid Uden, daarbij toen al begrepen; hieruit zal later het
Land van Ravenstein ontstaan.
(1) Heerlijkheid wil zeggen: Adelijke bezitting in de tijd vr de Franse revolutie.
Zie verder.
Van Heren van Uden is bij deze opdracht al geen sprake meer, evenmin als van de
oorspronkelijke Heren van Herpen. Of was misschien Sophia van Herpen, de laatst
overgebleven erfdochter dezer heren? Aan die mogelijkheid moet beslist aandacht
geschonken worden. De Heren van Uden spelen er echter helemaal geen rol meerbij; ze zijn
in 1191 al lucht voor hen.En toch leefden zij, of hun nakomelingen.
Waarom vinden we in de leenboeken allerlei namen van Heren van heerlijkheden om Uden,
maar niet eenmaal die van een Heer van Uden?
Dat ze bestaan hebben, weten wij dus met zekerheid en Dr. van Schijndel heeft ons
verklaard waarom we ze in de leenboeken niet kunnen vinden: Uden was een allodiale of
vrije heerlijkheid. Allodiale of vrije heerlijkheden waren die, welke geheel onafhankelijk waren,
zonder een opperheer te hebben of rechtstreeks aan de souverein des Lands hulde en trouw
te moeten zweren. Deze heerlijkheden waren de oudste. De familie s Haengreve, de Rover,
van Staekenborch, van Gerwen, van Gemert, van Erp o.m. bezaten dergelijke vrije
heerlijkheden, o.a. in de Meierij van Den Bosch. Leengoederen waren dorpen, heerlijkheden,
landen, bossen en weiden, zelfs ambten (bijv. de familie Van Heessel bezat erfelijk het ambt
van secretaris van Peelland en nog zeer veel heerlijkheden o.a. St. Oedenrode).
Volgens Dr. van Schijndsl kost drom van Uden niet in de leenboeken voor, omdat het
transport in familie werd geregeld. Wij vinden zulks een logische verklaring, (1) inzake de
betekenis ener heerlijkheid.
Wij gaven ter Uwer orientering van Schijndel nog even het woord:
(Aanhaling uit zijn werk: BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS VAN STABROECK ) :
Een heerlijkheid was het beste te vergelijken met een kleinstaatje. De wetgevende,
rechterlijke en uitvoerende macht berustten, zo niet onmiddellijk, dan toch indirekt in handen
van de Heer. Hij was het, die de keuren voorschreef; de schepenen werden reeds spoedig
door hem benoemd en dit college, vroedschap genaamd, spande de z.g. vierschaar en
sprak in zijn naam recht. De schout, ook door de heer aangesteld, executeerde in zijn naam
de vonnissen der vierschaar. De Heer was in een woord volstrekt meester en was eigenaar
van alles, wat niet aan een ander toebehoorde.
(1) Men zoeke in de Brusselse leenboeken, maar Uden behoorde oudsher onder Cuyk dat een Rijksgraafschap was
en te Grave werden alle civiele zaken afgedaan, ook werden daar de lenen verleend, wat o.m. te lezen is in een
placcaet door de Hoogmogende Heren der Staten van Holland van 20 augustus 1609 (Paringet Memoriaal, pag.
4 5, 1e deel). De archieven van Cuyk zijn geheel verbrand in t jaar 1597 te Gennip, waar ze in de 80 jarige oorlog
heen gebracht zijn. Daardoor Is er veel kostbaar materiaal verloren gegaan.
Dr. Th.Goossens publiceerde in Hist. Tijdschrift 6e Jg. een akte waarbij twee
gebroeders de Haren, inwoners van Den Bosch, een plek grond (aream), gelegen in de
Hinthamerstraat, tussen hun huis en dat van Simon, genaamd Pertshoeft, verkopen aan
Gerard van Uden, zoon van Ludolf. Die akte was gedateerd 1297.
Deze Gerardus moet omstreeks 1260 geboren zijn en het geboortejaar van Ludolf raakt al
aardig aan dat jaar 1191.
Dr. Goossens meent, dat deze Gerardus toch wel kan doorgaan voor de stootgever tot de
oprichting van O.L.V. Broederschap in 1318. want, zo argumenteert hij:
1. Geen der oprichters wordt bij name genoemd, allen samengevat onder de
verzamelnaam: clerici et scholares ;
2. Bovendien komt in de oudste rekening dezer installing de navolgende post voor, die
aangeeft, dat deze Gerardus toch wel een bijzondere positie innam:
idem van Wouter van Bladel 16 st. ende dese nam ic bi sinen wille van den 50 lib, die wi
onder hebben van Gherarde van Uden ;
immers deze som was vrij aanzienljjk.
4
Dit ter bestrijding van de mening van J.C.A.Hezemans in zijn publikatie over de Ill. O.L.V.
Broederschap, die zijn stichtersschap ontkende. Maar zeker onjuist is de betiteling van Mr.
J.R.Hop, bij de herdenking van hat 500 jarig bestaan der Broederschap, toen hij onze.
Gerard van Uden ook nog Heer van Herpen maakte.
Hij was dat toen n.l. in 1318, noch van Uden, noch van Herpen, omdat beide heerlijkheden
reeds lang weer andere Heren hadden.
Waar kwamen die toenmalige heren van dorpen en zelfs gehuchten vandaan?
Ze duiken overal in Oostelijk Brabant op in de alleroudste
giftbrieven aan abdijen. Velen worden er genoemd in het z.g. testament van St. Willibrord.
Voor onze streek is het eerste teken van hun bestaan gelegen in een giftbrief aan de abdij
van Lorsch, uit het jaar 782/83. Ze worden dan onder de verzamelnaam van franci homines
aangeduid, d.i. Frankische mannen.
Volgens de algemeen aanvaarde opvatting zijn deze Frankische mannen de leiders geweest
van de Frankische bevolking, die sedert het wegtrokken der Romeinse bezetting tussen 275 -
350 deze streken overheersten en de oerbevolking, die nog gebleven was, als horigen, zo
niet als lijfeigenen beschouwden. Van een centraalgezag was nog weinig sprake.
Eerst ongeveer twee eeuwen later wist Glodovesh (466 - 511) beter bekend als Clovis, een
Frankenrijk te stichten met Doornik tot hoofdstad. Dat ook deze streek in zijn rijk was
opgenomen is geenszins zeker. Eerst onder Karel de Grote (742 - 814) kan men van een vrij
behoorlijk georganiseerd Rijk spreken.
Zijn zendgraven zagen toe op het toen ingestelde schepenbestuur van belangrijke plaatsen.
De voornaamsten van de Franken kregen deze, of een andere bestuursfunktie in Karels
uitgestrekt gebied, dat half Europa omvatte. Doch toen na zijn dood het centrale gezag
verzwakte, gingen deze bestuursambtenaren zich onafhankelijk gevoelen; werden hun
ambten erfelijk. Daarna gaven ze grote stukken land in leen aan; we zouden ze zetboeren
kunnen noemen. Zij hadden te midden der primitieve woningen der overigen, wat ruimere en
aanzienlijkere woningen, die de oorsprong werden van de talrijke kasteeltjes uit de vroege
middeleeuwen.
Aanvankelijk waren deze behuizingen alleen maar grote hoeven, waar de bezitter zich een
koninkje kon voelen van een min of meer groot gebied.
Zo wagen wij te veronderstellen, dat er in onze gerneente nog vier aanwijsbaar zijn,
n.l. : op Moleneind de Hoge Burcht; op Duifhuis die Wedehaghe; op Zoggel de Hulst en het
z.g. Kasteeltje op de Vorstenburg, dat de Kruisheren in 1638 aankochten, toen zij zich hier
vestigden en waar nu de gebouwen der abdi,j van de Birgittinessen staan. Deze Zusters,
navolgelingen van St. Birgitte van Zweden, wonen reeds meer dan 250 jaren te Uden.
De beste beschrijving van de bewoners dezer streek, toen en gedeeltelijk ook nu nog
toepasselijk, vind ik deze:
De Brabanders zijn de nakomelingen van de Salische Franken, die zich vermengd hebben
met de in die streken reeds woonachtige Germaanse en Keltische stammen.
Van de Franken hebben we misschien het langgerekte geveltype en ons vermaard
driehoekig Marktplein, van die oudere bewoners het kortgeveltype dat in onze gemeente nog
opmerkelijk veelvuldig voorkwam en nog voorkomt.
Zonder twijfel waren de oudste Heren van Uden als afstammelingen van de Graven van
Cuyk, evenals deze Franci homines hiervoor genoemd.
In het Charter van 782/83 bezaten ze nog geen familienaam. Daarin komen alleen de
typische vroeg middeleeuwse namen voor; sommigen ervan al aardig verlatiniseerd, hetgeen
tevens wijst op hun overgang naar het Christendom. Zo worden daarin genoemd:
Alfger, Lantfridus, Ansfrid, Wolfhart, Ansbold, Geravan, Runfridus, Wigbaldus, Walefried,
Wido, Albger, Hildirat, Selirat en Baldericus, zonder verdere aanduiding.
In het Charter van 1191, vier eeuwen later, komen 7 vazallen voor allen met familienaam, in
zoverre was dus de maatschappelijke ontwikkeling voortgeschreden.
Het waren:
Theodorus de Batenborg, Robertus de Litte, Egno de Haren, Hubertus van Beusichem,
Albertus de Langel, Godefridus de Herpen en Hermanus van Loon.
Een van Uden was er niet bij. Of was Godefridus van Herpen ook Heer van Uden?
Zeker behoorde Uden toen nog onder oppergezag van Cuyk, maar of de vroegste Heren van
Uden toen hier nog iets te zeggen hadden, is weer een andere vraag.
5
Immers:
Alle van Uden s, die als schepenen van Den Bosch bekend zijn voerden een wapen, dat in
zijn grondvorm precies gelijk is aan het tegenwoordige wapen van Cuyk, afkomstig van hun
vroeger gravenhuis. Het is een schild in geel, door twee rode dwarsbalken in drieen verdeeld
en op die drie velden bevinden zich respektievelijk drie, twee en drie merleten (merels) in
rood.
Geautoriseerd van Uden wapen, voorzien van het Grootkruis van de voor het Nederlands Taalgebied Militaire Orde
van St. Salvator en St. Birgitte van Zweden. Heraldisch is het geoorloofd, dat een Ridder grootkruis of een
Commandeur in enige Orde het kruis onder aan het wapen bevestigt, waarmede het dus persoonlijk wordt, in dit
geval van Z. Exc. de Kanselier van genoemde orde Dr. C.L.A. van Uden. De Orde van St. Salvator en St. Birgitte van
Zweden is een der voornaamste Ridderlijke Orden. Zo behoren zeer veel Staatshoofden en ex-staatshoofden tot
deze Orde, o.m. President John F. Kennedy van de U.S.A., Z.M. Leopold III, Koning der Belgen, Z.D.H. Prins Reinier
III van Monaco, enz. enz. Ook veel kardinalen e.a. hoge Prelaten, diplomaten en geleerden maken er deel van uit.
Het Wapen Van Uden is in was en in zilver aanwezig op het Gemeente archief te s-Hertogenbosch uit het jaar 1397
e.v.
Dr. Hermans heeft dit zegel in zijn Charters laten afdrukken en het voorzien van het
onderschrift: het oude wapen van Uden. Waar hij deze kennis vandaan haalde is mij
onbekend, maar ik veronderstel, dat hij het heeft overgenomen van de nog bewaard geble-
ven schepenzegels in was en zilver in de archieven van Rijk en gemeente te
s-Hertogenbosch.
Uit de grondvorm van dit schild is zonder twijfel af te leiden, dat de oorspronkelijke Heren van
Uden behoorden tot de familie en de heerbaan der Graven van Cuyk.
Als de acht merletten wijzen op hun acht onderhorige baanridders, waarvan er zeven
genoemd worden in het charter van 1191, dan zou Uden de achtste kunnen zijn. (De balken
uit het wapen wijzen naar het geslacht van Loon, of ook wel Looz genoemd.)
Hieraan moet aanstonds worden toegevoegd, dat het z.g. oude wapen van Uden in de
linkerbovenhoek een vierkant schildje heeft, een z.g. vrijkwartier, dat drie open
mispelbloemen draagt op een hemelsblauw veld. Een der merletten van de acht van het
wapenschild der van Cuyks wordt daarmee bedekt, alsof de vroegste Heren van Uden
daarmede te kennen willen geven nu niet meer tot hun heerbaan te willen behoren?
De drie mispelbloemen zouden een verwijzing kunnen zijn naar de drie gehuchten, waaruit
het oude Land van Uden steeds bestaan heeft n.l. Uden, Zeeland en Boekel.
En dit aparte schildje, dat als het ware een vaarwel is aan de opperheerschappij van Cuyk, is
gelijk aan het oude wapen van Gelder. En daarmee brengen we wat licht in de duistere
geschiedenis van de vroegste Heren van Uden en hun volkomen afwezigheid in officiele
stukken van voor 1288.
6
En wel het volgende:
De Cuykse Graven hebben eeuwen lang als rivalen en gelijken van de Graven van Holland
en de Hertogen van Gelder met deze Heren overhoop gelegen. In 1132 vond bij n der
schermutselingen met Holland de jonge Floris de Zwarte, broeder van de regerende Graaf,
de dood onder de muren van Utrecht. Zijn broer de Graaf van Holland, hield zich daarover
ten zeerste verbolgen en ofschoon Floris voor hem een lastpost betekende en hij politiek
gezien, blij mocht wezen van hem af te zijn, zond hij een strafexpeditie naar de Cuykse
landen.
Het Land van Cuyk werd verwoest; de Hollanders maakte er een verschroeide aarde van.
En ook de aloude Cuykse burcht werd met de grond gelijk gemaakt. Herman van Cuyk werd
met zijn broers, Andreas, Bisschop van Utrecht en de Graaf van Arensberg, in de rijksban
gedaan en mocht zijn eigen grondgebied niet meer betreden. Alle drie werden van titels
vervallen verklaard, en als ballingen zwierven ze enkele jaren rond.
Daarna kwam er toch weer een verzoening tot stand, doch hun slot in Cuyk is nooit meer
herbouwd. Van toen af (1140) is de zeer sterke stad Grave de bestuurszetel van het Land
van Cuyk geweest en de residentie der Graven van Cuyk, die hun titel weer terug ontvingen.
Ze bewoonden er een prachtig slot. Hun grondgebied, dat zich eenmaal uitstrekte van Blerick
(Venlo) langs de Maas tot bij s-Hertogenbosch (dat toen nog niet bestond) en ten zuiden
langs Woensel (Eindhoven), werd na de verzoening beperkt tot het huidige Land van Cuyk .
Het spreekt als vanzelf, dat de vazallen van Cuyk .deze dramatische gang van zaken niet
onverschillig hebben kunnen laten. En de van Uden s waren hun vazallen, dat blijkt duidelijk
uit de ligging van de heerlijkheid Uden in dat graafschap.
Hebben de van Uden s tijdens die onzekere jaren, toen de Cuykse Heren rechteloos
rondzwierven, getracht van Cuyk onafhankelijk te worden en door het opnemen van dat
kleine linkerbovenschildje steun en sympathie bij Gelder gezocht en mogelijk ook verkregen?
En hebben zij er van gedroomd om met die steun een meer onafhankelijke Heerlijkheid Uden
(of Herpen en Uden) te stichten? Een droom die later onder Walraven van Valkenborg tot
werkelijkheid werd. Het lijkt waarschijnlijk en aannemelijk, want de slag van Woeringen
(1288) had nog niet plaats gehad en Gelder was van zijn invloed in Brabant nog niet beroofd.
Mogelijk dongen de Heren van Uden, als zijlijn van dit Gravenhuis!, zelfs naar het bezit van
Cuyk.
De Burgt van Grave in 1140 gebouwd door Herman II van Cuyk, de stichter der stad Grave, een sterke en
strategisch belangrijke vesting in de middeleeuwen tot einde 18e eeuw.
Maar als het een of het ander hun bedoeling geweest is, bereikt hebben ze het niet, want
nergens blijkt uit ook maar een enkel officieel stuk, dat ze ooit meer waren dan krijgslieden,
die tot de heerban van Cuyk behoorden.
Het is echter ook mogelijk, dat zij in het bezit van de Heerljkheid Uden, al of niet verbonden
met Herpen, te weinig toekomst zagen voor een onafhankelijk en ridderlijk bestaan en dat zij
vrijwillig naar het pas gestichte (1185) s-Hertogenbosch emigreerden, dat ook iets
aanlokkelijks had. Zeer veel edelen trokken in die tijd naar de steden en mogelijk hebben de
van Uden s dat ook gedaan, tenminste sommigen van hen. Vast staat, dat leden van de
familie van Uden omstreeks 1258 in de pas gestichte stad woonden en daar enkele eeuwen
lang een belangrijke rol speelden. Ze leverden een groot aantal schepenen der stad op en
7
een nog groter aantal leden van de Illustre 0.L.Vr. Broederschap, dat toch een zeker teken
was dat ze tot de aller voornaamste geslachten behoorden, als afstammelingen van Cuyk,
verbonden met de voornaamste Europese geslachten.
Vele der oudst bekende van Uden s dragen de voornaam Henric (Hendrik) en men mag
aannemen, dat zij die ontleenden aan Hendrik I van CUYK. Men weet hoe de oude
geslachten zich vastklampten aan voornamen. Soms was men zo beangst voor het verloren
gaan van een voornaam, dat men zelfs tw zonen de naam van de vader, meer nog die van
de grootvader gaf. Men sprak dan van de oude en de jonge (volgt de naam) , ook wel de
grote en de kleine.
De oudste uit een akte bekende van Uden was Ludolfus genaamd in 1297 als vader van
Gerardus en die daarom in ± 1240 moet zijn geboren (zie Hist. Tijdschrift 1927, 62e
Jaargang, blz. 55). De latere van Uden s dragen opvallend veel de naam Hendrik.
Van Schijndel produceert een Godevaert van Uden omstreeks 1270 met een zoon gen.
Henric senior. Het vijfde kind was wederom een Henric,junior dus.
Hier ziet U Henric mocht in geen geval uitsterven! Maar dan staat vast, dat ook de
grootvader een Henric was. Alles wijst dus naar Hendrik I van Cuyk. Eigenlijk blijft ons niets
anders over, dan dit als feit te aanvaarden. Eventueel kan de eerste van Uden een bastaard
van Cuyk geweest zijn, maar omdat het aantal kinderen van Hendrik van Cuyk niet vast staat
(hij bezat tenminste drie zonen en een dochter) is het zeer wel mogelijk, dat het hier een le-
gale afstamming betreft. Op pag. 64 van het Memoriaal (Paringet) wordt uitvoerig ingegaan
op een tweede Hendrik in verband met de heerlijkheid Herpen, in t jaar 1191.
De auteur schrijft verders het bezegelen eener confirmatie brief van t jaar 1171, toe aan
dien eenen Hendrik, en wederom aan den anderen Hendrik de resignatie der Heerlykheyt
Herpen de anno 1191, sonder dat men tusschen die twintig jaren in eenige documenten of
schriften den naam van Herman vermelt vind, maar ter contrarie nog wel die van Henrik, als
op het jaar 1172, by Matthaeus do Nobilitate lib. 2, pag. 525.
Het geslacht van Mierop (dat thans nog voortleeft als Cuyk van Mierop) geeft minder moeite:
ze stammen van Jan I van Cuyk, waarvan de jongste zoon, overleden in 1354, is (Butkens
Troph. de Brab. tom. 2 pag. 57).
Dr. Wap schrijft: Tevergeefs hebben wij getracht het oord te ontdekken, waarin Mierop
gelegen was. Intussen is de tak Van Cuyk, die zich naar Mierop noemt, niet alleen de
uitgebreidste van allen, maar heeft zelfs van die allen alleen, tot in onze dagen
standgehouden
Maar wij weten nu, dat er ook van Uden s zijn die van Cuyk afstammen.
HET ALOUDE UDEN
Hoe oud Uden is en waar zijn naam vandaan komt?
Omstreeks Christus geboorte had Uden al een bewoond oord.
Want in 1923 werd op de heide ten Noorden van Slabroek een Urnenveld ontdekt, dat onder
opperleiding van Dr. Remouchamps werd ontgraven.
De conclusie uit de vondsten luidde:
Een bevolking van Gallo-Germaanse oorsprong, blijkens de gevonden urnen, die in contact
had gestaan met de Romeinse bezetting uit die dagen, omdat ook enkele resten van
Romeinse versierselen waren aangetroffen.
8
Rune steen te Uden
Een urnenveld is een begraafplaats; de woonoorden kunnen niet ver daar vandaan hebben
gelegen en op goede gronden wordt daarvoor in onze tegenwoordige gemeente het gehucht
Slabroek aangezien.
Wegens gelijdelijke uitbreiding van de bevolking moet zij over Hengst heuvel en de Bitswijk
naar het vroegere centrum, dat is de Oude kerkbuurt, rondom het tegenwoordige Pius plein,
zijn afgezakt; want dat dit het oudste centrum der gemeente is geweest, staat vast. Immers:
hier stond de oude kerk, die in 1886 afbrandde en die gedateerd kon worden in zijn oudste
vorm op ongeveer 1350 terug te gaan. Dat het de eerste Christen kerk in Uden was, is niet
aan te nemen, al moge het misschien wel de eerste stenen kerk zijn geweest; ze is zeker
voorafgegaan door een aantal houten bede oorden. Leerden we niet in onze schooljaren: bij
het jaartal ± 600:
Toen Dagobert te Utrecht kwam
En dit de vrije Fries ontnam
Bouwde hij een houten kluis
Als eerste Christen bedehuis.
In het boekje van Dr. Bannenberg over St. Willibrord in Waalre staat daarvan een aardige
reconstructie, waaruit men een goed idee kan krijgen hoe er onze eerste Christen kerken
moeten hebben uitgezien. Doch er is meer.
In het jaar 1930 werden voor een wegverlegging de fundamenten van de Oude Kerk
ontgraven. En wat bleek? Ze had gerust op grote keien en roodsteen (roodsteen, die in z.g.
wijstgrond veel wordt aangetroffen, ook nu nog) die met kalkmortel aan elkaar was gekit tot
een hechte onderlaag. 0p een van die keien ontdekte men drie onder elkaar staande
runenletters (het runenschrift stamt uit de voor christelijke Germanentijd). En die drie letters
vormden het woord Wot. Toen begon onze verbeelding pas voorgoed te werken.
Want Wot lijkt erg op Wotan en Wotan was de oppergod der Germanen. Op deze plaats dus
de godennaam Wotan in steen gebeiteld. (De steen bevindt zich thans, helaas, in het
streekmuseum te Oss). Men mag er uit afleiden, dat hier in voor Christelijke tijd een
offerplaats der Germanen lag, allicht in een open plek van een eikenwoud, als centrum van
de eredienst van de omliggende bevolkings groepen.
9
Oude Kerk van Uden (1888), gebouwd in midden 14e eeuw, afgebrand in 1886 en niet herbouwd
.
En nu wat over de naam Uden
Dr. J. de Vries, specialist in naamkunde, schrijft over Uden:
In 1190 VOTHEN, in 1222 Vothe geschreven. Men verbindt het met het Germaans autha, dat
kan betekend hebben woest terrein, maar zegt hij: men kan ook denken aan de
persoonsnaam Odo (= Udo = Wido.) .
Dr. de Vries wist niet van het bestaan van de kei met het runeninschrift W 0 T. En daarom
ben ik tot de volgende conclusie gekomen:
De H., zowel in Vothen als in Vothe (de Vries zegt niet waar hij die namen heeft
aangetroffen) wordt in de uitspraak niet gehoord; blijft over Vote; de V. valt dikwijls weg of
wisselt met de W.; denk aan Wodan is 0din; denk ook aan het tegenwoordige Italiaans, waar
de V. altijd als W. wordt uitgesproken.
En nog meer:
De W. werd dikwijls uitgesproken als U; denk aan ons kamerlid Witewael van Stoetwegen,
dat wordt uitgesproken als Uitewael; ook Wido en Udo is zo n variant. (Niet volgens de
bekende Smulders te s-Hertogenbosch).
En zo komt men tot de oplossing, dat Vothe, Wot en Ute hetzelfde woord is, dat reeds in
1200 zijn vaste vorm kreeg in Uden, maar ook hier en daar in oudere vorm bleef bestaan.
En zo is onze dorpnaam niets anders dan een teruggreep op het vroegere eredienst altaar
voor Wodan; een naamkaartje uit de voor Christelijke Germanentijd, de plaats waar Wodan
vereerd werd: Uden. (1)
En daarmee hebben we een mooi aanknopingspunt voor de terugkeer naar het oude
Herengeslacht der van Uden s.
Want de oudste door mij bekende staat geschreven als Gerardus de Ute: voornaam
Gerardus zo veelvuldig voorkomende in de oude generatie; de in plaats van van ook
wijzende op ouderdom: Ute inplaats van Uden.
(1) Zie in Genealogie van Uden hoe Dr. C.L. A. v.Uden tot dezelfde conclusie kwam, van zodra hij vernam van het
bestaan van die steen, maar hij brengt het verband Wotan - Uden tot stand door Uden af te leiden van Wute. Dit
laastste is n.l. de oudstbekende benaming van Wotan. Aldus: Wute - Ute - Ude - Uden. De bekende deskundige uit
s-Bosch Smulders bestrijdt de vereenzelving van Udo met Wido en hij zegt ook, dat 0din wel afgeleid is van Wotan -
Wute, maar dat dit niet van toepassing is op Uden.
Dr. van Schijndel noemt de vondst zeer goed !
10
Jan van Cuyk, Heer van Hoogstraten, overleden den 13 Juni 1442
En deze komt voor in Le livre de l abbe de Rijckel, een abt van St. Truien 1257 En een
bewijs, dat de oudste Heren van Uden al aardig ver weg konden trekken en de familie toen
reeds wijd verspreid was; ook later komt er nog een van Uden voor in de abdij-geschriften
van St. Truien.
Er bestaat - wij wezen er reeds op - een genealogie der oudste van Udens door Dr. van
Schijndel samengesteld. Deze stamboom begint in de eerste helft van de 13e eeuw met een
zekere Henric, wiens zoon Godevaert heette en wiens kleinzoon weer een Henric was; als
vierde kind van dezen noemt hij Gerardus, die in de 14e eeuw een huis bezat te Uden en
leenman was van Hertog Jan Ill de onoverwinnelijke van Brabant. (Deze van Uden s
corresponderen wat hun voornamen betreft op die van de Graven van Cuyk, zoals we reeds
schreven.) Deze kan dezelfde zijn als de Gerardus die in 1318 de mede oprichter was van de
befaamde O.L.V. Broederschap, die nog bestaat en waarvan zowel Koningin Juliana, als
prins Bernard leden zijn en waarin nog onlangs de prinsessen Beatrix en Irene zijn
opgenomen.
11
Standbeeld van de ridder Gerard van Uden geplaats op de voorgevel van het Zwanenebroeders Huis te
s Hertogenbosch.
Ook is zijn standbeeld in 1963 met nog drie andere vooraanstaande leden op de gevel van
het Broederschapshuis in de Hinthamerstraat geplaatst.
zijn portret is het natuurlijk niet, want mogelijk heeft dat zelfs nooit bestaan, maar zijn kleding
is een ridderlijke van die tijd en zijn linkerhand rust op een schild, jammer genoeg zonder
enig kenteken; want node missen wij daarop het mooie oude wapen der van Uden s, hiervoor
reeds beschreven.
Wij mogen het betreuren dat de kunstenaar, Mario von Beek, die bij de uitbeelding van de
Graaf van Egmond en de Prins van Oranje gebonden was aan de portretten van deze
vorsten, zich heeft laten verleiden Gerard van Uden een kop te geven die hij zekerlijk niet
gehad zal hebben. Gerard als afstammeling der Franci homines heeft wel een z.g.
noordras-kop gehad, zoals wij die thans nog in Friesland en onder de hoge adel, soms zeer
zuiver, aantreffen. De Gerard van Uden aan de gevel van het Broederschapshuis lijkt wel van
Faals ras. De kunstenaar had bijv. hetzelfde gezicht kunnen uitbeelden als dat van Jan van
Cuyk, Heer van Hoogstraten, overleden in 1442, wiens beeltenis wij in het werk van Dr. Wap
kunnen bewonderen, dat wij op pag. 16 hebben overgenomen.
Er bestaat een lijst van alle levende en overledene leden dezer Broederschap en daarop
komen talrijke van Uden s voor, vooral in de 14e en 15e eeuw, als bewijs, dat het toen een
zeer aanzienlijk geslacht was.
Bovendien was de Gerardus van 1318 een vroom man; want de Broederschap was een
godsdienstige vereniging, die ten doel had de openbare verering van de Moeder Gods te
bevorderen.
Daarbij verplichtten de leden zich tot bepaalde vastendagen, het bijwonen der Vespers en H.
Missen.
Ze droegen zelfs een soort Ordekleed en lieten zich de kruin scheren. Na de inneming van
Den Bosch in 1629 is de Broederschap geheel van aard veranderd. De leden worden ook
Zwanenbroeders genoemd.
12
Voor 1629 staan er echter ook al zr voorname lieden op de ledenlijst, als Prins Willem van
Oranje (de Zwijger), de Graaf van Egmond en de Graaf van Hoorne en vele anderen.
Deze Gerardus heeft vier kinderen gehad, n.l.:
(1) Henric, die 32 lib. moest opdragen aan Walraven van Valkenburg uit goederen in Herpen
en Uden gelegen (1411)
(2) Joanna, die trouwde met Peter Goders;
(3) Gerard van Uden, die schepen was van s Hertogenbosch van 1390 -1400;
(4) Willem, was het vierde kind, een bastaard.
Van deze laatste Gerardus van Uden - waarschijnlijk althans - ontdekte ik bij toeval een akte,
die alleszins merkwaardig is en die Dr. van Schijndel niet kende.
Ze werd op St. Nicolaasdag 1426 voor de schepenen van Den Bosch gepasseerd; ze
beschrijft de overdracht van een erfpacht ter grootte van een mud rogge Uit een Hoeve op
Zoggel. Die Hoeve bestaat niet meer, zelfs elk spoor er van is verdwenen en of nog ooit de
grondslagen ervan zullen gevonden worden is thans nog twijfelachtig. Men moet daarbij
denken, dat zo n hoeve in die tijd bestaan kan hebben uit een hout- en leembouw, welk
materiaal zo vergankelijk is, dat na vier en een halve eeuw alleen nog ondergrondse sporen
zullen over zijn, en dat het tevens zeer waarschijnlijk is, dat een der thans aanwezige
boerderijen in die buurt, boven die grondslagen kan zijn opgericht; maar de pogingen om dat
landgoed te identificeren worden voortgezet.
Verder staat in de akte uit 1426, dat die erfpacht wordt verleend door Dympna van Uden,
dochter van wijlen Gerardus, en toegekend aan een zekere wagenmaker in Den Bosch.
En die Hoeve wordt beschreven als liggende naast of bij een Landgoed de Hulst, waarvan
haar vader de eigenaar was. Naast de tegenwoordige buurtschap Zoggel ligt het gehucht
Hulstheuvel en waar die naam vandaan komt, is nu wel duidelijk!
Woonde Dympna van Uden toen op Zoggel en was haar vader op de Hulst gestorven? Zulks
is niet meer uit te maken.
De familie van Uden was al twee eeuwen in de Brabants hoofdstad gevestigd en haar leden
bekleedden er hoge funkties.
Hun bezittingen hier waren duidelijk resten van hun allodiaal goed uit vroegere tijden, die zij
nog hadden kunnen behouden.
Een ander bewijs van het bestaan van bezittingen in Uden blijkt uit een aantekening in het
Livre de fundateurs van Jan III van Brabant (1418 - 1429); deze aantekening in het Latijn
luidt: Gerardus van Uden, ongeveer 15 pond jaarlijks, naast zijn huis te Uden ; ook blijkt uit
datzelfde leenboek, dat hij toen nog goederen bezat in het Graafschap Wassenberg.
Hij was dus een gegoed man, doch die hypotheek van Dympna wijst op achteruitgang in
welstand, of hij was een van Uden, die te Uden was blijven wonen en, als zoveel leden van
rijke families, door ons erfrecht financieel achterop geraakte.
Merkwaardig is in dit verband de legende omtrent een Bertrand van Zoggel. Deze wordt
genoemd afkomstig te zijn van Over de Rijn en gehuwd met een Baronesse van Uden.
Het schild in zijn huis had geen enkele overeenkomst met dat van de van Uden s.
Ook de genealogie van Schijndel houdt hier bij deze tak der familie op en het is ook wel
mogelijk, dat deze bepaalde tak met Dympna in de mannelijke linie is uitgestorven.
Maar! Van een student aan de Keulse Universiteit mocht ik een Lijstje ontvangen van alle
studenten met de naam van Uden, die in die vroege eeuwen daar gestudeerd hadden. Het
waren er niet minder dan
elf. Daaronder kwam voor deze aantekening:
1421, Henr. van Uden, fil Gerhardi de Buscoduc, bisdom Luik. Mogelijk dus een zoon van
onze Gerardus en een broer van onze Dympna. Doch verdere nakomelingen zijn nog niet
bekend.
Wel zijn verdere nazaten bekend van haar ooms Jan en Henric.
Uit de nazaten van Henric kwamen ook voort poorters van de stad Brussel Een ervan was
Aert Stamelaert van Uden en die was behalve poorter van Brussel in 1418, Raad van Hertog
Jan IV van Brabant in 1425, Drossaard van Cuyk, Hoofdschout van Den Bosch 1419 en
Schepen aldaar van 1401 - 1444. Hij was ook nog hofmaarschalk. Dus een buitengewoon
voornaam man. We zien ook nog een advocaat van het Hertogeljke Hof te Brussel zich van
Cuyk van Uden noemen. Ook is het geen toeval, dat een van Uden Raad van de Hertog in
die tijd Drossaard te Cuyk werd. Daarover wordt bericht in Genealogie van Uden , en draagt
bij tot de bewijsvoering dat de oude van Uden s uit het Cuykse Huis stammen.
13
Deze Aert (= Adriaan) Stamelaert van Uden voert een gekroonde helm en als helrnteken de
kop en de hals van een jachthond.
Alles wat hiervoor over de oudste familie van Uden is vermeld, werd bijeengegaard voor wij
kennismaakten met de gegevens, die in Rijks- en Gemeentearchief van Den Bosch berusten
en die bijeengebracht werden door van Zuylen en Sasse van Ysselt.
Van Zuylen stelde een lijst van schepenen der Stad samen van 1295 - 1794; Daarin komen
voor:
No. 68 Gerardi de Uden 1399, met wapen in zilver
No. 103 Marceli de Uden 1477, idem
No. 129 Arnoldi Stamelaert Fil. Henrici 1461, wapen alsvoor
No. 170 Enghelberti de Uden 1480, wapen alsvoor
No. 183 Henrici de Uden 1486, idem
En in een handschrift nog:
Henricus de Uden, schepen van Bamis 1337 tot Bamis
(op data 13 Jacobi 1364 in Stadscomme).
A.F.O. Sasse van IJsselt schreef een werk over de voorname huizen en gebouwen van s-
Hertogenbosch alsmede hun eigenaars of bewoners in vroeger eeuwen (3,dln.).
Daarin komen tientallen van Uden s voor, veelal met aanhaling van de betrokken akten en
beschrijving van familieverhoudingen; een kostbare bron voor de familiegeschiedenis, doch
waarbij zoveel te raden valt en met zoveel hiaten, dat ik tot dusverre geen bevredigend
geheel heb durven construeren.
Als voorbeeld van de wijze, waarop in zulke akten de familieverhouding wordt vermeld, halen
we aan:
akte Nr. 169 deel II, op 13-5-1587:
Roelof, zoon van Hendrik van Uden, genaamd van Erp, als weduwnaar van Jutte, dochter
van Leonard v. Aelst, doet afstand van de tocht van een Huis in de Boerenmouw ten
behoeve van Peter, als man van Francisca, dochter van Hendrick van Uden, genaamd van
Erp, zoon van Henrik, den zoon van genoemden Roelof.
Zoek nu deze eigenaardige familieverhouding maar eens uit!
Een bewijs, dat de familie al reeds in de veertiende eeuw wijd verspreid was, blijkt uit het
volgende:
14 Apr. 1342:
Herman de Uden, schepen St. Truiden 1350 etc., et domicilla Catharina, quandam dicta de
Brusele, scabinis oppidi Sancti Trudensis, getuigen bij geschillen in Den Bosch.
(Cartulaire de St. Trond Blz. 89).
De van Uden s van St. Truiden voerden (1350 etc.) niet het wapen van Cuyk, doch 8
Molenijzers, hoewel duidelijk hun verwantschap blijkt met de van Uden s uit Den Bosch.
En voor de tegenwoordige tijd:
Kort na 10 mei 1940 kwam een generaal van het Duitse leger op het Gemeentehuis te Uden
informeren, of zijn familie iets met onze gemeente te maken had, want hij heette van Uden en
kwam uit de buurt van het meer van Constanz. (1)
(1) Von Uden komt in Duitsland voor (Maagdenburg - Berlijn).
Er zijn op het ogenblik heel wat families van Uden. Het is bekend, dat voor 1811, dus voor de
instelling van de Burgerlijke Stand door Keizer Napoleon, een zekere vrijheid bestond om
familienamen aan te nemen en dat toen, maar ook reeds lang voor die tijd de mensen die uit
hun woonplaats emigreerden, zich naar die plaats gingen noemen, of hun omgeving deed
zulks. Zo kwam een bepaald persoon uit Uden, laat ons zeggen dat hij met zijn voornaam
Peter genoemd werd, dan zeiden de mensen uit de buurt: dat is Peter (komende) van Uden.
Na de instelling van de Burgerlijke Stand werd dan die naam wettelijk gefixeerd: van Uden,
14
Onder al die van Uden s zijn er ook die van de Oude afstemmen. Zo kennen wij van Uden s
die te Uden woonachtig waren in de 15e eeuw en zich te Uden reeds van Uden noemden,
eigengerfde boeren dus geen horigen. Men kan deze van Uden s als nazaten der Oude van
Uden s beschouwen. In het internationaal register van de Hogeadel (in de Franse taal) staat
in deel 1 onder het hoofd Portugal:
Adelaide, Emanuele, Amalia, Michaela, Prinses van Braganza, Infante van Portugal,
geboren te St. Jean de Luz, 31 Jan. 1912, dochter van Migual, Hertog van Braganza, Infant
van Portugal en van Therse zu Lowenstein-Wertheim-Rosenberg, dochter van Prins Karel
en van Prinses Sophie van Lichtenstein.
De echtgenoot van deze Koninklijke Prinses is Dr. Nicolaas Jean Marie van Uden, geboren te
Venlo 1921. Hij is daar in Portugal een medicus-bioloog van naam en er zijn 6 kinderen. Via
Ons en Geffen Loopt zijn stamboom naar Uden naar Dirk van Uden die daar in 1675 geboren
is.
Deze Dirk heeft een zoon Dirk, waarvan Dr. C.L.A. van Uden stamt, de kanselier voor het
Ned. Taalgebied van de Ridderlijke Orde van St. Salvator en St. Birgitte van Zweden. Van
een tweede zoon stamt onze Portugese van Uden.
Volgen wij hier een stukje tekst uit reeds genoemde Genealogie van Uden :
Deze Dirck treedt in het huwelijk te Gemonde op 28 jan. 1742. Dat was een hele
gebeurtenis, want hij gaat daarmede Uden verlaten, Op het ogenblik lijkt dat heel simpel:
iemand gaat van Uden naar Gemonde, de gewoonste zaak van de wereld! Maar in de eerste
helft van de achttiende eeuw was dat een complete landverhuizing. Uden was au fond een
Duitse bezitting. De Heer was Karl Theodore von Sulzbach.
Het Land van Ravenstein viel buiten de grijphand van de Staten van Holland en de
terreurdaden tegen de R.K. godsdienst hielden bij de grens van de vrije heerlijkheid van
Ravenstein op. Dirck was daar te Gemonde echt al n soort buitenlander! Zijn bruid was
Johanna Catharina Timmermans, geb. te Gemonde op 29 sept. 1718, als dochter van
Richardus Timmermans (deze geb. 9 dec. 1685) en Maria Eijmers (geb. 8 jan. 1687).
Deze Timmermans en (1) waren ter plaatse gegoede boeren (de pastoor Jan Timmermans
was een oom van de bruid) en reeds vroeger gelieerd met van Uden, volgens een
Schijndelse akte. (R 73, f 122 dd 31-12-1643). Dit is voor de afstamming van onze van
Uden s een belangrijke akte. Zo bewijst n.l. dat onze van Uden s zich to Uden reeds (dus
voor hun immigratie) van Uden noemden. Ook Dr. van Schijndel spreekt van een voorname
familie van Uden uit Uden en produceerde hij een akte (1702), waarin een Allegondis van
Uden, uit Uden, huwt met een Hendrik Hendriks Mathysone van der Asdonck uit een
belangrijke Brabantse familie.
Als erfgenamen van hun broeder, wijlen Hendrich Diercksz Timmermans, worden in deze
akte genoemd:
1. Jan Timmermans, 2. Margriet Timmermans, 3. Willem Timmermans (woont te Asten, zie
Asten R dd 26-3-1643), 4. Laureijs Timmermans, 5. Jan Timmermans, overleden, nalatende
5 onmondige kinderen, verwekt bij zijn echtgenote, Hilleken van Uden, onder voogdij van
haar broeder Jacop Peters van Uden, te Uden.
Het is haast zeker, dat er tussen Peter van Uden (omstreeks 1580) en de eerder genoemde
Gerard verwantschap bestaat, mogelijk is het zijn voorvader. Wij zagen reeds, dat de adel
door sociale structuur verandering moest afdalen, d.w.z. de kleinde adel, de afstammelingen
van de milites en homines franci van vroeger, naar de gewone al of niet eigengeerfde
boerenstand.
(1) Volgens Dr. van Schijndel zijn deze Timmermans en van die, waarvan het wapen nog voorkomt op een oude
grafsteen, geplaatst tegen de buitenmuur van het grafmonument der Baronnen van den Bogaerde de Terbrughen op
het kerkhof te Heeswijk.
15
Hertog Karel Theodore van Neuburg Sulzbach. Laatste Heer van het land van ravensteijn 1742 - 1794
In de Middeleeuwen word de landbouw uitsluitend beoefend door de sociale bovenlaag van
de plattelandsbevolking, waartoe de van Uden s hebben behoord. Het in achtneming van
een zekere reserve mogen we besluiten, dat een eigengeerfde boer, die te Uden zich van
Uden noemde een nazaat van de oorspronkelijke Heren van Uden is.
De kennismaking van Dirck zal vermoedelijk wel de familieband als aanknopingspunt hebben
gehad. Zijn vader en de overige familie is later eveneens naar Gemonde getrokken, daar hij
niet te Uden overleden is en de zuster Christine huwde te Gemonde op 26 nov. 1741. De
moeder Johanna van Sochel was in 1730 reeds overleden, toen Dirck dus 22 jaren telde. Hij
(of zijn vader) heeft te Gemonde een hoeve gekocht, of gesticht.
Zo n verhuizing was in die dagen een grote onderneming. Alles ging met huifkarren over
landwegen met diepe karresporen. Verharde wegen waren er alleen in Den Bosch! Gevaarlijk
was het reizen bovendien vanwege allerlei gespuis, rovers en weggelopen soldaten, terwijl
ook de normale troepen al last genoeg gaven. Brabant ligt wat dat betreft al zeer ongunstig.
Als zwermen sprinkhanen zijn allerlei legers plunderend door het land getrokken en bij het
geringste verzet kraait de rode haan! Of het Pruisen, Oostenrijkers, Hollanders, Fransen of
Engelsen zijn, van geen enkele legerleiding geniet de boer bescherming. Hij is eenvoudig de
leverancier van vlees, boter, koren, paarden en ook van drank en jonge vrouwen om de
lusten van het uitvaagsel van Europa to bevredigen. Geen wonder dus, dat sommige
boerderijen in carre-vorm werden gebouwd.
Met een sterke poort en geen ramen aan de buitenzijde en soms zelfs nog een gracht er om
heen. Men kan deze boerderijen thans nog aantreffen in Limburg. Tegen kleinere benden
waren ze te verdedigen en zeker tegen rovers, die soms georganiseerd optraden onder
leiding van een hoofdman. Gangsters waren er toen reeds...
Maar tegen een leger was de hofstede niet opgewassen.
Ik herinner mij uit mijn prille kinderjaren een dergelijke oude boerderij in de omgeving van
Eindhoven. De z.g. langgevel boerderij , die men typisch Brabants wil noemen, is pas na
plm. 1700 algemeen gaan worden. Voor die tijd bestond er geen speciale Brabantse
boerderij en zag men allerlei typen door elkaar.
16
In Kempische dorpen vindt men soms resten van die oude omgrachte en omwalde percelen,
op oude kadasterkaarten terug. Bij nader onderzoek blijken daar dan dorpsnotabelen
gewoond to hebben.
Niet zodra had de boer zich voor de zoveelste maal hersteld, met dag en nacht werken en
zwoegen, of aan de horizon verschijnt alweer een nieuw leger, het doet er weinig toe of het
vriend of vijand is: dat nieuwe leger doet weer precies hetzelfde als dat wat er pas
geweest is......
Abdij der Zuster Brigittinessen, voorheen het klooster der Kruisheren. Daarvoor een kasteel de Vorstenberg ;
vermoedelijk op die plaats oorspronkelijk de woonstede der oude van Uden s.
Het Koor der kapel van de Abdij der Zuster Brigittinessen
Vanzelfsprekend zullen de meeste tegenwoordige van Uden s wel van emigranten stammen,
maar het is toch wel zeker dat er van Uden s zijn wier stamboom, zonder dat ze dat weten,
naar de Oude Heren loopt. Het is zegt van Schijndel een bekend feit, dat oude Brabantse
adelijke families onbewust in kleine dorpelingen voortleven.
De van Uden s uit s-Hertogenbosch beschikken in deze over de beste papieren, dat is zeker.
Tot nu toe staat het van geen enkele van Uden zwart op wit vast voor een 100 %
waterdichte stamboom, hypothetisch is deze van sommige wel te maken en men zou
daarvan kunnen zeggen: niet aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid . Of men tot een
bepaalde familie behoort, wordt niet uitsluitend door de staniboom bepaald. Er kunnen soms
heel wat feiten aangehaald worden, waardoor alle twijfel wordt weggenomen. Wij zien als
voorbeeld de afstamming der van Uden s uit de familie van Cuyk, met als een der
componenten in de bewijsvoering het Cuykse wapen.
17
De wapenkoning van de Hertog zou zeker het Cuykse wapen gedesavoueerd hebben, indien
dit onrechtmatig door een Ridder te s-Hertogenbosch, te Uden, Brussel enz., gevoerd zou
worden. Ook de Graven van Cuyk zouden het niet gedogen. De van Uden s uit Den Bosch
kwamen, omdat ze hoge ambten bekleedden, met hun wapen openlijk voor de dag,
vertoonden het zelfs te Brussel in een kerkraam, zodat iedereen er van op de hoogte was. Er
zijn dan nog veel meer aanknopingspunten en feiten, maar ze staan allemaal buiten een
legale stamboom. En zo zijn er heden families van Uden die zonder sluitende stamboom toch
wel een waarschijnlijkheidsbewijs kunnen leveren van de oude van Uden s af te stammen.
De ontdekking van de regulaire afstamming behoort tot de grote mogelijkheid van iedere van
Uden die aan genealogie gaat doen! Een samenwerking met de
van Uden Stichting kan wellicht tot volledige opheldering voeren.
Zo zij het!
NAWOORD
Het is zeker eervol van de oude van Uden s te stammen, maar als wij de (nog niet
uitgegeven) Geschiedenis van Uden , eveneens van de hand van de schrijver van dit
geschriftje, bestuderen, mogen ook de z.g. emigranten van Uden s trots zijn te stammen uit
dit door natuurschoon rijk omgeven dorp in het Land van Ravenstein.
Ik wens de eerste publikatie in het kader der familie stichting een goed ontvangst!
Nederweert, Kerstmis 1963.
J.L.M. van Uden
Oud-Burgemeester,
Ere-President
Van Uden Stichting
ng.com